Rechtbank Oost-Brabant, 03-08-2026 (01/336036-25)
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een urenlange gijzeling van drie medewerkers in een penitentiaire inrichting en aan ernstige bedreiging van vijf van hun collega’s.
Full text
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01.336036.25 Datum uitspraak: 3 augustus 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1996] , thans uit andere hoofde gedetineerd te [verblijfplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juli 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juni 2026. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 5 december 2025 te Vught, althans in Nederland, opzettelijk een of meerdere medewerker(s) van de [PI 1] (te weten aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door: - te weigeren een (aardappelschil)mesje af en/of terug te geven aan medewerker(s) van de PI en/of - met dat (aardappelschil)mesje in zijn hand vanuit [afdeling 2] richting [afdeling 1] te lopen en/of - de deuren van [afdeling 1] en/of het kantoor dicht te gooien/dicht te doen en/of - daarbij te roepen/schreeuwen: ‘niemand binnenkomen, niemand binnenkomen’ en/of ‘wegwezen’ en/of - daarbij te roepen dat het een gijzeling was en/of - tegen de toegangsdeur te schoppen en/of - tegen de medewerker(s) van de PI te zeggen dat ze hun sleutels en piepers op tafel moesten leggen en/of hun riem moesten afdoen en op een stoel moesten leggen en/of - de sleutels en piepers van de medewerker(s) van de PI in de la te leggen en/of - een tweede (aardappelschil)mesje uit de la te pakken en/of - te zeggen dat de medewerker(s) van de PI moesten gaan zitten en/of - aan de medewerker(s) van de PI te vragen of er nog meer messen waren en/of - met de (aardappelschil)mesjes in zijn hand richting 1 of meerdere medewerker(s) van de PI te lopen en/of - de 2 aan hem, verdachte, gegeven (aardappelschil)mesjes in zijn broekzak te stoppen en/of - 1 of meerdere (aardappelschil)mesjes te tonen aan de medewerker(s) van de PI en/of - met 1 of meerdere (aardappelschil)mesjes te spelen en/of - de deuren van het kantoor op slot te doen en/of - te weigeren de (aardappelschil)mesjes aan de medewerker(s) van de PI te geven en/of - te vragen waar alle camera’s hingen en/of - 2 medewerker(s) van de PI hun polsen met handboeien aan de tafelpoot te laten vastmaken en/of - een brandblusser te pakken en gebruiksklaar te maken en/of - onderweg naar de wc de deuren achter de medewerker(s) van de PI op slot te draaien en/of - bij de wc de lift met een sleutel vast te zetten en/of - de medewerker(s) van de PI aldus te beletten de ruimte(s) te verlaten, met het oogmerk een ander, te weten de directeur van de [PI 1] en/of medewerker(s) van de PI, te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten: - overplaatsing van verdachte naar de [PI 2] en/of - geen IBT-team en/of ander personeel uit de PI en/of arrestatieteam en/of politieagenten inzetten en/of ter plaatse laten komen en/of - geen contact opnemen met zijn, verdachtes, ouders en/of - verstrekking van verdachtes medicatie en/of de medicatie voor de afdelingen [afdeling 2] en [afdeling 1] aan verdachte; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 5 december 2025 te Vught, althans in Nederland, opzettelijk een of meerdere medewerker(s) van de [PI 1] (te weten aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door: - te weigeren een (aardappelschil)mesje af en/of terug te geven aan medewerker(s) van de PI en/of - met dat (aardappelschil)mesje in zijn hand vanuit [afdeling 2] richting [afdeling 1] te lopen en/of - de deuren van [afdeling 1] en/of het kantoor dicht te gooien/dicht te doen en/of - daarbij te roepen/schreeuwen: ‘niemand binnenkomen, niemand binnenkomen’ en/of ‘wegwezen’ en/of - daarbij te roepen dat het een gijzeling was en/of - tegen de toegangsdeur te schoppen en/of - tegen de medewerker(s) van de PI te zeggen dat ze hun sleutels en piepers op tafel moesten leggen en/of hun riem moesten afdoen en op een stoel moesten leggen en/of - de sleutels en piepers van de medewerker(s) van de PI in de la te leggen en/of - een tweede (aardappelschil)mesje uit de la te pakken en/of - te zeggen dat de medewerker(s) van de PI moesten gaan zitten en/of - aan de medewerker(s) van de PI te vragen of er nog meer messen waren en/of - met de (aardappelschil)mesjes in zijn hand richting 1 of meerdere medewerker(s) van de PI te lopen en/of - de 2 aan hem, verdachte, gegeven (aardappelschil)mesjes in zijn broekzak te stoppen