Rechtbank Amsterdam, 29-07-2026 (13-151053-26)
Executie-EAB uit België. Tussenuitspraak om de officier van justitie, in het kader van artikel 12 OLW, in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of de verstrekte detentiegarantie onvoorwaardelijke is. Artikel 11 OLW: het vastgestelde algemene gevaar wordt door de verstrekte detentiegarantie voor de opgeëiste persoon weggenomen.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-151053-26 Datum uitspraak: 29 juli 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 5 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 mei 2026 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 juli 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. J. Zaim, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg Antwerpen - afdeling Antwerpen van 1 oktober 2025 met vonnisnummer 2025/4836 en dossiernummer 24CO42257 - AN36.L6.4379-2024. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in België. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig, al staat in onderdeel c) onder 2 ook vermeld dat deze gevangenisstraf nog moet worden verminderd met ‘ de reeds ondergane voorhechtenis van 25 juli 2024 tot 4 december 2024 ’. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Het EAB vermeldt in onderdeel d): “2. Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing. 3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar - de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en - de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en - de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet (namelijk 15 dagen) of hoger beroep aan te tekenen (namelijk 30 dagen). Wat betreft de procedurele aspecten kan ik u het volgende meedelen: De dagvaarding werd overeenkomstig Belgisch recht rechtsgeldig betekend op 29-04- 2025 via de gerechtsdeurwaarder [naam] aan het adres van betrokkene te Nederland, [adres 2] . Het verstekvonnis werd overeenkomstig Belgisch recht rechtsgeldig betekend op 19-11-2025 via de gerechtsdeurwaarder [betrokkene 2] aan het adres van betrokkene te Nederland, [adres 2] . Artikel 187 Wetboek Strafvordering: §1.De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen (...).” Op 2 juli 2026 is door het Internationale Rechtshulp Centrum (hierna: IRC ) de volgende vraag aan de Belgische uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. “Kunt u aangeven dat er ex artikel 187 van het Belgische Wetboek Strafvordering sprake is van een onvoorwaardelijke verzetgarantie ten behoeve van dhr [de opgeëiste persoon] ?” Op 2 juli 2026 is van het Parket van de procureur des Konings Antwerper Turnhout de volgende informatie ontvangen. “ Betrokkene heeft steeds het recht verzet aan te tekenen. De rechtbank beoordeelt vervolgens de ontvankelijkheid van het rechtsmiddel aan de hand van de bepalingen van artikel 187 Wetboek van Strafvordering .” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Het IRC heeft de Belgische autoriteiten uitdrukkelijk gevraagd of er sprake is van een onvoorwaardelijke verzetgarantie. Het antwoord van de Belgische autoriteiten bevat geen ondubbelzinnige bevestiging dat de opgeëiste persoon na overlevering daadwerkelijk recht heeft op een nieuwe behandeling ten gronde. Integendeel, de Belgische autoriteiten stellen uitdrukkelijk dat de Belgische rechter eerst de ontvankelijkheid van het rechtsmiddel zal beoordelen. De Belgische autoriteiten hebben niet gegarandeerd dat het verzet van de opgeëiste persoon ontvankelijk zal worden verklaard, dat het verzet niet als ongedaan zal worden beschouwd, dat de opgeëiste persoon zonder verdere inhoudelijke beoordeling van zijn eerdere afwezigheid toegang krijgt tot een nieuwe behandeling, dat het oorspronkelijke vonnis na het instellen van verzet zijn werking verliest, dat de opgeëiste persoon tijdens een nieuwe behandeling aanwezig mag zijn en zich door een advocaat kan laten verdedigen, dat de zaak opnieuw volledig ten gronde wordt beoordeeld en nieuw bewijsmateriaal kan worden toegelaten en dat de oorspronkelijke beslissing kan worden herzien. Daarmee is niet voldaan aan de door Nederland uitdrukkelijk gevraagde onvoorwaardelijke garantie en dient de overlevering te worden geweigerd. De rechtbank heeft geen reden af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft geen afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Evenmin is vastgesteld dat hij bewust en ondubbelzinnig van het proces op de hoogte was en er vrijwillig voor heeft gekozen niet te verschijnen. Er is geen sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon misbruik maakt van zijn procesrechten of doelbewust heeft geprobeerd de Belgische procedure te frustreren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte verzetgarantie voldoende onvoorwaardelijk is. De officier van justitie heeft verwezen naar de uitspraken van de rechtbank van 7 augustus 2025 en 31 juli 2024 , waarbij in vergelijkbare gevallen de verstrekte verzetgarantie voldoende onvoorwaardelijk is bevonden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De rechtbank mag in dit geval de overlevering niet weigeren als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat: de beslissing na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend; én de opgeëiste persoon uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep; én de opgeëiste persoon het recht heeft aanwezig te zijn bij de verzetprocedure of de procedure in hoger beroep; én de zaak in die procedure opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten; én die procedure kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; én de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de in het EAB vermelde termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep moet aantekenen. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de informatie uit het EAB en de aanvullende informatie niet aan de hierboven weergegeven eisen van artikel 12, sub d, OLW. Ondanks dat de rechtbank in eerdere uitspraken de in het EAB vermelde verzetgarantie als voldoende heeft geoordeeld ziet zij in deze zaak aanleiding om nadere vragen te stellen. . Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt namelijk dat de beslissing of het verzet ontvankelijk is, zal afhangen van het feit of de Belgische rechter van oordeel is dat de opgeëiste persoon op enig moment op de hoogte is gesteld van de veroordeling. Nu uit de toelichting op de verzetgarantie in het EAB blijkt dat zowel de dagvaarding als het verstekvonnis rechtsgeldig werden betekend aan het adres van de opgeëiste persoon in Nederland, vraagt de rechtbank zich af of deze betekeningen van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen na te gaan bij de uitvaardigende autoriteit of er aanwijzingen zijn in het dossier van de Belgische strafzaak dat de opgeëiste persoon op enig moment op de hoogte is geraakt van het Belgische vonnis, in het bijzonder of de betekening van het vonnis op 19 november 2025 aan hem in persoon is gedaan, of gelet op die informatie het aannemelijk is dat het recht op verzet niet-ontvankelijk zal worden verklaard of dat er vanuit gegaan kan worden dat de opgeëiste persoon hoe dan ook een nieuw proces zal krijgen, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn bij de verzetprocedure of de procedure in hoger beroep en dat de zaak in die procedure opnieuw ten gronde wordt behandeld, nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die procedure kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. 5 Strafbaarheid 5.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit C aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van België maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten A, B, D en E niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen; opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken; opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie. 7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat bij brief van 22 juni 2026, afkomstig van de administratief deskundige (namens de minister) bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende detentiegarantie is gegeven ten aanzien van de opgeëiste persoon: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende “ activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De verstrekte detentiegarantie is onvoldoende concreet en volledig om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon uit te sluiten. Een gegarandeerde individuele leefruimte van minimaal 3 m² vormt de absolute ondergrens waaronder een sterk vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest kan ontstaan. De verstrekte garantie vermeldt dat de oppervlakte wordt berekend inclusief vast meubilair. Niet duidelijk is hoeveel daadwerkelijk vrij beweegbare vloeroppervlakte overblijft wanneer het meubilair van de totale oppervlakte worden afgetrokken. Bij meerpersoonscellen is bovendien niet vermeld met hoeveel personen de opgeëiste persoon maximaal op één cel kan worden geplaatst, hoeveel uur hij in die cel zal verblijven, of de minimumoppervlakte ook gedurende perioden van uitzonderlijke overbevolking wordt gegarandeerd en hoe controle plaatsvindt op de naleving van de garantie. In de garantie staat daarnaast niet hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon daadwerkelijk buiten zijn cel kan verblijven. Wel wordt vermeld dat er voor sport en arbeid aanzienlijke wachtlijsten bestaan. De omstandigheden van de gegarandeerde minimale persoonlijke leefruimte en de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld. De garantie noemt de gevangenis van Dendermonde als detentie-instelling. Niet is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon gedurende de volledige periode van zijn detentie in deze inrichting zal blijven. Evenmin is gegarandeerd dat bij een overplaatsing naar een andere Belgische inrichting dezelfde individuele voorwaarden onverkort blijven gelden. De garantie dient aan de persoon verbonden te zijn en niet alleen aan zijn aanvankelijke plaatsing. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen te stellen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De verstrekte detentiegarantie neemt het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg. In de garantie staat dat de opgeëiste persoon minimaal zal beschikken over 3 m2 persoonlijke ruimte en dat hij niet op de grond zal slapen. Oordeel van de rechtbank Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld gaat de rechtbank aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT-standaarden). De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de raadsman geformuleerde vragen te stellen en wijst het daartoe strekkende verzoek dan ook af. 8 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank hiervoor onder 4 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. BEPAALT dat de zaak uiterlijk 20 augustus 2026 (zijnde 7 dagen voor het verstrijken van de beslistermijn op 27 augustus 2026) opnieuw op zitting moet worden aangebracht. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. M. Westerman en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG113126674952FÈ G113126674952 Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2025:5819 ECLI:NL:RBAMS:2024:4765 Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7937. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.