Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:21807 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 15-07-2026 (C/09/706438 / KG ZA 26/596)

Rechtbank Den Haag
Summary

Geschil tussen samenwerkende partijen die voor HTM veiligheidsdiensten leveren. Uitleg raamovereenkomst aanbesteding en vraag of samenwerkingsovereenkomst is geschonden.

Full text

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/706438 / KG ZA 26/596 Vonnis in kort geding van 15 juli 2026 in de zaak van ABR INFRA SERVICES B.V. te Den Hoorn, eiseres, advocaat mrs. L.E.M. Haverkort en C.S. Korthaus te Deventer, tegen: CRS WORKS B.V. te Den Haag, gedaagde, advocaat mrs. R.P.R. Nolten en A. El Ouath te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ABR’ en ‘CRS’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 juni 2026 met producties 1 tot en met 28; - de conclusie van antwoord met producties 29 tot en met 36; - de op 29 juni 2026 namens ABR overgelegde aanvullende producties 37 tot en met 39; - de op 30 juni 2026 namens CRS overgelegde aanvullende producties 40 en 41; - de op 1 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. ABR is een uitzendbedrijf dat zich richt op de Infra en GWW (grond weg waterbouw) sector. CRS is een onderneming die zich onder meer bezig houdt met het leveren van veiligheidspersoneel en overige diensten op het gebied van veiligheid. 2.2. HTM heeft op 29 juni 2024 een Europese openbare aanbesteding voor de Inhuur monteurs en inzet veiligheidsdiensten afdeling Infra (de aanbesteding) aangekondigd. De aanbesteding is verdeeld in twee percelen. Voor deze kortgedingprocedure is het tweede perceel van belang: Veiligheidsdiensten. 2.3. CRS en ABR hebben op 13 september 2024 een samenwerkingsovereenkomst getekend. In overweging C van de samenwerkingsovereenkomst is opgenomen dat de kern van deze samenwerking ziet op het gezamenlijk leveren van veiligheidspersoneel aan HTM. Artikel 2 lid 1 van de samenwerkingsovereenkomst luidt als volgt: “ Partijen zullen deze overeenkomst te goeder trouw en naar beste kunnen uitvoeren en zij zullen zich op een eerlijke en professionele wijze inzetten voor elkaars belangen. Partijen hebben een structurele samenwerking voor ogen, waarbij door gezamenlijke investeringen en de uitwisseling van kennis en expertise zal worden getracht de navolgende doelen te bereiken: De partijen dingen gezamenlijk mee naar de aanbesteding van 370382 2024/74 Perceel 2 Inzet leveren van veiligheidsdiensten Infra HTM Personenvervoer ” Artikel 4 lid 6 van de samenwerkingsovereenkomst luidt als volgt: “ De Partijen spreken af dat zij elkaar regelmatig, en in ieder geval maandelijks, zullen informeren over de voortgang van de gesprekken met de klantrelatie. Wanneer er sprake is van een belangrijke wijziging in de relatie tussen de Partij en de klant, zal de Partij die dat gesprek heeft gevoerd onmiddellijk met de andere Partij overleggen. ” Artikel 17 van de overeenkomst bevat een concurrentiebeding: “Partij 1 en partij 2 mogen niet gedurende de looptijd van de samenwerking direct of indirect betrokken zijn bij een vergelijkbare samenwerking binnen Nederland, tenzij hiervoor voorafgaande schriftelijke toestemming is gekregen van de andere Partij.” 2.4. ABR heeft op 23 september 2024 ingeschreven op de aanbesteding. In het aanbestedingsdocument dat ABR heeft ingevuld en ondertekend staat CRS als onderaannemer vermeld. Op het prijzenblad zoals dat voor de aanbesteding moest worden ingevuld, staat bovenaan vermeld: “De minimale afname voor reguliere diensten wijzigt naar minimaal 8 uur. Voor adhoc diensten blijft de minimale afname 4 uur.” Er moesten uurtarieven worden ingevuld voor “LWB (leider werkplekbeveiliging)”, “VHP (Veiligheidspersoon Metro)”, “VHP (Veiligheidspersoon) Tram” en “VKR (verkeersregelaar)”. 