Rechtbank Amsterdam, 06-08-2026 (13-105253-26)
Tussenuitspraak. Executie-EAB uit Letland. Voortzetting na tussenuitspraak van 17 juni 2026. Artikel 11 OLW: met de verstrekte informatie is onvoldoende antwoord gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie geplaatst wordt. De rechtbank neemt een individueel gevaar aan voor de opgeëiste persoon. De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en stelt een redelijke termijn. Het onderzoek wordt heropend en voor onbepaalde tijd geschorst.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-105253-26 Datum uitspraak: 6 augustus 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2024 door the Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia , Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Letland) zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 3 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Letse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 17 juni 2026 De rechtbank heeft bij deze tussenuitspraak het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder punt 6 vermelde vragen over de detentieomstandigheden (in het kader van artikel 11 OLW) aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW verlengd met 30 dagen onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 23 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, en door een tolk in de Letse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 17 juni 2026 De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak, waarin zij reeds heeft geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4) en de strafbaarheid van het in het in EAB vermelde feit (onder 5). Deze overwegingen dienen als hier ingelast te worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW: Letse detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 17 juni 2026. Naar aanleiding van de vragen die de rechtbank heeft geformuleerd in de tussenuitspraak, heeft het Openbaar Ministerie op 23 juni 2026 aanvullende vragen gesteld aan de Letse autoriteiten. De Letse autoriteiten hebben bij aanvullende informatie van 7 juli 2026 onder meer het volgende medegedeeld op die vragen: “The Administration would like to repeatedly inform that in case of [de opgeëiste persoon] ’s extradition to the Republic of Latvia, [de opgeëiste persoon] will initially be placed in the Remand (Investigation) Prison Section of the Liepāja Prison. In accordance with Section 13 of the Sentence Execution Code of Latvia (hereinafter — the Code), the placement of convicted persons in a specific deprivation of liberty institution is determined by the head of the Administration, taking into consideration medical, security and crime prevention criteria. In addition, when deciding on the aforementioned matter, the head of the Administration also takes into consideration the sentence enforcement regime imposed on the specific convicted person and the number of available spaces in deprivation of liberty institutions. In light of the above-mentioned and the fact that [de opgeëiste persoon] will initially be placed in the Remand (Investigation) Prison Section of Liepāja Prison, the Administration would like to indicate that [de opgeëiste persoon] ’s place of imprisonment will be Liepāja Prison. (...) the specially planned, designed, and implemented infrastructure allows for the supervision of imprisoned persons to be carried out with fewer staff resources. In Liepāja Prison, the imprisoned persons are placed in individual cells rather than dormitory-style rooms. The advantages of new technologies provide a significant boost in the areas of supervision, security, and safety, thereby allowing the staff to focus much more on rehabilitation and safety measures, reducing the commission of new criminal offenses, and onwards in daily operations placing greater emphasis on putting effort to change the behaviour of an imprisoned person and to eliminate informal hierarchies. (....) It is not possible to provide every imprisoned person with a single-occupancy cell, but in the event of a threat, the relevant person is immediately transferred to a single-occupancy cell, small-capacity cell, or to another cell; however, if the threat is very serious, the relevant person may also be transferred to another prison. In special cases, when a person is testifying in criminal proceedings, special procedural protection may also be applied by accommodating the person separately from other imprisoned persons. (...) All places of imprisonment are equipped with video surveillance cameras and it helps officials to immediately react to threats, suspicious or violent behaviour, and to prevent physical and emotional violence among imprisoned persons, especially in areas where a larger number of prisoners may be held, also if they are from different cells. Given that the use of video surveillance cameras in places of imprisonment reduces the possibility of influencing prisoners from 'lower caste', it also contributes to reducing the prevalence of informal hierarchies among imprisoned persons. Technical means are also used to prevent unauthorized objects from being brought into places of imprisonment, which also reduces