en/of - 1 of meerdere (aardappelschil)mesjes te tonen aan medewerker(s) van de PI en/of - met 1 of meerdere (aardappelschil)mesjes te spelen en/of - de deuren van het kantoor op slot te doen en/of - te weigeren de (aardappelschil)mesjes aan de medewerker(s) van de PI te geven en/of - te vragen waar alle camera’s hingen en/of - 2 medewerker(s) van de PI hun polsen met handboeien aan de tafelpoot te laten vastmaken en/of - een brandblusser te pakken en gebruiksklaar te maken en/of - onderweg naar de wc de deuren achter de medewerker(s) van de PI op slot te draaien en/of - bij de wc de lift met een sleutel vast te zetten en/of - de medewerker(s) van de PI aldus te beletten de ruimte(s) te verlaten; 2. hij op of omstreeks 5 december 2025 te Vught, althans in Nederland, een of meerdere medewerker(s) van de [PI 1] (te weten aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of gijzeling door: - gedurende een gijzeling/wederrechtelijke vrijheidsberoving in de [PI 1] op enig moment de deur van de kleedkamer/omkleedruimte/kantoorruimte te openen (waarin bovengenoemde medewerker(s) van de PI zich gedurende die gijzeling/wederrechtelijke vrijheidsberoving bevonden) en/of - (vervolgens) in of voor de deuropening en/of uitgang van die ruimte te blijven staan en/of - (vervolgens) toen hij, verdachte, bovengenoemde medewerker(s) van de PI in die kleedkamer/omkleedruimte/kantoorruimte zag een (aardappelschil)mesje uit zijn broeksband/zak te pakken en vast te houden; 3. hij op of omstreeks 5 december 2025 te Vught, althans in Nederland, een of meerdere medewerker(s) van de [PI 1] (te weten aangevers [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of gijzeling door: - in de [PI 1] op [afdeling 1] en/of [afdeling 2] het kantoor in te stappen (terwijl dat niet toegestaan is) en/of een deur van dat kantoor te sluiten en/of te proberen de deur(en) van het kantoor te sluiten en/of - daarbij te roepen dat het een gijzeling was en/of - een (aardappelschil)mesje omhoog te houden en/of vast te houden boven zijn hoofd en/of met dat schilmesje op bovengenoemde medewerker(s) van de PI af te lopen. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officieren van justitie zijn ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Bewijswaardering. Het standpunt van de officieren van justitie. De officieren van justitie hebben aangevoerd dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft betoogd dat de onder 1 primair ten laste gelegde gijzeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de verdediging kan alleen de onder 1 subsidiair ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen worden verklaard. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank. A. De bewijsmiddelen T.a.v. feit 1 primair: In bijlage I heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. T.a.v. de feiten 2 en 3: In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van de wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, omdat de verdachte het onder 2 en 3 bewezenverklaarde heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs T.a.v. feit 1 primair: De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het in de tenlastelegging genoemde feitencomplex gijzeling in de zin van artikel 282a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) oplevert. Volgens de verdediging is dat niet het geval omdat bij verdachte het daarvoor vereiste oogmerk ontbrak en kan alleen de subsidiair ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr bewezen worden verklaard. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het strafbare feit gijzeling onderscheidt zich van het strafbare feit wederrechtelijke vrijheidsberoving doordat de dader het oogmerk moet hebben gehad een ander te dwingen iets te doen of niet te doen. ‘Dwingen’ omvat opzet op gevolgen of een bepaald resultaat, maar voor de strafbaarheid is niet vereist dat dit gevolg is ingetreden of het resultaat bereikt. Voor ‘oogmerk te dwingen’ is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Veeleer moet sprake zijn van een noodzakelijkheidsbewustzijn op het gewenste gevolg of resultaat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en hen gedurende enkele uren van de vrijheid beroofd heeft gehouden met het oogmerk om een ander te dwingen iets te doen of niet te doen. De rechtbank leidt uit de verklaringen van deze aangevers af dat verdachte, nadat hij hen had opgesloten in de kantoorruimte van de afdeling, al snel enkele eisen heeft geformuleerd die hij eerst aan de