Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:6507 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 24-06-2026 (13/087029-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vervolgings-EAB uit België. Genoegzaamheid: met de uitgebreide omschrijving van de feiten in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht en wat zijn vermeende rol daarin is geweest. Verder is sprake van een overlevering in het kader van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek, waardoor een nadere specificatie van de verdenking thans niet nodig is. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Strafbaarheid van het feit: het A-formulier bevat een kennelijke verschrijving. De rechtbank baseert haar oordeel op de lijstfeiten die zijn aangekruist in het EAB. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon beroept zich op de gegeven terugkeergarantie. Artikel 13 OLW: het gegeven dat het feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, geeft onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Artikel 11 OLW: het door de raadsman overgelegde verslag laat zien dat, zoals eerder door de rechtbank is geoordeeld, er een reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan.

How it connects

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-087029-26 Datum uitspraak: 24 juni 2026 UITSPRAAK op de vordering van 16 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2026 door een onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. Faber, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd door de onderzoeksrechter op 4 maart 2026 met referentienummer 2025/064. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat het EAB niet genoegzaam is en dat de overlevering moet worden geweigerd. Er is niet gespecificeerd waar de hand- en spandiensten, die de opgeëiste persoon volgens het EAB zou hebben verricht, uit zouden bestaan. Bovendien zijn de verschillende feitelijke omschrijvingen in het EAB en het A-formulier niet met elkaar te verenigen. Deze leiden tot aanzienlijke onduidelijkheid over de aard en omvang van de verdenking. Hierdoor is het voor de opgeëiste persoon niet duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en wordt naleving van het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat op dit punt aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB genoegzaam is. In de stukken is duidelijk omschreven van welke feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht, wat zijn rol vermoedelijk is geweest en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Nu het gaat om een vervolgings-EAB en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, hoeft de verdenking naar vaste jurisprudentie nog niet volledig uitgekristalliseerd te zijn. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de uitgebreide omschrijving van de feiten in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht en wat zijn vermeende rol daarin is geweest. De rechtbank overweegt verder dat sprake is van een overlevering in het kader van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek, waardoor een nadere specificatie van de verdenking thans niet nodig is. De precieze gang van zaken met betrekking tot de hand- en spandiensten waarvan de opgeëiste persoon in België volgens het EAB mede wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. In verband met het voorgaande is de naleving van het specialiteitsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de aankruising van het lijstfeit illegale handel in wapens, munten en explosieven in het A-formulier en de verdenking daarvan zich op geen enkele manier verhoudt tot de stukken. Het is onduidelijk op welke feiten deze verdenking is gebaseerd en hoe deze verdenking zich verhoudt tot de in het EAB genoemde verdenking van de invoer en handel in verdovende middelen. De overlevering dient te worden geweigerd. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat hierover aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vermelding van het lijstfeit illegale handel in wapens, munten en explosieven in het A-formulier een kennelijke verschrijving betreft en dat dient te worden uitgegaan van de lijstfeiten zoals aangekruist in het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit. De kennelijke verschrijving in het A-formulier staat niet aan de overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. De rechtbank merkt op dat het A-formulier het lijstfeit illegale handel in wapens, munitie en explosieven vermeldt en stelt vast dat dit een kennelijke verschrijving betreft. De rechtbank neemt de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB in aanmerking en baseert haar oordeel dan ook op de lijstfeiten die zijn aangekruist in het EAB. Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. Het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 21 april 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 83 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).“ Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Inleiding Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW van toepassing is en dat de overlevering moet worden geweigerd. Het feit is gedeeltelijk op Nederlands grondgebied gepleegd en een aanzienlijk deel van het onderzoek heeft op Nederlands grondgebied plaatsgevonden. Bovendien wordt ten minste één medeverdachte in Nederland vervolgd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW van toepassing is en verzoekt om van toepassing van deze weigeringsgrond af te zien. De officier van justitie voert ter onderbouwing hiervan aan dat het onderzoek is aangevangen in België, de bewijsmiddelen in België in beslag zijn genomen en zich daar bevinden, de medeverdachten in België worden vervolgd, de Belgische rechtsorde is geraakt door het strafbare feit en het Openbaar Ministerie niet voornemens is om onderzoek te doen naar dit feit. Er bestaat daarnaast geen indicatie dat een medeverdachte in Nederland voor hetzelfde feitencomplex wordt vervolgd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden, het gegeven dat het feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 8 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 8 mei 2026, afkomstig van de adviseur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden in Brussel de volgende algemene detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB, omdat voor de opgeëiste persoon een algemeen en individueel reëel gevaar op een onmenselijke en vernederende behandeling bestaat in detentie in de gevangenis in Antwerpen. De raadsman verwijst hierbij naar het Jaarverslag 2025 van de Commissie van Toezicht Antwerpen. Uit dit verslag blijkt dat in de gevangenis in Antwerpen in 2025 sprake was van overbevolking, grondslapers en een erbarmelijke verblijfsomgeving door schimmelvorming, muizenoverlast en defecte ramen. Het verslag toont aan dat van eerder gegeven garanties door de Belgische autoriteiten voor de gevangenis in Antwerpen in voorgaande zaken niet kon worden uitgegaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie neemt geen standpunt in ten aanzien van artikel 11 OLW. Oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar op een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen. Het Jaarverslag 2025 van de Commissie van Toezicht Antwerpen waarnaar de raadsman verwijst, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dit verslag laat zien dat, zoals eerder door de rechtbank is geoordeeld, er een reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Daaruit volgt niet dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden dat er op voorhand aan moet worden getwijfeld of de voor de opgeëiste persoon verstrekte garantie wel zal of kan worden nageleefd. Met betrekking tot de door de raadsman genoemde materiële gebreken merkt de rechtbank op dat in het jaarverslag ook wordt vermeld dat de directie van de penitentiaire inrichting, na tussenkomst van de Commissie van Toezicht, hierop direct actie heeft ondernomen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan een onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47). ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.

Similar Content