Rechtbank Amsterdam, 04-08-2026 (1313994226)
EAB Duitsland; verweer m.b.t. artikel 12 OLW verworpen; weigering o.g.v. artikel 6a OLW en strafovername
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-139942-26 Datum uitspraak: 4 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 26 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 september 2024 door het Kantongerecht ( Amtsgericht ) Bonn, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1959 in [geboorteplaats], ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [inschrijfadres], feitelijke verblijfplaats: [feitelijke verblijfplaats] nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 7 juli 2026 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd in afwachting van het certificaat en het vonnis. Zitting van 21 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt. De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op de zitting van 7 juli 2026 geschorst met onmiddellijke ingang, maar niet voordat hij zijn paspoort en/of ieder ander reisdocument bij de officier van justitie heeft ingeleverd. Omdat hij dat niet heeft gedaan, bevindt de opgeëiste persoon zich nog in overleveringsdetentie. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van het Kantongerecht ( Amtsgericht ) Bonn van 9 september 2016 met kenmerk 652 Ls 31/16. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Duitsland. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 427 dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon ontkent dat hij bij de berechting in Duitsland is geweest en dat hij destijds gedetineerd was. De opgeëiste persoon heeft geen tijd gehad om het vonnis te lezen, nu dit pas een dag voor de zitting is aangeleverd. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, zodat de opgeëiste persoon in de gelegenheid wordt gesteld het vonnis uit Duitsland door te nemen en objectieve informatie te kunnen verkrijgen om de informatie uit Duitsland te kunnen weerleggen. Op dit moment beschikt de verdediging niet over objectieve informatie die de Duitse informatie kan weerleggen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. Oordeel van de rechtbank Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Door de opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat die informatie onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de informatie uit het EAB te twijfelen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. 5 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen? De rechtbank moet eerst beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf. Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar is met Nederlands recht. Bovendien is de opgelegde vrijheidsstraf lager dan de straf die in Nederland maximaal voor een dergelijk feit kan worden opgelegd. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De binding van de opgeëiste persoon met Nederland Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf? De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Duitse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat en een kopie van het veroordelende vonnis. Op 20 juli 2026 heeft de rechtbank het certificaat en een kopie van het veroordelende vonnis ontvangen. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland. Conclusie De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon een Nederlander is en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW. 9 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Kantongerecht ( Amtsgericht ) Bonn (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, te weten een vrijheidsstraf vaneen jaar en tien maanden waarvan nog resteren 427 dagen. HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]. BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en E.H. Wisgerhof, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)). Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.