aangevers kenbaar heeft gemaakt. Verdachte heeft daarna meerdere keren telefonisch contact gehad met een onderhandelaar en in die gesprekken zijn eisen kenbaar gemaakt. De eisen waren een overplaatsing naar [PI 2] , geen intern bijstandsteam of ander personeel erbij en het niet inlichten van zijn ouders. Op enig moment wilde verdachte ook zijn medicijnen hebben. Uit de verklaring van aangever [slachtoffer 2] volgt dat verdachte uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij hen, de gegijzelden, nodig had om iets te bereiken. Verdachte heeft één van de gijzelaars vrijgelaten om zijn goede wil te tonen. De onderhandelaar heeft verdachte op een zeker moment een ultimatum gesteld en na het verstrijken van dit ultimatum heeft verdachte gezegd dat hij naar buiten zou komen met twee gijzelaars. Hij zou hen dan vrij laten in ruil voor zijn medicatie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat verdachte meerdere eisen had die hij op meerdere momenten, tegenover verschillende personen heeft geuit. Hij heeft tegen de aangevers gezegd dat hij hen nodig had om zijn doelen te bereiken. Hierbij kent de rechtbank ook betekenis toe aan het tijdsverloop: het incident heeft meerdere uren geduurd. Verdachte heeft in die uren situaties overzien en inschattingen gemaakt van risico’s. Zo heeft hij de gijzelaars hun piepers en koppels af laten doen en hen geboeid aan een tafel laten zitten, gevraagd naar camera’s, een sluis gecreëerd toen hij en de gijzelaars naar het toilet gingen en de lift weggestuurd. Voorafgaand aan het gezamenlijke toiletbezoek wilde verdachte niet dat de onderhandelaar hierover zou worden geïnformeerd omdat verdachte zich ervan bewust was dat hij in een zwakke positie was als hij op het toilet was. Na het toiletbezoek moesten de gijzelaars die eerder met handboeien aan de tafel zaten, deze opnieuw omdoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte al zijn handelingen tijdens het incident beheerst en gecontroleerd verricht en daarbij vastgehouden aan zijn eisen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachtes handelingen erop gericht waren dat aan zijn eisen tegemoet zou worden gekomen. Daarmee is sprake van een noodzakelijkheidsbewustzijn op het gewenste gevolg of resultaat. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste heeft begaan. De bewezenverklaring. Op grond van de inhoud van de in de bewijsbijlage vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van wat hiervoor is overwogen, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (primair), 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 5 december 2025 te Vught, opzettelijk meerdere medewerkers van de [PI 1] (te weten aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door: - te weigeren een (aardappelschil)mesje af en terug te geven aan medewerkers van de PI en - met dat (aardappelschil)mesje in zijn hand vanuit [afdeling 2] richting [afdeling 1] te lopen en - de deuren van [afdeling 1] en het kantoor dicht te gooien/dicht te doen en - daarbij te roepen/schreeuwen: ‘niemand binnenkomen, niemand binnenkomen’ en ‘wegwezen’ en - daarbij te roepen dat het een gijzeling was en - tegen de toegangsdeur te schoppen en - tegen de medewerkers van de PI te zeggen dat ze hun sleutels en piepers op tafel moesten leggen en hun riem moesten afdoen en op een stoel moesten leggen en - de sleutels en piepers van de medewerkers van de PI in de la te leggen en - een tweede (aardappelschil)mesje uit de la te pakken en - te zeggen dat de medewerkers van de PI moesten gaan zitten en - aan de medewerkers van de PI te vragen of er nog meer messen waren en - met de (aardappelschil)mesjes in zijn hand richting 1 of meerdere medewerkers van de PI te lopen en - de 2 aan hem, verdachte, gegeven (aardappelschil)mesjes in zijn broekzak te stoppen en - 1 of meerdere (aardappelschil)mesjes te tonen aan de medewerkers van de PI en - met 1 of meerdere (aardappelschil)mesjes te spelen en - de deuren van het kantoor op slot te doen en - te weigeren de (aardappelschil)mesjes aan de medewerkers van de PI te geven en - te vragen waar alle camera’s hingen en - 2 medewerkers van de PI hun polsen met handboeien aan de tafelpoot te laten vastmaken en - een brandblusser te pakken en gebruiksklaar te maken en - onderweg naar de wc de deuren achter de medewerkers van de PI op slot te draaien en - bij de wc de lift met een sleutel vast te zetten en - de medewerkers van de PI aldus te beletten de ruimtes te verlaten, met het oogmerk een ander, te