Skip to content
Case Law · Gerechtshof Den Haag ·ECLI:NL:GHDHA:2026:2487 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof Den Haag, 28-07-2026 (200.360.534/01)

Gerechtshof Den Haag
Summary

Rv. art. 194 en 197. Tijdens lopende hoofdzaak ingestelde vordering in kort geding tot inzage in een politierapport met politiegegevens.

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.360.534/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/688202 / KG ZA 25-676 Arrest van 28 juli 2026 in kort geding in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats], appellant, advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, kantoorhoudend in Houten, tegen Nationale Politie , gevestigd in Den Haag, geïntimeerde, advocaat: mr. A.T. Bolt, kantoorhoudend in Arnhem. Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Politie. 1 De zaak in het kort De politie is de woning van [appellant] binnengetreden naar aanleiding van een melding over een vuurwapen dat zich in diens woning zou bevinden. In deze zaak verzoekt [appellant] inzage in en afschrift van een ongeschoonde versie van het van deze binnentreding opgestelde mutatierapport, onder meer om de identiteit te achterhalen van de persoon die de melding had gedaan. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 23 september 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 26 augustus 2025; de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen; de memorie van antwoord van de Politie, met bijlagen; de akte van 24 februari 2026 van [appellant]; de antwoordakte van 10 maart 2026 van de Politie. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Het hof gaat uit van de volgende door de rechtbank vastgestelde en in hoger beroep niet bestreden feiten. 3.2 Op 29 december 2023 heeft de Politie een melding ontvangen over de aanwezigheid van een vuurwapen in de woning van [appellant]. Volgens deze melding zou [appellant] in het bezit zijn van een vuurwapen van het merk Tokaref, met een kaliber van 7.65 mm. Het vuurwapen zou worden bewaard onder het kookblok en [appellant] zou volgens de melding recent hebben geïnformeerd of er munitie voor het wapen te verkrijgen was. Diezelfde dag heeft de politie in de woning van [appellant] een doorzoeking verricht. Hierbij is geen vuurwapen aangetroffen. 3.3 Het verslag van het binnentreden van de woning van [appellant] is vastgelegd in een Mutatierapport van 29 december 2023 (hierna ‘het Mutatierapport’). 3.4 [appellant] heeft de Politie bij dagvaarding van 19 juli 2024 in rechte betrokken voor de rechtbank Den Haag, Team Kanton (hierna ‘de kantonrechter’), omdat de doorzoeking van zijn woning volgens hem onrechtmatig was. Daarbij heeft [appellant] gevorderd om de Politie te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 15.000,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van de Politie in de proceskosten. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] bij vonnis van 26 februari 2025 afgewezen. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. De procedure in hoger beroep is nog niet geëindigd. 3.5 Op 7 mei 2025 heeft de advocaat van [appellant] aan de Politie gevraagd om de volledige tekst van de MMA-melding en het volledige verslag van de binnentreding en de doorzoeking van de woning van [appellant] aan [appellant] te verstrekken. In reactie op dit verzoek heeft de Politie in een e-mailbericht van 12 mei 2025 onder meer het volgende aan de advocaat van [appellant] meegedeeld: 3.6 De Politie heeft als bijlage bij een e-mailbericht van 23 mei 2025 een afschrift van het Mutatierapport aan de advocaat van [appellant] verstrekt, waarin volgens haar de vertrouwelijke informatie die geen betrekking heeft op de binnentreding van de woning van [appellant] is geanonimiseerd. In het (geanonimiseerde) Mutatierapport is voor zover hier van belang vermeld dat de woning van [appellant] is doorzocht naar aanleiding van een melding dat en op welke locatie zich in die woning een vuurwapen bevond en verder dat in de woning van [appellant] geen vuurwapen is aangetroffen. 