2.5. In het programma van eisen (PvE) van de aanbesteding staat onder paragraaf E20 vermeld: “De opdrachtnemer dient 24/7 telefonisch bereikbaar te zijn.” 2.6. Vraag 26 in de tweede Nota van Inlichtingen (NvI) is de volgende: “De opdrachtgever stelt dat de opdrachtnemer 24/7 telefonisch bereikbaar dient te zijn. Kan opdrachtgever aangeven welke verwachtingen er zijn als er contact op wordt genomen met opdrachtnemer, en specificeren welke diensten, hoeveel medewerkers en binnen welke termijn deze dienen aan te vangen met een (spoed)opdracht?” HTM heeft daarop als volgt geantwoord: “De 24/7 telefonische bereikbaarheid is ervoor om ADHOC aanvragen en vervangingen van niet aanwezig zijnde functionarissen op te kunnen lossen. ADHOC aanvragen dienen binnen 2 uur ingevuld te worden.” 2.7. Vraag 5 in de derde NvI is de volgende: “In de huidige samenwerking met inschrijver is er een stand-by organisatie ingericht om in geval van calamiteit direct een veiligheidsfunctionaris op locatie te krijgen. Heeft aanbestedende dienst in een nieuwe samenwerking nog steeds behoefte aan een stand-by dienst binnen bepaalde functies? Zo ja, staat u er voor open om na gunning hierover afspraken in het verlengde van de huidige afspraken?” HTM heeft daarop als volgt geantwoord: “Dat is geen onderdeel van de scope van deze Raamovereenkomst. Indien daar behoefte aan is zal dat separaat worden gegund.” 2.8. In het document Wens 1 Dienstverleningsplan en implementatie hebben ABR en CRS onder 1.4.2) betreffende Flexibele dienstverlening die aansluit op de behoefte van het werk onder b het volgende genoteerd: “ Storing of calamiteit: wij bieden HTM de mogelijkheid om VF-ers op te roepen bij een storing of calamiteit. Zoals genoemd in de Nota van Inlichtingen dienen bij over deze behoefte nadere afspraken gemaakt te worden. Waarbij onze VF binnen 30 – 45 minuten op de betreffende werklocatie aanwezig is.” 2.9. HTM heeft de inschrijving van ABR voor perceel 2 Veiligheidsdiensten aangewezen als de economisch meest voordelige inschrijving. HTM heeft besloten de opdracht aan ABR te gunnen. HTM en ABR hebben op 14 november 2024 afspraken vastgelegd in een raamovereenkomst. In de raamovereenkomst is onder meer bepaald dat de opdracht is aangevangen op 1 januari 2025 en dat deze een looptijd heeft van drie jaar (met een eenzijdig recht van HTM op verlenging). 2.10. Op 19 november 2024 heeft ABR met CRS en HTM een kennismakingsgesprek gehad. In de notulen die van dit gesprek zijn opgesteld, staat het volgende opgenomen: “- AD-HOC aanvragen Deze kunnen door de wachtdiensten (storingsmonteurs) of de 2e lijns wachtdienst gedaan worden. Hier dient een aanrijdtijd van 45 minuten voor gehanteerd te worden. Voor het stadsenet staat dit in het PVE, voor Lightrain Perceel I en perceel II kijkt Erwin dit nog even na. (…)” Ook is in de notulen opgenomen dat facturatie via ABR zal verlopen. 2.11. Op 7 maart 2025 heeft HTM ABR en CRS per e-mail onder meer als volgt bericht: “(…) De stand-by dienst is voor ad hoc diensten, je schrijft in de offerte bij oproep buiten reguliere tijden is minimale afname 8 uur. Dit is niet in lijn met het in de aanbesteding aangegeven prijzenblad m.b.t. ad hoc diensten. Oftewel een stand-by dienst die opgeroepen wordt is altijd ad hoc. Regulieren diensten worden namelijk tijdig ingepland. De stand-by wordt gebruikt bij storingen / verstoringen.” 