weten de directeur van de [PI 1] en medewerkers van de PI, te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten: - overplaatsing van verdachte naar de [PI 2] en - geen IBT-team en arrestatieteam inzetten en/of ter plaatse laten komen en - geen contact opnemen met zijn, verdachtes, ouders en - verstrekking van verdachtes medicatie; 2. hij op 5 december 2025 te Vught, meerdere medewerkers van de [PI 1] (te weten aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ) heeft bedreigd met gijzeling door: - gedurende een gijzeling in de [PI 1] op enig moment de deur van de kleedkamer/omkleedruimte/kantoorruimte te openen waarin bovengenoemde medewerkers van de PI zich gedurende die gijzeling bevonden en - vervolgens in of voor de deuropening en uitgang van die ruimte te blijven staan en - toen hij, verdachte, bovengenoemde medewerkers van de PI in die kleedkamer/omkleedruimte/kantoorruimte zag een (aardappelschil)mesje uit zijn broeksband/zak te pakken en vast te houden; 3. hij op 5 december 2025 te Vught, meerdere medewerkers van de [PI 1] (te weten aangevers [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ) heeft bedreigd met gijzeling door: - in de [PI 1] op [afdeling 1] en [afdeling 2] het kantoor in te stappen (terwijl dat niet toegestaan is) en een deur van dat kantoor te sluiten en te proberen de deuren van het kantoor te sluiten en - daarbij te roepen dat het een gijzeling was en - een (aardappelschil)mesje omhoog te houden en vast te houden boven zijn hoofd en met dat schilmesje op bovengenoemde medewerkers van de PI af te lopen. Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. De strafbaarheid van de feiten. Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De strafbaarheid van de verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluiten. De rechtbank zal dit hieronder toelichten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf. De eis van de officieren van justitie. De officieren van justitie hebben een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren geëist. Een kopie van de vordering van de officieren van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft betoogd dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en dat de verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging (OVAR). Mocht de rechtbank de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren, maar in sterk verminderde mate, dan dient de verdachte schuldig te worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel (artikel 9a Sr), aldus de verdediging. Het oordeel van de rechtbank. Het uitgangspunt in het Nederlandse strafrecht is dat een dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem gepleegde strafbare feit. Het strafbare feit kan daarom in beginsel aan de verdachte worden toegerekend. De uitzondering daarop is neergelegd in artikel 39 Sr. In dat artikel is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend. Als sprake is van volledige ontoerekenbaarheid, kan geen straf worden opgelegd. Een behandeling in het kader van een maatregel, zoals een terbeschikkingstelling, is wel mogelijk. Is sprake van verminderde toerekenbaarheid, dan zal dit bij de strafoplegging als strafverminderende omstandigheid gelden. Om ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen moet voldaan worden aan drie vereisten. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. In de tweede plaats moet er een causaal verband bestaan tussen deze stoornis, aandoening of handicap en het tenlastegelegde delict. Ten slotte moet deze stoornis, aandoening of handicap zodanig zijn dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staan. Alleen als de stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap van de verdachte tot gevolg heeft dat de verdachte de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van het feit in het geheel niet kan begrijpen of, als hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wel begrijpt, maar niet in overeenstemming met dat besef kan handelen, kan volledige ontoerekeningsvatbaarheid aan de orde kan zijn. De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakt rapportages van: T. ’t Hoen (GZ-psycholoog) van 25 januari 2026 en 24 mei 2026; A.G.M. Weenink (GZ-psychologe) van 10 maart 2026 en de aanvulling van 4 mei 2026. Deze deskundigen en het hoofd behandeling [betrokkene] van [verblijfplaats] , waar verdachte op dit moment is opgenomen in verband met de eerder aan hem opgelegde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, zijn ter terechtzitting