3.7 Op 19 juli 2024 heeft [appellant] een bodemprocedure tegen de Politie aanhangig gemaakt waarin hij vergoeding van immateriële schade vordert op grond van het volgens [appellant] onrechtmatig binnentreden van zijn woning. Bij vonnis van 25 februari 2025 zijn de vorderingen afgewezen. Bij dagvaarding van 1 april 2025 is [appellant] bij dit hof in beroep gekomen van dit vonnis. De bodemprocedure staat thans voor mondelinge behandeling. 3.8 Met betrekking tot de MMA-melding is in het Mutatierapport het volgende opgenomen: “N.a.v. een binnen gekomen MMA melding een bezoek gebracht aan [volgen 11,5 weggelakte regels, hof] [appellant] in het bezit is van onder (…) vuurwapen van het merk (…). Dit zou [appellant] bewaren onder het kookblok (…). [weggelakt, hof] meent echter te weten dat hij dit vuurwapen nog in bezit moet hebben omdat [appellant] twee weken geleden nog zou hebben geïnformeerd of er munitie voor te krijgen zou zijn.” 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 [appellant] heeft de Politie op 16 juli 2025 in kort geding gedagvaard. Hij heeft daarbij gevorderd dat de Politie wordt veroordeeld inzage in en afschrift te verstrekken van een ongecensureerd exemplaar van het Mutatierapport van 29 december 2024, met veroordeling van de Politie in de kosten. 4.2 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. 5 Het verzoek in hoger beroep 5.1 [appellant] heeft zijn eis gewijzigd en vordert dat het hof de Politie zal bevelen inzage in of afschrift te verstrekken van het volledige niet geanonimiseerde Mutatierapport over de melding over de vermeende aanwezigheid van een vuurwapen in de woning van [appellant], met alle gegevens omtrent de inhoud en bewoordingen van de melding, de bron van de melding, de omstandigheden waaronder de melding is gedaan en de door de politie uitgevoerde verificatiehandelingen, met bepaling dat de politie eventuele aan inzage gestelde voorwaarden concreet dient te formuleren, met veroordeling van de Politie in de kosten van beide instanties. 6 Beoordeling in hoger beroep 6.1 De grieven strekken ertoe dat het hof de Politie alsnog zal veroordelen te voldoen aan zijn verzoek ex art. 197 jo 194 Rv tot inzage in het ongeschoonde Mutatierapport en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 6.2 Het hof stelt voorop dat op grond van art. 194 Rv een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als hij daarbij voldoende belang heeft (lid 1). Degene die de bescheiden onder zich heeft, is verplicht daarvan desverzocht inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten (lid 2). Betreffen de gegevens publieke informatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet open overheid (Woo) en is degene die over die gegevens beschikt geen partij bij de in het eerste lid bedoelde rechtsbetrekking, dan is diegene niet verplicht tot verstrekking van inzage, afschrift of uittreksel van de verzochte gegevens voor zover die gegevens op grond van de Woo ook niet hoeven te worden verstrekt (lid 3). 6.3 In de Memorie van Toelichting bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Kamerstukken 2019/2020, 35498, nr. 3, p. 43/44) is over voorlopige bewijs-verrichtingen (zoals het in art. 197 lid 1 (slot) Rv bedoelde verzoek tot inzage) onder meer het volgende vermeld: “De beperking van de mogelijkheid om voorlopige bewijsverrichtingen tijdens een eenmaal lopende procedure te verzoeken, houdt verband met de inspanningsverplichting van partijen om de relevante informatie zo veel mogelijk voorafgaand aan de procedure te verzamelen en bij het begin van een procedure aan de rechter voor te leggen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de wens om een procedure zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. (…) Als de procedure in eerste aanleg is geëindigd en hoger beroep is of wordt ingesteld, dan kan om een voorlopige bewijsverrichting worden verzocht zolang de zaak nog niet op de rol van het gerechtshof is ingeschreven. (…) Als een zaak al inhoudelijk wordt behandeld, moeten bewijsverrichtingen via de rechter lopen aan wie de zaak is toebedeeld (…).” 