the influence of the informal hierarchy among prisoners. The Administration also informs that imprisoned persons’ safety is assured by carrying out regular inspections and supervision. The prison staff are trained in conflict solving and violence prevention. (...) In addition, it should be noted that prison officials carry out both scheduled and unscheduled inspections of cells (including units, living quarters, common areas, etc.), thus systematically monitoring the behaviour of imprisoned persons, the presence of injuries, and the general atmosphere in the room. Uninterrupted 24-hour monitoring helps staff to quickly identify potential conflicts, situations of tension or signs of emotional distress. Regular patrolling by staff ensures that imprisoned persons are not left unattended for too long, thus reducing the likelihood of violence." Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie een herhaling is van de eerder verstrekte informatie en te algemeen van aard is om het reële gevaar ten aanzien van de waarborging van de grondrechten te kunnen wegnemen. Nog steeds kan niet worden vastgesteld waar de opgeëiste persoon daadwerkelijk zijn detentie zal ondergaan, nu in de aanvullende informatie slechts staat dat de opgeëiste persoon initially zal worden geplaatst in Liepāja Prison . Ook is onduidelijk welke concrete individuele beschermingsmaatregelen voor hem zullen gelden en op welke wijze wordt voorkomen dat hij zal worden blootgesteld aan de vernederende gevolgen van het informele kastenstelsel. De aanvullende informatie bevat bovendien geen inzicht in de effectiviteit van de maatregelen. De raadsvrouw heeft verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de laatste aanvullende informatie volstaat om het eerder vastgestelde algemene reële gevaar weg te nemen. De opgeëiste persoon zal in Liepāja prison worden gedetineerd. Deze gevangenis is gebouwd om de problemen, zoals genoemd in het CPT-rapport tegen te gaan. Deze gevangenis is nog maar vijf maanden open, dus van de Letse autoriteiten kan niet worden verwacht dat zij nu al de effecten van de nieuwe maatregelen kunnen vermelden. Bovendien gelden deze nieuwe maatregelen voor alle gevangenen in Liepāja prison , waardoor de algemene garantie ook voor de opgeëiste persoon geldt. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat zij - in lijn met de rechtspraak van het HvJ EU in de zaak Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) , ook wel de zaak ML genoemd - in haar beoordeling van de Letse detentieomstandigheden alleen Liepāja prison moet onderzoeken . Uit de aanvullende informatie van 7 juli 2026 blijkt voldoende duidelijk dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in Liepāja prison zal worden geplaatst als de overlevering wordt toegestaan. De aanvullende informatie geeft geen aanleiding om te oordelen dat de opgeëiste persoon al binnen zeer korte termijn na zijn aankomst in Letland naar een andere detentie-instelling dan Liepāja prison zal worden overgeplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank is echter met de verstrekte informatie onvoldoende antwoord gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie geplaatst wordt. De informatie die is gegeven, is van algemene aard en ziet niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon, en is in feite een herhaling van de informatie die op 8 mei 2026 is verstrekt. Er wordt onvoldoende informatie verschaft over eventuele proactieve maatregelen die binnen Liepāja prison worden genomen om de gevaren zoals genoemd in het CPT-rapport , waaronder de in punten 45 tot 60 van dat rapport omschreven vernederende aspecten van het kastenstelsel, tegen te gaan. Gelet op het voorgaande is het vastgestelde algemene gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Bij deze stand van zaken is er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld. Nu er een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon wordt aangenomen, moet de rechtbank de beslissing over de overlevering aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is, omdat het niet ondenkbaar is dat aanvullende informatie wordt verstrekt waarmee het algemene gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, OLW, op de volgende zitting nagaan of, binnen een redelijke termijn, een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. De voortzetting van de zaak zal daarvoor worden ingepland in de periode van 8 september 2026 tot en met 17 september 2026. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 6 augustus 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de beslistermijn met 60 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen. 5 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland in de periode van 8 september 2026 tot en met 17 september 2026. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 5 oktober 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:6675. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:539 ( Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 87. Report to the Latvian Government on the visit to Latvia carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 22 to 31 May 2024, 26 February 2025.