gehoord. De rechtbank zal hierna vooral aandacht besteden aan de rapportages van Weenink (voornoemd) en haar toelichting op zitting, nu deze psychologe de verdachte meerdere keren heeft onderzocht (zo ook in eerder zaken in de afgelopen jaren) en zij specifiek een psychologisch onderzoek pro Justitia heeft verricht. Uit het rapport van 10 maart 2026 blijkt onder meer het volgende. Betrokkene is gediagnosticeerd met een neurobiologische ontwikkelingsstoornis in de vorm van een autismespectrumstoornis (ASS), met een posttraumatische stressstoornis (PTSS), met een schizofrenie spectrumstoornis en met antisociale en borderline persoonlijkheidskenmerken. Daarnaast is sprake van een ongespecificeerde alcohol gerelateerde stoornis, die echter in de huidige tenlastegelegde gebeurtenissen geen rol speelt. Gezien het structurele karakter van de problematiek was deze aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen. De gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde werden in grote mate beïnvloed door genoemde stoornissen. Uit het rapport van 4 mei 2026 blijkt onder meer het volgende. Hoewel het delictscenario maar beperkt kon worden gereconstrueerd, wordt een volledige doorwerking uitgesloten. Er zijn sterke aanwijzingen dat betrokkene tijdens het delict niet volledig zijn realiteitsbesef of gedragscontrole had verloren. Dit leidde tot het advies het tenlastegelegde in sterk verminderd mate toe te rekenen. Volledige doorwerking wordt niet waarschijnlijk geacht door de aanwezigheid van beperkt realiteitsbesef en bewustzijn, er geen volledige psychotische dominantie wordt vastgesteld, in de aanwezigheid van gedrag met enige doelgerichtheid en in de aanwezigheid van enig besef van het wederrechtelijke karakter. Op de terechtzitting van 20 juli 2026 heeft de deskundige deze bevindingen bevestigd. In wat ter terechtzitting is besproken, heeft de deskundige geen aanleiding gezien om haar conclusies aan te passen. De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundige over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Ten tijde van het ten laste gelegde leed de verdachte aan een neurobiologische ontwikkelingsstoornis in de vorm van een autismespectrumstoornis (ASS), met een posttraumatische stressstoornis (PTSS), met een schizofrenie spectrumstoornis en met antisociale en borderline persoonlijkheidskenmerken. De gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde werden in grote mate beïnvloed door deze stoornissen. Sprake is van een sterk verminderde toerekenbaarheid. Volledige ontoerekenbaarheid kan de rechtbank niet vaststellen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van het feit in het geheel niet heeft kunnen begrijpen of, voor zover hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wel begreep, in het geheel niet in overeenstemming met dat besef heeft kunnen handelen. Helder is naar het oordeel van de rechtbank wel dat de stoornissen van de verdachte een sterke doorwerking hebben gehad bij het plegen van de feiten. Nu de rechtbank geen volledige ontoerekenbaarheid heeft vastgesteld, komt de rechtbank tot een strafoplegging. De rechtbank zal daarbij in strafmatigende zin rekening houden met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een urenlange gijzeling van drie medewerkers in een penitentiaire inrichting en aan ernstige bedreiging van vijf van hun collega’s. De rechtbank is er op basis van de aangiftes en de verklaringen op zitting van overtuigd dat zij daarbij lange tijd doodsangsten hebben uitgestaan en op zich op bepaalde momenten hebben afgevraagd of zij nog wel levend thuis zouden komen. Dit moet afschuwelijk zijn geweest. De impact op hen en op hun naasten was enorm en dit zal nog lange tijd doorwerken. Het is dan ook volstrekt begrijpelijk dat zij de rechtbank hebben gevraagd om voor deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een langdurige gevangenisstraf zou onder normale omstandigheden ook de enige passende sanctie zijn. Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Uit het onderzoek naar de verdachte blijkt immers dat hij ook nu nog een groot gevaar vormt voor zijn directe omgeving, en dat hij uit het niets tot extreem geweld kan overgaan. Niemand, ook hijzelf niet, kan dit zien aankomen. En de onderhavige zaak laat zien dat dit ook in een zeer gecontroleerde setting als een PPC-afdeling van een PI kan gebeuren. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de TBS-kliniek, waar hij thans is geplaatst, de meest veilige omgeving is voor hem en de personen om hem heen. De beslissing om deze TBS met dwangverpleging op te leggen is onherroepelijk. