Rechtbank Den Haag, 26-01-2026 (C/09/694949 / KG ZA 25-1153)
Kort geding. Vordering om inzage te verstrekken in met politiecamera’s vervaardigde beelden. De weigering van de Politie om beelden te verstrekken is feitelijke handelen, waar geen bestuursrechtelijke rechtsgang tegen openstaat – voorzieningenrechter is bevoegd van de vordering kennis te nemen. Vordering wordt afgewezen. Beelden betreffen geen persoonsgegevens van eiser zelf. Gelet op gesloten stelsel Wet politiegegevens stelt Politie zich terecht op standpunt dat zij niet bevoegd is inzage te gegeven in de betreffende camerabeelden.
Full text
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/694949 / KG ZA 25-1153 Vonnis in kort geding van 26 januari 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats], eiser, advocaat mr. D.L. van Dam te Rotterdam, tegen: Nationale Politie te Den Haag, gedaagde, advocaten mrs. S. Velers en E.P. Ceulen te Arnhem. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Politie’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de (concept-)dagvaarding met producties 1 tot en met 7, waarop de Politie vrijwillig in dit kort geding is verschenen; - de door de Politie overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4; - de op 12 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Op 30 juli 2025 heeft [eiser] bij de meldkamer van de Politie gemeld dat er een plastic zakje met daarin een politiebadge door de brievenbus van zijn woning was gegooid. De politiebadge is kort daarna door [eiser] aan de Politie overhandigd. 2.2. De voordeur en brievenbus van [eiser] bevinden zich binnen het bereik van een camera . [eiser] heeft de wijkagent verzocht de camerabeelden die met deze camera zijn geregistreerd terug te kijken om na te gaan wie de politiebadge bij hem door de brievenbus heeft gegooid. De camerabeelden zijn op 1 augustus 2025 veiliggesteld en opgeslagen. De wijkagent heeft aan [eiser] laten weten dat er geen juridische grond is om de beelden met hem te delen of aan hem te laten zien. 2.3. Op 14 augustus 2025 heeft [eiser] aangifte gedaan van bedreiging. In het proces-verbaal van aangifte staat, voor zover nu relevant, het volgende: “(…) Ik word sinds 2012 lastig gevallen door een achterneef van mij genaamd (…) [naam 1] heeft […] diverse valse meldingen gedaan bij de politie. De politie heeft hierdoor diverse huiszoekingen gedaan in mijn woning. Ik heb onder andere hierdoor ook al aangifte gedaan van stalking (…) Ik merk wel dat er steeds weer pesterijen, en bedreigingen plaatsvinden aan mij. Ik voel me zeer onveilig hierdoor en ben zeer alert. (…)” In het proces-verbaal van aangifte zijn verder de verklaring van [eiser] over de gebeurtenissen rondom de politiebadge zoals onder 2.1 vermeld opgenomen. [eiser] heeft hierover verklaard dat hij niet heeft gezien wie de badge door de brievenbus heeft geduwd, maar dat hij het vermoeden heeft dat [naam 1] dit heeft gedaan. 2.4. Bij brief van 18 augustus 2025 heeft de Politie aan [eiser] laten weten dat zij op dit moment te weinig aanwijzingen of informatie heeft om naar aanleiding van de aangifte van 14 augustus 2025 een onderzoek te starten. 2.5. Op 18 augustus 2025 heeft de advocaat van [eiser] als volgt bericht aan de privacydesk van de Politie: “Op of omstreeks 30 juli 2025, waarschijnlijk in de namiddag of vroege avond, heeft iemand een originele politiepenning in de brievenbus van cliënt gedeponeerd. (…) Client wordt reeds geruime tijd op diverse wijzen gestalkt door een persoon genaamd (…) [naam 1]. Cliënt vermoed dat het deze persoon is geweest die de penning in zijn brievenbus heeft gedeponeerd, al weet hij dat niet zeker. Cliënt heeft in elk geval aangifte van een en ander gedaan. (…) De voordeur en brievenbus van cliënt bevinden zich binnen bereik van een camerabol. Van de politie, in de persoon van de heer [naam 2], begreep cliënt inmiddels dat er van het deponeren daadwerkelijk camerabeelden zijn. Cliënt heeft er groot belang bij die camerabeelden te zien en daarmee vast te stellen wie de politiepenning in zijn brievenbus heeft gedeponeerd. Is dat inderdaad de genoemde heer [naam 1], dan zal deze vaststelling cliënt bijzonder behulpzaam zijn in verband met het entameren van een civiele procedure tegen de heer [naam 1] leidende tot een contact- en gebiedsverbod. Is het een ander geweest, dan is het vanzelfsprekend van groot belang te weten wie dat was. Cliënt, en naar ik aanneem ook de politie, zien de humor van dit voorval in genen dele in. (…)” 2.6. Bij brief van 10 november 2025 heeft de Politie het verzoek om inzage van de camerabeelden afgewezen. Dit wordt in het besluit als volgt gemotiveerd: “Op grond van artikel 25 Wpg kan [eiser] een verzoek doen om kennisneming van de hem betreffende politiegegevens die in de politiesystemen worden verwerkt. Camerabeelden die hem niet betreffen maar een derde, vallen niet binnen dit juridisch kader. Daarom wordt het verzoek op camerabeelden ter identificatie van een derde, afgewezen. Artikel 25 Wpg laat namelijk niet toe om inzage te verlenen in politiegegevens dat derden betreft.” