Rechtbank Midden-Nederland, 29-05-2026 (UTR 26/1509)
Verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk wegens ontbreken van connexiteit.
Full text
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/1509 uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum Inleiding 1. Het college heeft met het besluit van 7 november 2025 besloten om met ingang van 25 september 2025 ten aanzien van de persoonsgegevens van verzoeker in de Basisregistratie personen (BRP) te vermelden emigratiegegevens “Onbekend”. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. Met het bestreden besluit van 31 maart 2026 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij zijn bezwaar te laat had ingediend. In datzelfde besluit heeft het college ook een correctie toegepast. In samenspraak met verzoeker is de uitschrijving naar het land “Onbekend”, in de BRP gecorrigeerd. Omdat verzoeker geen woonadres heeft, is verzoeker ingeschreven op het briefadres van de gemeente. 3. Het college heeft het besluit van 31 maart 2026 samen met overige stukken, waaronder een toelichting op onder meer dit verzoek en het advies van de commissie bezwaarschriften, op 24 april 2026 naar de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft deze stukken per e-mail van 29 april 2026 naar verzoeker doorgestuurd en hem verzocht hierop te reageren. Verzoeker heeft dat bij e-mailbericht van 29 april 2026 gedaan, maar is in die mail niet ingegaan op de beslissing op bezwaar die bij deze stukken zat. 4. De rechtbank heeft verzoeker vervolgens bij brief van 11 mei 2026 uitgelegd dat er inmiddels een beslissing op zijn bezwaar genomen is en verzoeker in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen tegen dat besluit van 31 maart 2026, zodat de door hem ingestelde voorlopige voorzieningsprocedure daaraan verbonden kan zijn. Deze brief is per e-mail naar verzoeker verzonden. De rechtbank heeft op 19 mei 2026 de brief van 11 mei 2026 nogmaals per e-mail naar verzoeker verzonden. 5. Verzoeker heeft niet gereageerd en de termijn voor het instellen van beroep is inmiddels overschreden. 6. De voorzieningenrechter zal daarom nu uitspraak doen en beslissen op het verzoek van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 6.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 7. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 8. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan het vereiste van formele connexiteit. Dit betekent dat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen wordt gedaan hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit vloeit voort uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. 9. Als een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt (en dus daarmee connex is) en op dit bezwaar wordt beslist voordat op het verzoek is beslist, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het al ingestelde verzoek wordt dan gelijk gesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. 10. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld, waardoor niet wordt voldaan aan het connexiteits7/vereiste. Conclusie en gevolgen 11. Het verzoek is vanwege het ontbreken van connexiteit kennelijk niet-ontvankelijk en voor een eventuele proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssen-Kleijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026. De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.