2.12. Op 12 maart 2025 hebben ABR en CRS aan HTM een offerte uitgebracht voor “stand-by veiligheidsdiensten LWB/VHP-metro/VHP-tram” . In de offerte is opgenomen: “Zoals vanmorgen besproken doen we hierbij een offerte toekomen voor het verzorgen van de stand-by-diensten. Wij bieden deze service aan vanaf 1 januari 2025 en onderstaande prijs is geldig tot 1 januari 2026. Betreft:  Telefonisch 24/7 bereikbaarheid en beschikbaar (24 uur per dag van maandag t/m zondag)  Na oproep binnen 45 minuten een functionaris op de gewenste locatie (…) Stand-by vergoeding per maand: € [bedrag, voorzieningenrechter] Overige voorwaarden:  Na oproep gelden de uurtarieven voor deze dienst zoals bekend bij HTM (…)” 2.13. ABR heeft de offerte bij e-mail van 12 maart 2025 aan HTM gestuurd, met een kopie aan CRS. In deze e-mail is het volgende vermeld: “ Bijgevoegd de offerte zoals zojuist telefonisch besproken. Ik hoor graag van je, of je hiermee de jaaropdrachten in orde kunt maken. ” 2.14. Bij e-mail van 21 maart 2025 heeft HTM gereageerd op de offerte. In deze e-mail is onder meer het volgende vermeld: “ Zoals telefonisch van de week al gemeld, mijn akkoord op de offerte consignatiediensten. De afrekening dient wel gesplitst te worden, dit i.v.m. de verschillende kostenplaatsen. Per maand stand-by kan er een proforma factuur worden aangeleverd worden bij de werkvoorbereider. De werkvoorbereider zal dan de opdrachtbevestiging sturen met daarin het IOP / IOZM en Wo nummer die op de factuur vermeld dienen te worden. ” 2.15. Begin 2026 heeft ABR zich op het standpunt gesteld dat CRS buiten haar om opdrachten van HTM aannam die volgens ABR onder de scope van de aanbesteding vielen, en daarom over de band van de samenwerkingsovereenkomst tussen ABR en CRS hadden moeten lopen. Aanleiding daarvoor was kennisname van een pro forma factuur van CRS gericht aan HTM, die bij ABR terecht was gekomen. 2.16. Op 11 februari 2026 hebben ABR en HTM een addendum 2026 Inhuur veiligheidsdiensten ABR Infra Services B.V. getekend. In de omschrijving van de jaarorder-referenties voor de opdracht bij omschrijving dienstverlening is het volgende weergegeven: 2.17. ABR heeft CRS aangeschreven en erop gewezen dat CRS buiten de tussen partijen gemaakte afspraken om heeft gehandeld en daarmee schade heeft toegebracht in de zakelijke verhouding. ABR heeft CRS gesommeerd zich strikt te houden aan de gemaakte afspraken in de samenwerking. CRS heeft betwist dat zij afspraken heeft geschonden. 2.18. ABR heeft HTM aangeschreven en het standpunt ingenomen dat HTM opdrachten die binnen de raamovereenkomst vallen bij derden partijen uitzet, waardoor de belangen van ABR worden geschaad. Zij heeft HTM gesommeerd hiermee te stoppen. 2.19. HTM heeft ABR bij brief van 8 mei 2026 bericht dat consignatiediensten expliciet buiten de scope van de aanbesteding vallen (zoals kenbaar gemaakt in de derde NvI (vraag 5) en dat HTM die diensten buiten de raamovereenkomst om aan marktpartijen kan verstrekken. Een deel van deze (consignatie)diensten is meegenomen in de uitvoering van projecten die door erkende aannemers worden uitgevoerd en maken daar onderdeel van uit en niet van een afzonderlijke opdrachtverstrekking door HTM aan een veiligheidsdienstverlener. Zij stelt dat uit het feit dat ABR spoeddiensten voor HTM verricht dus niet kan worden afgeleid dat die onder de scope van de raamovereenkomst vallen. Wel constateert HTM dat in een aantal gevallen reguliere veiligheidsdiensten ten onrechte buiten de raamovereenkomst zijn uitgezet. HTM heeft daarvoor excuses aangeboden en zij heeft gesteld interne maatregelen te hebben getroffen. 