Rechtbank Noord-Nederland, 16-04-2025 (C/19/150676 / HA ZA 25-25)
Vonnis in incident, artikel 195 Rv: recht op inzage, uittreksel of afschrift. Vordering tot afgifte van bankafschriften en overzichten van cryptoaccounts. Vordering toegewezen.
Full text
RECHTBANK Noord-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Assen Zaaknummer: C/19/150676 / HA ZA 25-25 Vonnis in incident van 16 april 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. S. Meeuwsen, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. E. Lucas. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 januari 2025, met incidentele vordering ex art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv); - de conclusie van antwoord in incident. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De vordering in incident 2.1. [eiser] vordert in incident dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot afgifte van: de bankafschriften van bankrekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [gedaagde] vanaf 19 april 2020 tot en met het bankafschrift waarop de laatste transactie ten behoeve van de aan- of verkoop van cryptovaluta staat vermeld; de overzichten van de aan- en verkoophistorie van alle cryptoaccounts van [gedaagde] , waaronder begrepen de accounts bij Bitbavo, Binance en Phemex, over de periode 19 april 2020 tot en met heden; Een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00, dat [gedaagde] binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis daartoe in gebreke blijft. 2.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , dan wel - in geval van toewijzing van de vorderingen - bepaalt dat [eiser] een voorschot voldoet aan de griffie van de rechtbank à € 500,- ter dekking van de kosten van het opvragen van bescheiden. 2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 3 De beoordeling in incident 3.1. [eiser] heeft de onderhavige procedure na 1 januari 2025 bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. Dit betekent dat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is. [eiser] heeft haar vordering op artikel 843a Rv (oud) gebaseerd. Deze wetsbepaling is op 1 januari 2025 vervangen door de artikelen 194, 195 en 195a Rv. Art. 25 Rv verplicht de rechter om ambtshalve de rechtsgronden – dat wil zeggen rechtsregels – aan te vullen. De rechtbank begrijpt de vordering van [eiser] zo dat zij een beroep doet op de artikelen 194, 195 en 195a Rv en stelt, ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, vast dat [eiser] haar vordering baseert op het bepaalde in de artikelen 194, 195 en 195a Rv. 3.2. Artikel 194 Rv luidt: Lid 1 Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. De partij die om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens verzoekt, draagt de kosten die voor de verstrekking daarvan moeten worden gemaakt. Lid 2 Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht daarvan desverzocht inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij: a. hem een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165, tweede lid, toekomt of b. gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Lid 3 Betreffen de gegevens publieke informatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet open overheid en is degene die over die gegevens beschikt geen partij bij de rechtsbetrekking, bedoeld in het eerste lid, dan is diegene niet verplicht tot verstrekking van inzage, afschrift of uittreksel van de verzochte gegevens voor zover die gegevens op grond van de Wet open overheid ook niet hoeven te worden verstrekt. Lid 4 De voorgaande leden zijn niet van toepassing voor zover de gegevens waarvan inzage, afschrift of uittreksel wordt verzocht, de persoonsgegevens van die partij zelf betreffen. 3.3. Artikel 195 Rv bepaalt het volgende: Lid 1 Op verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194, eerste lid, eerste volzin, recht op heeft, kan de rechter de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Artikel 194, eerste lid, tweede volzin, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Lid 2 Als de rechter het verzoek toewijst, bepaalt hij in de beslissing de voorwaarden waaronder, de wijze waarop en de termijn waarbinnen inzage, afschrift of uittreksel van de gegevens wordt verstrekt. De rechter kan bepalen dat binnen een door hem te bepalen termijn een voorschot voor de kosten van het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van de gegevens moet worden voldaan. Deze termijn kan een of meerdere keren worden verlengd. Lid 3 Wordt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, door een hogere rechter vernietigd, dan worden de gegevens waarvan inzage, afschrift of uittreksel is verstrekt onverwijld na het in kracht van gewijsde gaan van die beslissing aan de wederpartij teruggegeven onder gelijktijdige vernietiging van alle kopieën. 