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Politie te veroordelen om hem inzage te verstrekken in de op of omstreeks 30 juli 2025 met politiecamera’s vervaardigde beelden waarop is te zien hoe een persoon een politiepenning deponeert in de brievenbus van [eiser], met veroordeling van de Politie in de kosten van het geding. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] wordt al geruime tijd op verschillende manier gestalkt en dwarsgezeten door [naam 1]. [eiser] vermoedt dat [naam 1] de politiepenning in zijn brievenbus heeft gedaan. Hij heeft er groot belang bij de camerabeelden te zien en daarmee vast te stellen wie de politiepenning in zijn brievenbus heeft gedaan. Als dat inderdaad [naam 1] is geweest, dan kan [eiser] die vaststelling gebruiken in een civiele procedure tegen [naam 1] waarin hij een contact- en gebiedsverbod zal vorderen. Als iemand anders de politiepenning in zijn brievenbus heeft gedaan, is het ook van groot belang om te weten wie het was. [eiser] en zijn advocaat hebben van de Politie, in de persoon van de heer [naam 2], begrepen dat er van het deponeren van de politiepenning in zijn brievenbus inderdaad camerabeelden zijn. [eiser] heeft in het kader van de bewijslevering tegen [naam 1] een dringend belang om te weten wie de politiepenning in zijn brievenbus heeft gedeponeerd. Van een afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 27 Wet politiegegevens (Wpg) is volgens [eiser] geen sprake. De openbare orde is in het geding en het is logisch dat [eiser] wil weten wie de politiepenning in zijn brievenbus heeft gedaan. De camera staat er in dat kader niet voor niets. [eiser] heeft burgerrechten, waaronder het recht om niet gestalkt of anderszins lastiggevallen te worden en niet te worden gecompromitteerd met verboden bezittingen. Dat weegt –zo stelt [eiser]– zwaarder dan het beweerdelijke recht van degene die de penning in de brievenbus heeft gedaan op niet-identificatie. Op grond van artikel 19 Wpg kan de Politie overgaan tot verstrekking van Politiegegevens aan derden, zoals [eiser] en de Politie schaart de kwestie ten onrechte onder het bereik van artikel 25 Wpg. 3.3. De Politie voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil Vooraf 4.1. Ter beoordeling ligt voor of de Politie [eiser] inzage in de camerabeelden moet verlenen. De voorzieningenrechter neemt met partijen tot uitgangspunt dat de camerabeelden waarvan [eiser] inzage vordert politiegegevens in de zin van de Wpg zijn. Op grond van artikel 7 Wpg is uitgangspunt dat de ambtenaar van de Politie of de persoon aan wie de politiegegevens ter beschikking zijn gesteld verplicht is tot geheimhouding daarvan. Dit is alleen anders als een bij of krachtens de Wpg gegeven voorschrift de verstrekking van politiegegevens verplicht stelt of toelaat. De Politie kan dus alleen inzage in de camerabeelden verlenen als dat op grond van de Wpg toegestaan is. Ontvankelijkheid 4.2. Als eerste moet – ambtshalve – worden beoordeeld of de voorzieningenrechter bevoegd is te oordelen over de vordering van [eiser]. Dat is alleen het geval als er geen andere, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang voor [eiser] openstaat. In dit geval is de vraag of [eiser] zich niet tot de bestuursrechter kan en moet wenden om een met dit kort geding vergelijkbaar resultaat te behalen. 