2.20. ABR heeft CRS bericht dat zij sterke vermoedens heeft dat CRS zelfstandig een stand-by-/spoedovereenkomst met HTM heeft gesloten. In dat kader heeft zij CRS om opheldering gevraagd. Ook heeft ABR HTM gevraagd of het juist is dat een dergelijke overeenkomst is gesloten en zij heeft HTM om opheldering gevraagd. 2.21. HTM heeft ABR vervolgens bericht dat zij een overeenkomst met CRS is aangegaan met betrekking tot spoeddiensten. HTM heeft benadrukt dat zij zich op het standpunt stelt dat spoeddiensten niet onder de scope van de raamovereenkomst met ABR vallen. CRS heeft ontkend dat zij een separate overeenkomst met HTM heeft gesloten voor stand-by-diensten. Zij stelt daarbij dat voor zover zij operationele ondersteuning aan HTM verleent of zal verlenen bij stand-by- of calamiteitensituaties, die dienstverlening buiten de scope van de aanbesteding en de samenwerkingsovereenkomst tussen ABR en CRS valt. 2.22. Partijen hebben vervolgens over en weer veelvuldig gecorrespondeerd over het gerezen geschil. 2.23. Op 26 juni 2026 heeft de contractmanager van HTM CRS bericht dat consignatie dan wel stand-by-diensten niet onder de scope van de aanbesteding vallen: “Zoals in eerder mail aangegeven, vallen consignatie c.q. standby-diensten niet onder de scope van de aanbesteding en maken derhalve ook géén onderdeel uit van de raamovereenkomst. HTM is te allen tijde vrij om deze dienstverlening in concurrentie aan derden uit te vragen en bij een andere dienstverlener dan ABR (in dezen), onder te brengen. In 2025 is door HTM besloten deze dienstverlening te gunnen aan ABR. Voor 2026 heeft HTM afgezien de opdracht aan ABR te verstrekken.” 3 Het geschil 3.1. ABR vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. CRS, onder oplegging van een dwangsom, te veroordelen inzage te verschaffen in en afschrift te verschaffen van de informatie zoals uiteengezet onder randnummer 50 van de dagvaarding; II. CRS, onder oplegging van een dwangsom, te veroordelen haar werkzaamheden die zij in rechtstreekse opdracht van HTM verricht te staken en gestaakt te houden, althans CRS te veroordelen haar werkzaamheden die zij in rechtstreekse opdracht van HTM verricht die vallen binnen de scope van de raamovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst en -afspraken, te staken en gestaakt te houden; III CRS te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2. Daartoe voert ABR – samengevat – het volgende aan. CRS is gehouden de gemaakte samenwerkingsafspraken na te komen. Partijen hebben in het kader van hun samenwerking afgesproken dat partijen gezamenlijk meedingen naar perceel 2 van de aanbesteding. CRS komt deze afspraken niet na omdat zij rechtstreeks met HTM contracteert voor dienstverlening binnen de scope van de raamovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst. CRS heeft in strijd met het bepaalde in de samenwerkingsovereenkomst ABR niet geïnformeerd over een belangrijke wijziging in de relatie tussen CRS en de klant. De samenwerking tussen CRS en HTM is ook in strijd met het concurrentiebeding tussen partijen. Voor wat betreft het inzageverzoek geldt dat deze informatie voor ABR relevant is voor haar rechtspositie. ABR krijgt tegenstrijdige berichten vanuit HTM en CRS over de vraag of sprake is van een samenwerking tussen HTM en CRS. Door toewijzing van het inzageverzoek kan duidelijkheid worden verkregen over de informatie en communicatie tussen HTM en CRS. 3.3. CRS voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. In de kern ligt de vraag voor of CRS in strijd met de gemaakte samenwerkingsafspraken met ABR werkzaamheden uitvoert voor HTM. CRS betwist dat daarvan sprake is. Zij voert aan dat ABR ten onrechte doet voorkomen alsof alle werkzaamheden