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou betekenen dat hij vanuit de TBS-kliniek zou worden overgeplaatst naar een PPC-afdeling van een PI. Dit zou dus onmiddellijk gevaar opleveren voor de mensen die daar werken en voor hemzelf. Dit belang weegt voor de rechtbank enorm zwaar en vormt de reden om in dit uitzonderlijke geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De TBS-kliniek waar de verdachte thans verblijft is de meest veilige (of misschien minst onveilige) situatie, en dat moet zo blijven. Zonder de huidige TBS-veroordeling zou, gelet op de vastgestelde stoornissen bij de verdachte en de doorwerking daarvan in het onderhavige feit, een maatregel als TBS met dwangverpleging zeker in de rede hebben gelegen. Nu de verdachte al tot TBS is veroordeeld, heeft het OM er terecht van af gezien om dit spoor te volgen. Niet valt in te zien wat een eventuele nieuwe TBS zou toevoegen. Zoals de officieren van justitie ook in requisitoir hebben benadrukt, bevat het dossier geen enkele aanwijzing dat de verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd om plaatsing in een TBS-kliniek af te dwingen. Uit niets blijkt dat de verdachte op enig moment een bewuste keuze heeft gemaakt om met dit doel mesjes te verzamelen en anderen daarmee te bedreigen. Op geen enkel moment heeft de verdachte, bijvoorbeeld richting de onderhandelaars, aangegeven dat hij in een TBS-kliniek geplaatst wil worden. De rechtbank acht het van belang om dit uitdrukkelijk te benoemen. De volgende vraag die dan moet worden beantwoord is of er voldoende reden bestaat om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals ook geëist door de officieren van justitie. Voorwaardelijke straffen worden doorgaans opgelegd om een veroordeelde ervan te weerhouden een nieuw strafbaar feit te plegen. In de onderhavige situatie zijn echter twee zaken relevant. In de eerste plaats zal aan de verdachte vanwege de reeds aangevangen TBS-behandeling nog lange tijd zijn vrijheid zijn ontnomen. De proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling vangt pas aan na die periode (artikel 6:1:18 lid 3 Sv). Dit betekent dat een voorwaardelijke gevangenisstraf juridisch gezien pas effect zal hebben na beëindiging van zijn TBS-behandeling. Dat kan nog vele jaren duren. In de tweede plaats kan zeer worden betwijfeld of een dreigende tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf enig preventief effect zal hebben op de verdachte, nu zijn stoornissen hem in zijn huidige toestand sterk beïnvloeden bij zijn gedragskeuzes. Daar staat tegenover dat de oplegging van een (voorwaardelijke) straf toch in enige vorm effect zal hebben op de verdachte, op de mensen die in zijn omgeving werken en op de slachtoffers van de onderhavige feiten, en hun omgeving. De rechtbank is zich bewust van de zware druk op de PI-medewerkers en de medewerkers van de TBS-kliniek die gedetineerden zoals verdachte moeten begeleiden en/of behandelen. Voor hen is het belangrijk te weten dat een gijzeling als de onderhavige niet onbestraft blijft, zelfs in uitzonderlijke omstandigheden. Bovendien zal een voorwaardelijke gevangenisstraf ook van belang zijn in de eindfase van de TBS-behandeling.. De verdachte heeft zich nu tweemaal schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving/ gijzeling en een opgelegde straf, ook al is deze voorwaardelijk, kan hem helpen om zich bewust te worden en te blijven dat dit soort feiten volstrekt onacceptabel zijn. Met het opleggen van deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt beoogd om verdachte in de eindfase van de TBS-behandeling extra te stimuleren om te werken aan een veilige en verantwoorde terugkeer in de maatschappij. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. De vordering van de benadeelde partijen. De benadeelde partijen hebben vorderingen ingediend onder de nummers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] . Deze nummers corresponderen met de in de tenlastelegging genoemde nummers die aan de slachtoffers/aangevers zijn gegeven. Deze slachtoffers zijn medewerkers van de [PI 1] . Gelet op hun beroep zijn hun persoonsgegevens geanonimiseerd en zijn genoemde nummers aan hen toegekend. Tijdens de zitting is gebleken wat de voornamen zijn van de personen achter de nummers. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de vordering steeds duidelijk zal moeten zijn dat de persoon die de vordering indient zelf rechtstreekse schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit waarvoor de verdachte strafbaar is. De rechtbank heeft daartoe iedere vordering vergeleken met de aangiften en de tenlastelegging. Bij de rechtbank bestaat er geen twijfel over dat de vorderingen telkens zijn ingediend door het slachtoffer waarvan het nummer correspondeert met de aangifte onder dat nummer en de in de tenlastelegging genoemde nummers. Hierbij weegt ook mee dat de benadeelde partijen, met uitzondering van nummer [slachtoffer 7] , op de terechtzitting van 20 juli 2026 zijn verschenen en dat sommigen een slachtofferverklaring hebben voorgelezen. Tot slot heeft meegewogen dat de verdediging geen verweer heeft gevoerd tegen het onder nummer indienen van de vorderingen en dat de benadeelden de verdediging daarmee voldoende bekend zijn. De benadeelde partij: - [slachtoffer 1] , vordert een bedrag van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade; - [slachtoffer 2] , vordert een bedrag van € 5.500,-, bestaande uit immateriële schade; - [slachtoffer 3] , vordert een bedrag van € 5.500,-, bestaande uit immateriële schade; - [slachtoffer 4] , vordert een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade; - [slachtoffer 6] , vordert een bedrag van € 1.250,-, bestaande uit immateriële schade; - [slachtoffer 7] , vordert een bedrag van € 1.984,-, bestaande uit een bedrag van € 484,-materiële schade en een bedrag van € 1.500,- immateriële schade; - [slachtoffer 8] , vordert een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partijen vorderden ook toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officieren van justitie. De officieren van justitie heeft aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelden geheel kunnen worden toegewezen, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging. Primair heeft de verdediging betoogd dat de benadeelden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, gelet op het gedane beroep tot OVAR. Mocht de rechtbank de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren, maar in sterk verminderde mate, dan geldt ten aanzien van de vorderingen het volgende: De vorderingen van de benadeelden nummers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] dienen te worden gematigd. Met betrekking tot de door de benadeelde nummer [slachtoffer 7] gevorderde materiële schade heeft de verdediging betoogd dat niet is gebleken dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Met betrekking tot de benadeelde nummers [slachtoffer 3] heeft de verdediging bovendien nog aangevoerd dat uit de bijlagen bij de vordering is gebleken dat de benadeelde een bepaalde psychische voorgeschiedenis heeft waar rekening mee gehouden dient te worden. De benadeelden nummers [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 8] dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering, omdat de schade onvoldoende is onderbouwd. De beoordeling. De rechtbank heeft acht geslagen op de vorderingen. Bij de benadeelden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is PTSS vastgesteld. Uit de onderbouwing van de vorderingen leidt de rechtbank voorts af dat alle benadeelden na het incident angst- en/of spanningsklachten hebben ervaren. Alle benadeelden, met uitzondering van benadeelde [slachtoffer 8] , hebben gesprekken gehad met een psycholoog of traumabehandelaar. Ten aanzien van alle vorderingen overweegt de rechtbank dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden, meebrengen dat van een aantasting in de persoon op andere wijze sprake is (artikel 6:106, aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek). De benadeelden zijn urenlang gegijzeld en/of bedreigd met gijzeling en/of getuige geweest van de gijzeling van hun collega’s. Hierbij werden messen en handboeien gebruikt. De gegijzelden bevonden zich in een machteloze positie waarin ze zich zorgen maakten om hun eigen levens, maar ook om die van hun collega’s. Hetzelfde geldt voor de benadeelden die zijn bedreigd in het kader van de gijzeling. Ook zij vonden zich in diezelfde machteloze en angstige positie. Naar het oordeel van de rechtbank is de aard en ernst van de normschending zo groot dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde voor de hand liggen. De immateriële schade is telkens voorts rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten toegebracht. In beginsel komen de gevorderde bedragen aan immateriële schade dan ook voor toewijzing in aanmerking. Met