4.3. Algemeen uitgangspunt is dat het (niet) verstrekken van gegevens een feitelijke handeling is, die niet is gericht op rechtsgevolg. Er ontstaat namelijk door het (niet) verstrekken van informatie geen nieuwe juridische situatie. Feitelijk handelen dat niet is gericht op een rechtsgevolg is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tegen dergelijk feitelijk handelen staat dan ook geen bestuursrechtelijke rechtsgang open. Dat is anders als er een (principe)recht op informatieverstrekking bestaat, zoals op grond van artikel 25 Wpg . Dan wordt – bij afwijzing van een verzoek om informatie – immers beslist dat het in artikel 25 Wpg neergelegde recht, niet kan worden uitgeoefend. In de Wpg is ook uitdrukkelijk – in artikel 29 – bepaald dat een beslissing op grond van artikel 25 Wpg geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bij afwijzing van een verzoek op grond van artikel 25 Wpg staat dus wel de bestuursrechtelijke rechtsgang open en is de voorzieningenrechter in beginsel niet bevoegd om over die afwijzing te oordelen. 4.4. Partijen zijn het er echter – terecht – over eens dat het verzoek van [eiser] aan de Politie van 18 augustus 2025 en de beslissing daarop van 10 november 2025 niet vallen onder de werking van artikel 25 Wpg. [eiser] vraagt namelijk inzage in camerabeelden van het deponeren door een derde van een politiepenning in zijn brievenbus. Dit betreft dus geen inzage en informatie over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens. 4.5. Omdat artikel 25 Wpg hier niet van toepassing is, staat de bestuursrechtelijke rechtsgang voor [eiser] niet op grond van artikel 29 Wpg open. [eiser] doet in dit kort geding een beroep op artikel 19 Wpg. Dit artikel biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen informatie over politiegegevens te verstrekken aan derden, maar [eiser] heeft op grond van dit artikel in beginsel geen recht op informatie zoals hiervoor onder 4.3 is bedoeld. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] op een andere grondslag een ‘principe-recht’ op informatie over de camerabeelden heeft. Dit leidt tot de conclusie dat de weigering van de Politie om inzage te geven in de camerabeelden een feitelijk handelen betreft, waar geen bestuursrechtelijke rechtsgang tegen openstaat. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd van de vordering van [eiser] in dit kort geding kennis te nemen. 4.6. Nu [eiser] ook voldoende zijn spoedeisend belang bij zijn vordering heeft onderbouwd, namelijk dat hij de informatie wil gebruiken voor een civielrechtelijke procedure strekkende tot een straat- en contactverbod, is hij ontvankelijk in dit kort geding. Het spoedeisend belang is overigens door de Politie ook niet weersproken. Inhoudelijke beoordeling 4.7. [eiser] heeft allereerst gesteld dat geen sprake is van enige afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 27 Wpg. De afwijzingsgronden zoals geformuleerd in artikel 27 Wpg zijn echter ten aanzien van de gegevens waarvan [eiser] inzage vordert niet relevant. Artikel 27 Wpg noemt gronden waarop een verzoek (op grond van artikel 25 Wpg) om inzage in of (op grond van artikel 28 Wpg) vernietiging of rectificatie van persoonsgegevens die de betrokkene zelf betreffen kan worden afgewezen. Zoals hiervoor al is overwogen is, heeft de vordering van [eiser] geen betrekking op persoonsgegevens die hemzelf betreffen en erkent [eiser] zelf ook dat artikel 25 Wpg in dit geval niet van toepassing is. De weigeringsgronden behorende bij artikel 25 Wpg missen dan ook toepassing. 4.8. Op grond van artikel 19 Wpg kunnen in bijzondere gevallen en voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang politiegegevens worden verstrekt aan derden voor de volgende doeleinden: het voorkomen en opsporen van strafbare feiten; het handhaven van de openbare orde; het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven; het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving. Van al deze doeleinden is volgens [eiser] in dit geval sprake. 4.9. Het beroep van [eiser] op artikel 19 Wpg slaagt niet. Verstrekking op grond van artikel 19 Wpg is alleen mogelijk als dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. De voorzieningenrechter is met de Politie van oordeel dat aan dit vereiste niet is voldaan. Het is zonder meer begrijpelijk dat [eiser] wil weten wie de politiepenning in zijn brievenbus heeft gedeponeerd en dat hij – gelet op de door hem gestelde voorgeschiedenis – met die informatie civielrechtelijke stappen overweegt. In het licht hiervan heeft [eiser] een (mogelijk) persoonlijk belang bij inzage in de camerabeelden. De voorzieningenrechter wil nog wel enigszins meegaan in het betoog van [eiser] dat het door civielrechtelijke maatregelen (mogelijk) voorkomen van toekomstige strafbare feiten raakvlakken heeft met het algemeen belang, maar van een zwaarwegend algemeen kan in dit geval niet worden gesproken. De Politie heeft zich dus op grond van het gesloten stelsel van de Wpg terecht op het standpunt gesteld dat zij niet bevoegd is inzage te verlenen in de camerabeelden. 