die iets te maken hebben met ‘spoed’, ‘storingen’, ‘calamiteiten’, stand-by’ of ‘consignatie’ automatisch onder de raamovereenkomst vallen. Zij voert voorts aan dat zij niet gehouden is werkzaamheden te staken die zij buiten de raamovereenkomst voor HTM verricht. De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen verschillende termen gebruiken voor een dienst waarbij na een uitvraag van HTM de betreffende dienstverlener binnen 30 tot 45 minuten ter plekke beschikbaar moet zijn: spoeddiensten, consignatiediensten, stand-by-diensten. De voorzieningenrechter zal in dit vonnis de term stand-by-dienst hanteren. De voorzieningenrechter oordeelt dat CRS met HTM is overeengekomen stand-by-diensten te verrichten, dat deze diensten niet onder de raamovereenkomst of samenwerkingsovereenkomst vallen en dat CRS niet gehouden is deze diensten te staken. Daarvoor is het volgende van belang. 4.2. De samenwerkingsovereenkomst die partijen hebben gesloten, betreft, gelet op de bewoordingen van artikel 2 lid 1, een structurele samenwerking met als doel het gezamenlijk meedingen naar perceel 2 van de aanbesteding. Het tweede lid van artikel 2 bepaalt dat de samenwerking automatisch wordt ontbonden wanneer de aanbesteding niet gegund is aan het samenwerkingsverband ABR/CRS. De samenwerkingsovereenkomst tussen partijen wordt daarmee (in beginsel) begrensd tot een samenwerking in het kader van de aanbesteding waar ABR op heeft ingeschreven met CRS als onderaannemer. 4.3. ABR stelt dat de stand-by-diensten die CRS buiten haar om voor HTM verricht onder de raamovereenkomst vallen zodat CRS haar afspraken met ABR niet nakomt. Dat CRS deze diensten verricht is ter zitting wel duidelijk geworden. CRS heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat HTM haar maandelijks een bedrag betaalt voor het stand-by staan teneinde direct diensten te kunnen leveren. HTM heeft ook in een e-mail van 22 mei 2026 schriftelijk aan ABR bevestigd dat zij met CRS een overeenkomst voor het verrichten van stand-by-diensten heeft gesloten. Daarmee staat vast dat CRS en HTM op dit punt een overeenkomst hebben gesloten. Dat deze overeenkomst kennelijk niet op schrift is gesteld, doet hieraan niet af. 4.4. Voor de beantwoording van de vraag of deze stand-by-diensten onder de raamovereenkomst vallen, is van belang wat in de aanbestedingsstukken (waaronder de NvI’s) is opgenomen en verder wat HTM en ABR in de raamovereenkomst zijn overeengekomen. In dat verband is allereerst van belang dat HTM, als contractspartij van ABR in deze procedure geen partij is, zodat zij haar lezing van de raamovereenkomst ter zitting niet uit de doeken heeft kunnen doen. Haar uitleg van de raamovereenkomst valt in ieder geval deels wel af te leiden uit de in deze procedure overgelegde correspondentie van HTM. 4.5. De voorzieningenrechter oordeelt dat CRS er met juistheid op heeft gewezen dat HTM in de NvI uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat stand-by-diensten geen onderdeel zijn van de scope van de aanbesteding (antwoord op vraag 5 NvI). Dat betekent dat stand-by-diensten niet op één lijn zijn te stellen met diensten ter uitvoering van ad hoc-aanvragen door HTM. Voor die aanvragen heeft HTM verduidelijkt dat de opdrachtnemer 24/7 bereikbaar moet zijn om deze binnen twee uur in te vullen. De voorzieningenrechter begrijpt dit aldus dat het invullen van deze aanvragen iets anders is dan het daadwerkelijk direct ter beschikking stellen van dienstverleners. Het binnen twee uur invullen van aanvragen kan ook betrekking hebben op werkzaamheden die verderop in de tijd, bijvoorbeeld enkele dagen of weken later, verricht