betrekking tot de hoogte van de vorderingen heeft de rechtbank telkens gekeken naar het specifieke feitencomplex (gijzeling, dan wel bedreiging in het kader van de gijzeling), de omschrijving/toelichting van de schade en de bedragen die bij dergelijke persoonsaantastingen worden genoemd in de ‘Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen’ (de Rotterdamse Schaal). De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade in alle gevallen naar billijkheid kan worden toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de hoogte van de gevorderde bedragen te matigen. Specifiek met betrekking tot de benadeelde nummer [slachtoffer 3] merkt de rechtbank op dat de medische voorgeschiedenis van de benadeelde partij verdachte niet ontslaat van zijn aansprakelijkheid voor de ontstane schade en in zoverre dus niet relevant is. De benadeelde nummer [slachtoffer 7] heeft voorts nog een bedrag van € 484,- aan materiële schade gevorderd, bestaande uit zorgkosten die niet worden vergoed. Van deze kosten is een rekening en een declaratieoverzicht overgelegd. De rechtbank acht de schade toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade. De rechtbank zal de toegewezen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2025 tot de dag der algehele voldoening. Voor de wettelijke rente over de materiële schade geldt een latere ingangsdatum, namelijk het moment waarop de kosten zijn gemaakt. De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelden tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 december 2025 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelden komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelden, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 282a, 285 Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK De rechtbank: verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven: T.a.v. feit 1 primair: Gijzeling, meermalen gepleegd. T.a.v. feit 2: Bedreiging met gijzeling, meermalen gepleegd. T.a.v. feit 3: Bedreiging met gijzeling, meermalen gepleegd. verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Oplegging van straf : legt op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] : wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 5.500,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 5.500,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 4] , van een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 6] , van een bedrag van € 1.250,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 7] , van een bedrag van € 1.984,-, bestaande uit een bedrag van € 484,-materiële schade en een bedrag van € 1.500,- immateriële schade; [slachtoffer 8] , van een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade. De vergoedingen van de immateriële schade wordt telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, de vergoeding van de materiele schade (van vordering [slachtoffer 7] ) vanaf 3 april 2026. veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. Schadevergoedingsmaatregel : legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van: [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 5.500,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 5.500,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 4] , van een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 6] , van een bedrag van € 1.250,-, bestaande uit immateriële schade; [slachtoffer 7] , van een bedrag van € 1.984,-, bestaande uit een bedrag van € 484,-materiële schade en een bedrag van € 1.500,- immateriële schade; [slachtoffer 8] , van een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade. De vergoedingen van de (im)materiële schade wordt telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, de vergoeding van de materiele schade (van vordering [slachtoffer 7] ) vanaf 3 april 2026; bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van: t.a.v. de vordering van [slachtoffer 1] : 30 dagen; t.a.v. de vordering van [slachtoffer 2] : 52 dagen; t.a.v. de vordering van [slachtoffer 3] : 52 dagen; t.a.v. de vordering van [slachtoffer 4] : 10 dagen; t.a.v. de vordering van [slachtoffer 6] : 12 dagen; t.a.v. de vordering van [slachtoffer 7] : 19 dagen; t.a.v. de vordering van [slachtoffer 8] : 10 dagen; De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet op. Dit vonnis is gewezen door: mr. E.M. Vermeulen, voorzitter, mr. F.H.E. Boerma en mr. L.J. Verborg, leden, in tegenwoordigheid van G. van de Luijtgaarden, griffier, en is uitgesproken op 3 augustus 2026.