Raad van State, 19-11-2025 (202404844/1/A3)
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 juli 2024 waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 28 juni 2023 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 9 maart 2022, 22 maart 2022, en 30 maart 2022, waarbij een verzoek van [appellant] om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming is toegewezen, ongegrond verklaard. [appellant] heeft het college verzocht om inzage van zijn persoonsgegevens die worden verwerkt door de afdeling Werk en Inkomen. Het college heeft dit verzoek toegewezen en aan [appellant] meegedeeld dat hij een uitgeprint dossier kan ontvangen. [appellant] is het hier niet mee eens, omdat het college ten onrechte de afhandeling van zijn inzageverzoek heeft beperkt tot inzage in zijn dossier en persoonsgegevens.
How it connects
Related across sources
Full text 3 paragraphs
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college aan de verplichtingen van artikel 15 van de AVG heeft voldaan en [appellant] voldoende in staat heeft gesteld om de juistheid van de over hem bestaande persoonsgegevens en de rechtmatigheid van die verwerking te controleren. Met wat [appellant] heeft aangevoerd acht de Afdeling het, net als de rechtbank, niet aannemelijk dat het college een verborgen dossier onder zich houdt. De beweringen over de tegenwerking door het college zijn niet met concrete gegevens of bewijzen onderbouwd.
Het hoger beroep is ongegrond.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Bangma lid van de enkelvoudige kamer w.g. Soffner griffier 818-1171