moeten worden. Voor stand-by-diensten geldt dat deze direct vervuld moeten worden, door binnen 45 minuten personeel op locatie te leveren en waarvoor HTM kennelijk maandelijks een bedrag betaalt, ook indien HTM geen stand-by-diensten afneemt. In zoverre stelt ABR adhoc-diensten en stand-by-diensten ten onrechte op één lijn. 4.6. CRS heeft er daarnaast op gewezen dat ABR ook wist dat stand-by-diensten niet onder de raamovereenkomst vallen. Zij heeft erop gewezen dat partijen in Wens 1 Dienstverleningsplan bij de aanbesteding wel de mogelijkheid hebben geboden om veiligheidsdiensten op te roepen bij een storing of calamiteit, maar dat dit geen deel is gaan uitmaken van de raamovereenkomst. In dat verband heeft CRS er ook op gewezen dat partijen hierover nog met HTM hebben gesproken en dat zij hierover later nog een aparte offerte hebben uitgebracht. In deze offerte hebben partijen HTM aangeboden stand-by-diensten te verzorgen vanaf 1 januari 2025, waarbij personeel na een oproep van HTM binnen 45 minuten op de gewenste locatie aanwezig kan zijn en waarvoor HTM maandelijks een stand-by vergoeding betaalt. Uit de begeleidende e-mail waarmee ABR de offerte heeft verstuurd, volgt dat het een jaaropdracht betrof. De omstandigheid dat partijen buiten de aanbesteding om een offerte hebben uitgebracht voor een jaaropdracht voor stand-by-diensten, verduidelijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat deze diensten niet zijn vervat in de diensten die onder de raamovereenkomst vallen die ABR (met CRS als onderaannemer) en HTM hebben gesloten. HTM heeft de offerte ook aanvaard, zodat voor deze diensten tussen HTM en ABR een aparte overeenkomst tot stand is gekomen. CRS heeft er verder op gewezen dat uit het addendum 2026 dat ABR en HTM op 11 februari 2026 hebben getekend ook volgt dat stand-by-diensten niet onder het bereik van de raamovereenkomst vallen omdat deze diensten daarin niet zijn vermeld. De voorzieningenrechter oordeelt dat de stand-by diensten hierin inderdaad niet zijn vermeld en dat ook hieruit afgeleid kan worden dat deze diensten niet onder de raamovereenkomst aan ABR (en CRS) opgedragen werkzaamheden vallen. 4.7. De omstandigheid dat HTM kennelijk nog wel spoeddiensten aan ABR opdraagt, zoals ABR stelt, en dat ABR deze diensten ook uitvoert tegen de tarieven overeengekomen in de raamovereenkomst, maakt niet dat in het kader van deze kort geding procedure kan worden geoordeeld dat deze diensten dus binnen de raamovereenkomst vallen. Dit kan er immers even goed op wijzen dat HTM deze spoeddiensten ten onrechte bij ABR uitzet, of dat ABR ten onrechte hiervoor geen stand-by vergoeding in rekening brengt. 4.8. Nu stand-by-diensten niet vallen binnen het bereik van de raamovereenkomst, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat deze diensten ook niet binnen het bereik van de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen vallen. Deze samenwerkingsovereenkomst richt zich op het gegund krijgen van perceel twee binnen de aanbesteding. Het concurrentiebeding dat partijen in dat kader zijn overeengekomen betreft een vergelijkbare samenwerking. Dat CRS dit beding heeft geschonden door een vergelijkbare samenwerking te starten, is gesteld noch gebleken. Zonder nadere toelichting die ABR niet heeft gegeven, kan het verrichten van stand-by-diensten niet worden gelijk gesteld met een samenwerking in het kader van een aanbesteding. Ook niet vanwege de enkele omstandigheid dat partijen voor 2025 deze diensten ,gezamenlijk aan HTM hebben aangeboden en voor HTM hebben verricht. 