Rechtbank Noord-Nederland, 30-07-2026 (LEE 26/2263)
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening buiten zitting wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
Full text
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/2263 uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. R.J. Skála), en de Raad voor Rechtsbijstand. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. De Raad voor Rechtsbijstand heeft met het besluit van 23 februari 2026 beslist op een verzoek van verzoekster op grond van de Wet open overheid (Woo). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. 3. In het verzoekschrift spreekt verzoekster over het bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2026 (1.2.), over een nieuw Woo-verzoek van 25 februari 2026 en over een verzoek om inzage van het eigen dossier op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) met een ingediende ingebrekestelling en een opeising van een dwangsom. 4. In het verzoekschrift schrijft de gemachtigde van verzoekster het volgende: Het belang van [naam] is aan te tonen dat er aan de zijde van de RvR sprake van vooringenomenheid, onzorgvuldigheid, samenspanning met [naam] en schending van het equality of arms-beginsel (art. 8:42 Awb) is en dat [naam] door toedoen van de RvR schade heeft geleden en nog steeds lijdt. [naam] eventueel digitaal afgifte van de door haar benoemde stukken in het tweede Woo-verzoek d.d. 25-02-2026 en haar volledige AVG-dossier, met betrekking tot toevoeging [nummer]. [naam] vraagt en daarnaast afgifte van de RvR van alle correspondentie met[naam], telefoonnotities en aantekeningen van de betreffende medewerkers met [naam] met betrekking tot toevoeging [nummer]. Daarnaast vraagt [naam] overlegging van interne beraadslagingen haar, [naam] betreffende. [naam] verzoekt U EAV/H Voorzieningenrechter als voorlopige voorziening aan de RvR op te leggen: 1. dat de RvR, in alle op de hier aan de orde gestelde onderdelen betrekking hebbende brieven, telefoonnotities en op alle overige gegevensdragers aanwezige informatie over en met betrekking tot toevoeging [naam]binnen veertien (14) dagen na uw uitspraak aan [naam] moet afgeven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat de RvR in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; 2. dat de RvR, alsnog dient te beslissen op de opgeëiste dwangsom na ingebrekestelling op het AVG-verzoek; 3. de RvR te veroordelen in de kosten van deze procedure. 5.1. Bij brief van 15 juli 2026 heeft de rechtbank de ontvangst van het verzoekschrift bevestigd. Verder staat in deze brief dat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden die aan een verzoekschrift zijn gesteld. Gevraagd is om onderbouwing, binnen een week, van het spoedeisend belang. Daarnaast heeft de rechtbank gevraagd om het opgeven van verhinderdata. 5.2. De gemachtigde van verzoeker heeft verhinderdata opgegeven maar geen toelichting gegeven over het spoedeisend belang. 6. De voorzieningenrechter kan uit het verzoekschrift, zoals hierboven deels geciteerd, niet afleiden dat zich een spoedeisend belang voordoet. Dit betekent dat niet is voldaan aan het wettelijk vereiste (zie 2.) van onverwijlde spoed. Conclusie en gevolgen 7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.