6.4 Het hof leidt hieruit af dat een bevel tot het verlenen van inzage niet meer zelfstandig in kort geding kan worden gevorderd tijdens een lopende hoofdzaak (in eerste of tweede aanleg). Het verzoek om inzage in gegevens ter onderbouwing van de vordering tegen de Politie 6.5 Uit de stukken blijkt het volgende. Toen [appellant] op 16 juli 2025 dit kort geding instelde liep reeds vanaf 19 juli 2024 een bodemprocedure tegen de Staat. Nadat [appellant] op 1 april 2025 hoger beroep in de bodemzaak had ingesteld, is hij van het vonnis van de voorzieningenrechter in beroep gekomen. 6.6 Uit hetgeen onder 6.3 en 6.4 is opgenomen, volgt dat [appellant] niet-ontvankelijk is voor zover hij inzage of afschrift van gegevens verzoekt ter onderbouwing van zijn stellingen in de lopende bodemprocedure waarin hij jegens de Staat schadevergoeding vordert wegens (beweerdelijk) onrechtmatig binnentreden van zijn woning. Een desbetreffend inzageverzoek diende hij voorafgaand aan die procedure(s) dan wel in die lopende procedure te doen. 6.7 De in de akte van 24 februari 2026 door [appellant] geuite bezwaren tegen de producties 5 en 6 bij memorie van antwoord, houden naar het hof begrijpt verband met de tegen de Politie aangespannen bodemprocedures van [appellant] en zijn buurvrouw [naam] en behoeven gelet op het voorgaande geen verdere bespreking. Het verzoek om inzage ter onderbouwing van een vordering tegen de melder 6.8 [appellant] heeft in dit hoger beroep aan zijn inzageverzoek ook ten grondslag gelegd dat hij de gegevens wenst te achterhalen van de persoon van wie de melding afkomstig is dat zich in de woning van [appellant] een pistool bevond. Dit om te kunnen beoordelen ‘of sprake is geweest van een valse of kwaadwillige melding en of jegens de melder civiel- of strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden ingeroepen’. 6.9 Voor zover [appellant] in dat verband inzage wenst in gegevens over niet alleen de identiteit maar ook de betrouwbaarheid en de motieven van de melder en de context van de melding en eventuele eerdere contacten tussen de melder en de Politie, heeft de Politie voldoende toegelicht en aannemelijk gemaakt dat het Mutatierapport niet meer is dan een verslag van de binnentreding bij [appellant] en niet de door [appellant] in dit verband specifiek verzochte informatie bevat over motieven van de melder en diens eventuele eerdere contacten met de Politie. In zoverre mist [appellant] belang bij zijn inzagevordering, althans kan de Politie niet worden veroordeeld inzage te geven in gegevens waarover zij (in de bescheiden waarop het inzageverzoek ziet) niet beschikt. 6.10 Daarmee blijft over de door [appellant] verlangde informatie omtrent de identiteit van de melder. Die informatie is verwerkt in het kader van een politietaak, waarmee het gaat om politiegegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet politiegegevens (Wpg). Op grond van art. 19 Wpg is de Politie niet bevoegd deze gegevens aan een derde te verstrekken. Gesteld noch gebleken is dat zich één van de in die bepaling genoemde uitzonderingen voordoet. Deze informatie behoeft evenmin op grond van de Wet open overheid (Woo) te worden verstrekt (art. 8.8 Woo). De Politie is verder geen partij bij de in het eerste lid van art. 194 Rv bedoelde rechtsbetrekking – de gestelde onrechtmatige daad van de melder jegens [appellant] – en is ook krachtens art. 194 lid 3 Rv niet verplicht tot verstrekking van inzage, afschrift of uittreksel van deze gegevens. Conclusie en proceskosten 6.11 De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. 6.12 Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Politie op: griffierecht € 827,- salaris advocaat € 1.935,- (1,5 punten × tarief II) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.951,-. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing . 7 Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 26 augustus 2025; veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Politie begroot op € 2.951,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald; bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na datum van dit arrest heeft betaald; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de kostenveroordeling betreft; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mr. B.J. Lenselink, mr. F.W.J. Meijer en mr. E. Bauw en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Similar Content