4.9. Ook het beroep van ABR op de redelijkheid en billijkheid moet worden afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ABR dit toegespitst op de omstandigheid dat een onderaannemer rechtstreeks diensten aanbiedt die vallen onder de scope van de samenwerking tussen hoofdaannemer en onderaannemer. Daarvan is in dit geval, nu de stand-by-diensten buiten de scope van de raamovereenkomst vallen, geen sprake. 4.10. Voor het overige heeft ABR nog gewezen op andere dienstverlening van CRS aan HTM die in strijd zou zijn met de samenwerkingsovereenkomst. Daarvan heeft zij enkele voorbeelden genoemd, waaronder een activiteit in Rijswijk. CRS heeft echter per overtreding gemotiveerd bestreden dat hierbij van een overtreding van de samenwerkingsovereenkomst sprake was. Om deze overtredingen vast te kunnen stellen, is nadere bewijsvoering noodzakelijk, waarvoor deze voorzieningenprocedure zich niet leent. 4.11. ABR wijst ook nog op artikel 4 lid 6 van de samenwerkingsovereenkomst. Zonder nadere toelichting die ABR niet heeft gegeven, kan niet worden geconcludeerd dat de totstandkoming van de overeenkomst tussen HTM en CRS inzake de stand-by-diensten onder de strekking van deze bepaling valt. Deze bepaling lijkt meer gericht op de lopende samenwerking onder de samenwerkingsovereenkomst en niet op diensten die buiten de samenwerkingsovereenkomst aan HTM worden geleverd. 4.12. Gelet op de stellingen van partijen over en weer is het begrijpelijk dat de samenwerking voor stand-by-diensten tussen CRS en HTM en kennelijk ook overige diensten die CRM voor HTM verricht, bij ABR vragen oproept (zoals dit andersom ook aan de orde zou kunnen zijn). Dat doet er niet aan af dat naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter CRS door het accepteren van stand-by-diensten geen werkzaamheden verricht die onder de raamovereenkomst vallen, of dat zij daarmee de samenwerkingsovereenkomst schendt. Dat betekent dat het gevorderde verbod onder het tweede aandachtstreepje van de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter acht het wel raadzaam dat partijen met elkaar en met HTM in overleg treden over de uitvoering van de raamovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst en elkaars verwachtingen over en weer. 4.13. Voornoemd oordeel brengt met zich dat ook het gevorderde inzage-verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. ABR heeft inzage verzocht in tal van stukken verband houdend met de samenwerking tussen HTM en CRS (onder meer offertes en inkooporders, overeenkomsten en facturen). Nu er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen grond is om in deze procedure aan te nemen dat CRS buiten ABR om werkzaamheden voor HTM verricht die onder de raamovereenkomst tussen ABR en HTM vallen, is er geen aanleiding om CRS te verplichten een groot deel van haar (commerciële) administratie aan ABR te verstrekken. De verzoeken zijn daarbij ook zeer ruim bepaald. De omstandigheid dat partijen – naast de samenwerking binnen de raamovereenkomst – ook concurrenten zijn, is daarbij eveneens van belang. 4.14. ABR is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CRS worden begroot op: - griffierecht € 735 - salaris advocaat € 1.177 - nakosten € 189 (plus de in de beslissing vermeld verhoging) Totaal € 2.101 4.15. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt ABR in de proceskosten van CRS van €2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als ABR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet ABR € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.3. veroordeelt ABR in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.4. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026. ddg

Similar Content