Rechtbank Amsterdam, 05-08-2026 (1311968426)
Vervolgings-EAB België; artikel 7 OLW: EAB ziet ook op "deelname aan een criminele organisatie" gelet op de feitsomschrijving; artikel 11 OLW: detentiegarantie volstaat; overlevering toegestaan.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-119684-26 Datum uitspraak: 5 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2026 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 juli 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. L. van Poucke, advocaat in Eindhoven. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd door de rechtbank van Eerste Aanleg Limburg op 15 april 2026 met kenmerk HA I 25/091 - HA60.L8.5895/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit “deelneming aan een criminele organisatie” ten onrechte is aangekruist nu de overlevering niet voor dit feit wordt verzocht, maar alleen voor de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit de mail van 16 juli 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt namelijk niet dat de overlevering ook wordt gevraagd voor deelneming aan een criminele organisatie en ook is geen strafmaximum voor dit feit genoemd in het EAB of de aanvullende informatie. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Ten aanzien van het door de officier van justitie ingenomen standpunt overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank moet beoordelen of de overlevering kan worden toegestaan voor het feit(encomplex) dat in het EAB onder e) wordt omschreven. Uit die omschrijving volgt dat de overlevering van de opgeëiste persoon onder meer wordt verzocht voor deelname aan een criminele organisatie. Zo staat in de feitsomschrijving dat een organisatie die zich bezighoudt met het telen van cannabis onder leiding zou staan van de opgeëiste persoon. Uit onderdeel c) van het EAB blijkt verder dat er maximaal 10 jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd voor het feit, hetgeen is bevestigd in de aanvullende informatie van 16 juli 2026, waarbij is verwezen naar de Belgische kwalificatie van de feiten “ volgens de drugswet van 24/02/1921 en het KB van 06/09/2017” . De aanwijzing van de in het feitencomplex genoemde feiten als lijstfeiten is niet relevant voor de vraag voor welk(e) feit(en) de overlevering wordt toegestaan, maar slechts voor de vraag of de strafbaarheid daarvan naar Nederlands recht moet worden onderzocht. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt de rechtbank daaraan niet toe. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Bij brief van 1 juli 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven: “1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Hasselt indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Oordeel van de rechtbank De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 1 juli 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. L. Sanders en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB. Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.