3.4. In dit geval is artikel 195 Rv van toepassing, nu dat artikel ziet op het recht op inzage, uittreksel of afschrift tegenover de wederpartij tijdens een procedure. De toets omvat de materiele voorwaarden uit artikel 194 Rv. [eiser] moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) [eiser] een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) [gedaagde] over de gevraagde informatie beschikken. De wederpartij, [gedaagde] , is op basis van artikel 194 lid 2 Rv in beginsel verplicht om inzage te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten. 3.5. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [eiser] moet worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend. Dat [eiser] verschillende bedragen naar [gedaagde] heeft overgeboekt staat vast. Dat wordt ook niet betwist door [gedaagde] en blijkt uit de door haar overgelegde bankafschriften. Wel verschillen partijen van mening met welke reden [eiser] het geld heeft overgeboekt naar [gedaagde] . Volgens [eiser] hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] geld van beide partijen zou investeren in cryptovaluta. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat de overgeboekte bedragen zien op bijdragen van [eiser] aan de huishouding, het compenseren van de vele bijdragen die [gedaagde] voor [eiser] heeft voldaan en aankopen voor de babyuitzet voor hun dochter. Uit de overgelegde WhatsApp-correspondentie volgt dat partijen in ieder geval over een bepaalde periode dagelijks over bitcoins en de koers daarvan hebben gesproken en [gedaagde] onder meer spreekt over ‘onze bitcoins’ en ‘ons geld’. Omdat de cryptowallets op naam van [gedaagde] staan, heeft [eiser] niet de mogelijkheid om haar stelling aan te tonen dat het geld dat zij heeft overgemaakt vervolgens door [gedaagde] is gebruikt ten behoeve van de aankoop van bitcoins en altcoins. [eiser] heeft dan ook voldoende belang bij het krijgen van inzage in de gegevens. Ook is voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om een rechtsbetrekking waarbij zij partij is en zijn de gegevens voldoende concreet omschreven door [eiser] . Ook beschikt [gedaagde] over de gevraagde gegevens. [gedaagde] heeft verder geen beroep gedaan op de uitzonderingen van artikel 194 lid 2 Rv. Niet is gebleken dat [gedaagde] een verschoningsrecht toekomt of dat gewichtige redenen zich verzetten tegen het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel. Ook is geen verweer gevoerd dat inzage gebonden moet zijn aan bepaalde voorwaarden, zodat de vordering van [eiser] kan worden toegewezen. 3.6. Tegen de gevorderde dwangsom is als zodanig geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank de dwangsom zal toewijzen. De rechtbank zal de termijn van het verbeuren van de dwangsom bepalen op twee maanden na betekening van het vonnis. De termijn om de verzochte gegevens te verstrekken wordt immers bepaald op twee maanden. 3.7. De kosten voor het opvragen van de gegevens komen op basis van artikel 194 lid 1 Rv voor rekening van [eiser] . [gedaagde] heeft gevorderd dat [eiser] een voorschot van € 500,- dient te voldoen, maar heeft de hoogte van dat bedrag niet onderbouwd. Niet is gebleken dat [eiser] deze kosten niet zal betalen. De rechtbank zal daarom niet bepalen dat [eiser] een voorschot dient te voldoen. 3.8. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in incident. De kosten in incident aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 614,- aan salaris advocaat. 3.9. Iedere verdere beslissing in de hoofzaak zal worden aangehouden. 4 De beslissing De rechtbank 4.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen een termijn van twee maanden na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken: de bankafschriften van bankrekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [gedaagde] vanaf 19 april 2020 tot en met het bankafschrift waarop de laatste transactie ten behoeve van de aan- of verkoop van cryptovaluta staat vermeld; de overzichten van de aan- en verkoophistorie van alle cryptoaccounts van [gedaagde] , waaronder begrepen de accounts bij Bitvavo, Binance en Phemex, over de periode 19 april 2020 tot en met heden; alles op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [gedaagde] twee maanden na betekening van het vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-; 4.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 4.3. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. dr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.