4.10. Voor de volledigheid overweegt de voorzieningenrechter nog dat de stelling dat verstrekking van de camerabeelden aan [eiser] zou bijdragen aan alle doeleinden zoals genoemd in artikel 19 Wpg hem niet baat, omdat aan de eerste vereiste voor verstrekking op grond van artikel 19 Wpg dat er sprake moet zijn van een zwaarwegend algemeen belang dus niet is voldaan. In dit verband merkt de voorzieningenrechter ten overvloede nog het volgende op. [eiser] heeft (ook) in dit kader naar voren gebracht dat mogelijk toekomstige strafbare feiten – gepleegd door [naam 1] – kunnen worden voorkomen als hij met behulp van inzage in de camerabeelden een straat- en contactverbod tegen [naam 1] kan krijgen. Verder brengt hij naar voren dat hij het onbegrijpelijk vindt dat de politie zelf niet achter degene aangaat die hun penning in zijn brievenbus heeft gedeponeerd. Deze stellingnamen van [eiser] leggen ook inhoudelijk bezien onvoldoende gewicht in de schaal. De mededeling van de Politie van 18 augustus 2025 kan namelijk redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat de Politie, mede op grond van wat er op de op 1 augustus 2025 in beslag genomen camerabeelden te zien is, onvoldoende concrete aanwijzingen heeft om een onderzoek te starten. Het moet er thans dan ook voor worden gehouden dat de camerabeelden onvoldoende uitsluitsel geven over de persoon op wie dat onderzoek zich zou moeten richten. Indien de beslissing van de Politie van 18 augustus 2025 [eiser] niet overtuigt, staan hem de geëigende voorzieningen ter beschikking zoals het aantekenen van bezwaar bij de officier van justitie of het indienen van een artikel 12 Sv-beklag. 4.11. Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat ook het beroep van [eiser] op artikel 12 Wpg hem niet baat. Artikel 12 Wpg geeft de Politie de bevoegdheid om politiegegevens over informanten te verwerken en vormt geen grondslag om politiegegevens over informanten te verstrekken, nog daargelaten dat geen aanwijzingen bestaan dat het in dit geval om een gegevens betreffende een informant gaat. Slotsom en proceskosten 4.12. Het voorstaande leidt tot de conclusie dat er geen grondslag bestaat om af te wijken van de verplichting tot geheimhouding van de politiegegevens waarvan [eiser] inzage vordert. Zijn vordering wordt dan ook afgewezen. 4.13. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Politie worden begroot op: - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.999,00 4.14. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst de vordering af; 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Politie van € 1.999,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.3. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.4. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026. idt Een camera die wordt ingezet ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats op grond van artikel 151c van de Gemeentewet. Op grond van artikel 25 Wpg heeft een betrokkene er recht op om op verzoek inzage en informatie te krijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegeven. Zie in dit verband ook ABRvS 13 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1504, waarin de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van Staat heeft geoordeeld dat artikel 19 Wpg een grondslag biedt voor het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 1:3 lid 1 Awb, waartegen bij de bestuursrechter beroep kan worden ingesteld als het gaat om het verstrekken van politiegegevens waarbij de belangen van anderen dan de verzoeker zijn betrokken. Voor degenen die door dat besluit rechtstreeks in hun belang worden getroffen staat dezelfde rechtsgang openstaat als die welke beschikbaar is voor degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een besluit genomen krachtens artikel 25 (https://www.inview.nl/openCitation/idb4e159f45f7ed677dec93d8c2081d8d4) of 28 (https://www.inview.nl/openCitation/idd396adaa5f8efc15de849ac69c623eb6) van de Wpg), en Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 juli 2018, (ECLI:NL:RBZWB:2018:4830, waarin op grond van de overwegingen van de Afdeling wordt geconcludeerd dat artikel 19 Wpg geen basis biedt om op te kunnen komen tegen de afwijzing van een verzoek om verstrekking van politiegegevens betreffende een ander).