Raad van State, 05-08-2026 (202501614/1/A3)
Bij besluit van 24 mei 2023 heeft de burgemeester van Amsterdam naar aanleiding van een verzoek van de stichting en [appellant] op grond van de Wet open overheid documenten openbaar gemaakt. De stichting heeft als doel het verkrijgen, in stand houden en onderhouden van monumenten in de zin van de Monumentenwet. [appellant] is bestuurslid van de stichting. De stichting en [appellant] hebben op 25 januari 2023 verzocht om openbaarmaking van informatie over een spreekuur dat vanaf 2019 in verschillende stadsdelen van de gemeente Amsterdam wordt gehouden om meer in contact te komen met Amsterdammers. De stichting en [appellant] willen - kortgezegd - informatie over de reden voor het instellen van het spreekuur, de wijze waarop het spreekuur wordt georganiseerd, de onderwerpen die sinds het instellen van het spreekuur zijn besproken en met hoeveel personen is gesproken. Ook willen de stichting en [appellant] weten welke medewerkers van de gemeente Amsterdam bij het spreekuur aanwezig zijn geweest en welke acties naar aanleiding van het spreekuur zijn genomen. De burgemeester heeft bij het besluit van 24 mei 2023 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.
Full text
202501614/1/A3. Datum uitspraak: 5 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Stichting Monument Herengracht 117 te Amsterdam en [appellant], wonend in [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2025 in zaak nr. 24/53 in het geding tussen: de stichting en [appellant] en de burgemeester van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 24 mei 2023 heeft de burgemeester naar aanleiding van een verzoek van de stichting en [appellant] op grond van de Wet open overheid (Woo) documenten openbaar gemaakt. Bij besluit van 27 november 2023 heeft de burgemeester het door de stichting en [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de motivering aangevuld. Bij uitspraak van 4 februari 2025 heeft de rechtbank het door de stichting en [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 november 2023 vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak hebben de stichting en [appellant] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 2 april 2025 heeft de burgemeester ter uitvoering van de door de rechtbank gegeven opdracht het bezwaar van de stichting en [appellant] gegrond verklaard en de openbaarmaking van twee documenten integraal geweigerd. De stichting en [appellant] hebben gronden ingediend tegen het besluit van 2 april 2025. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [appellant] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. R. Ridder, advocaat in Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Roelofsen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. De stichting heeft als doel het verkrijgen, in stand houden en onderhouden van monumenten in de zin van de Monumentenwet. [appellant] is bestuurslid van de stichting. De stichting en [appellant] hebben op 25 januari 2023 verzocht om openbaarmaking van informatie over een spreekuur dat vanaf 2019 in verschillende stadsdelen van de gemeente Amsterdam wordt gehouden om meer in contact te komen met Amsterdammers. De stichting en [appellant] willen - kortgezegd - informatie over de reden voor het instellen van het spreekuur, de wijze waarop het spreekuur wordt georganiseerd, de onderwerpen die sinds het instellen van het spreekuur zijn besproken en met hoeveel personen is gesproken. Ook willen de stichting en [appellant] weten welke medewerkers van de gemeente Amsterdam bij het spreekuur aanwezig zijn geweest en welke acties naar aanleiding van het spreekuur zijn genomen. 1.1. De burgemeester heeft bij het besluit van 24 mei 2023 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en informatie onleesbaar gemaakt met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo (goed functioneren van de overheid). De burgemeester heeft bij het besluit van 27 november 2023 meegedeeld dat nog een document is gevonden, maar dat de openbaarmaking van dit document wordt geweigerd. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke zoekslag is uitgevoerd. De burgemeester had niet nog meer zoektermen hoeven gebruiken en de zoekslag niet bij andere personen hoeven uitzetten. Volgens de rechtbank heeft de burgemeester ook informatie onleesbaar mogen maken wegens het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het goed functioneren van de overheid. De rechtbank is wel van oordeel dat aannemelijk is dat er meer documenten onder de burgemeester berusten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen. De rechtbank heeft daarom de burgemeester opgedragen een nieuw besluit te nemen. Wettelijk kader 3. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen een van de in dat lid genoemde belangen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (onder e) of het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen (onder i). De zoekslag 4. De stichting en [appellant] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de zoekslag door de burgemeester onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Volgens de stichting en [appellant] is niet duidelijk welke zoektermen aan welke kabinetschef zijn gevraagd en is niet duidelijk hoe de kabinetschef zijn medewerkers heeft geïnstrueerd de zoekslag te verrichten. Ook is niet duidelijk in welke systemen is gezocht. 4.1. De stichting en [appellant] betogen ook dat de zoekslag te beperkt is uitgevoerd. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld zou ook moeten worden gezocht op de naam van de burgemeester en niet slechts op de termen ‘burgemeester’ of ‘BM’. Volgens de stichting en [appellant] is niet goed voorstelbaar dat de burgemeester in haar contact met ambtenaren zichzelf aanduidt met ‘burgemeester’ of ‘BM’ en niet haar eigen naam gebruikt. Daarnaast had op de termen ‘spreekuur’, ‘Vrolijk’, ‘Mulder’, ‘Herengracht 171, ‘[appellant]’ en ‘burenruzie’ moeten worden gezocht. Dat er mogelijk communicatie is geweest los van het spreekuur, zoals door de rechtbank geoordeeld, maakt dit volgens de stichting en [appellant] niet anders. Daarnaast had de zoekslag ook moeten worden uitgezet bij andere personen, aldus de stichting en [appellant]. 5. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester de zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Het is voldoende duidelijk bij welke personen de zoekslag is uitgezet, welke zoektermen zijn gebruikt en in welke systemen is gezocht. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat aan de medewerkers van de kabinetschef andere zoektermen zouden zijn meegegeven dan die in het besluit zijn genoemd. 5.1. De Afdeling volgt verder het oordeel van de rechtbank dat de zoekslag door de burgemeester goed is uitgevoerd. De burgemeester heeft aannemelijk gemaakt dat met de gebruikte zoektermen de documenten zijn gevonden die betrekking hebben op het Woo-verzoek. Ook hoefde de zoekslag niet bij meer mensen te worden uitgezet. Dat de stichting en [appellant] niet hebben kunnen vaststellen of de burgemeester zelf ook in haar eigen gegevensdragers heeft gezocht naar informatie, maakt dat niet anders. De stichting en [appellant] hebben in hoger beroep onvoldoende onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. 5.2. Het betoog slaagt niet. Toepassing van de uitzonderingsgronden 6. De stichting en [appellant] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de namen van ambtenaren ten onrechte onleesbaar zijn gemaakt. Uit de uitspraak blijkt niet waarom de rechtbank van oordeel is dat de persoonlijke levenssfeer van ambtenaren zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Ook volgen de stichting en [appellant] niet het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester gegevens onleesbaar heeft mogen maken wegens het goede functioneren van de overheid. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom het openbaar maken van informatie, die niet herleidbaar is tot personen, ertoe zou kunnen leiden dat in de toekomst personen minder geneigd zullen zijn deel te nemen aan initiatieven zoals het spreekuur, aldus de stichting en [appellant]. 7. De Afdeling ziet in wat de stichting en [appellant] hebben aangevoerd over het onleesbaar maken van de namen van ambtenaren geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de stichting en [appellant] niet aannemelijk hebben gemaakt waarom het belang van openbaarmaking zwaarder zou moeten wegen dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van in de stukken genoemde ambtenaren. Het gaat niet om ambtenaren die wegens hun functie in de openbaarheid treden. Ook wat betreft het onleesbaar maken op grond van het goede functioneren van de overheid volgt de Afdeling het oordeel van de rechtbank. Het is aannemelijk dat burgers minder geneigd zullen zijn deel te nemen aan initiatieven zoals het spreekuur als hun persoonsgegevens openbaar worden gemaakt. 7.1. Het betoog slaagt niet. Meer documenten 8. De stichting en [appellant] betogen dat de opdracht van de rechtbank aan de burgemeester om een nieuw besluit te nemen te beperkt is. De rechtbank heeft zich uitsluitend gebaseerd op documenten die onder geheimhouding aan de rechtbank zijn overgelegd. Volgens de stichting en [appellant] zijn er nog meer documenten die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen en door de burgemeester openbaar hadden moeten worden gemaakt. Het Woo-verzoek gaat ook over welke acties door de gemeente zijn genomen naar aanleiding van het spreekuur, welke personen daarbij betrokken zijn en welke terugkoppelingen hebben plaatsgevonden. Die documenten zouden volgens de stichting en [appellant] nog onder de burgemeester berusten. Ook zouden documenten uit een zogenoemd intimidatiedossier, dat volgens de stichting en [appellant] is opgemaakt naar aanleiding van het spreekuur, niet openbaar zijn gemaakt. 9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4113. De stichting en de Jager hebben verzocht om documenten over het spreekuur, waaronder informatie over welke acties zijn ondernomen naar aanleiding van het spreekuur. Dat betekent niet zonder meer dat dossiers die zijn opgebouwd naar aanleiding van het spreekuur, mochten die dossiers er al zijn, binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Wat de stichting en [appellant] hierover hebben aangevoerd is onvoldoende om aannemelijk te maken dat er nog meer documenten zouden zijn die vallen onder de reikwijdte van het Woo-verzoek. 9.1. Het betoog slaagt niet. Het beroep tegen het besluit van 2 april 2025 10. De burgemeester heeft ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank bij het besluit van 2 april 2025 opnieuw op het verzoek van de stichting en [appellant] beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. 11. De burgemeester heeft in het nieuwe besluit medegedeeld dat twee documenten zijn gevonden die vallen onder de reikwijdte van het Woo-verzoek, maar dat deze documenten worden geweigerd wegens de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het goede functioneren van de overheid. De stichting en [appellant] hebben de gronden die zij in hoger beroep hebben aangevoerd, herhaald voor wat betreft hun beroep tegen dit besluit. 12. Gelet op wat de Afdeling hierboven onder 7 heeft overwogen, heeft de burgemeester informatie mogen weigeren met een beroep op de uitzonderingsgronden uit de Woo. Datzelfde geldt voor de documenten die worden genoemd in het besluit van 2 april 2025. Het betoog slaagt niet. 12.1. Het beroep is ongegrond. Conclusie 13. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd, voor zover aangevallen. Het beroep is ongegrond. 14. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen; II. verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dijkshoorn griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026 735-1104