Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Nederland ·ECLI:NL:RBNNE:2026:3518 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Nederland, 11-08-2026 (LEE 26/2424)

Rechtbank Noord-Nederland
Summary

Verzoek om voorlopige voorziening; verzoek om schorsing evenementenvergunning Noorderzonfestival. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit enkele gebreken bevat, maar dat deze gebreken in bezwaar te herstellen zijn en wijst de gevraagde voorziening daarom af. De gebreken zien op de bevoegdheid om het besluit te nemen en de onduidelijkheid van enkele voorschriften ter bescherming van de bomen in het plantsoen. De gronden over de procedure, de aanvraag, de advisering door derden en de belangenafweging slagen niet. De grond over veiligheid in verband met glaswerk valt buiten de omvang van deze procedure en is een handhavingskwestie.

How it connects

Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/2424 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster en De Burgemeester van de gemeente Groningen, de burgemeester (gemachtigde: J. Christensen). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Noorderzon Groningen uit Groningen (vergunninghouder). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verlening van een evenementenvergunning aan vergunninghouder. De vergunning ziet op het festival Noorderzon 2026 in het Noorderplantsoen in Groningen. Verzoekster is het niet met deze vergunning eens. Zij verzoekt om de vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Vergunninghouder heeft op 18 mei 2026 een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning voor het Noorderzon festival of performing arts & Society van 20 t/m 30 augustus 2026 in het Noorderplantsoen te Groningen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (het college) heeft deze vergunning met het besluit van 13 juli 2026 verleend. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat alleen de vergunde activiteiten in de binnenstad plaats mogen vinden en de activiteiten in en rond het Noorderplantsoen niet. 2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester. Namens de burgemeester was ook M. Nijenhuis, vergunningverlener evenementenmanagement, aanwezig. Namens vergunninghouder waren R. Gernant en N. de Vries aanwezig. Op dezelfde dag heeft de voorzieningenrechter het dictum telefonisch aan partijen meegedeeld. Beoordeling door de voorzieningenrechter Omvang van het geding 3. In haar verzoekschrift (en andere stukken) gaat verzoekster niet alleen in op de door haar bestreden vergunning. Zij uit daarin ook haar ongenoegen over een aantal andere zaken, zoals haar contactverbod met de gemeente en machtsmisbruik door de rechtbank. Ook gaat zij uitgebreid in op wat zij noemt “het failliet van het vertrouwen in de democratie, de rechtsstaat en de medemens”. De voorzieningenrechter moet en zal zich beperken tot een beoordeling van de argumenten van verzoekster die betrekking hebben op de door haar bestreden evenementenvergunning. De opvattingen van verzoekster over andere onderwerpen neemt de voorzieningenrechter voor kennisgeving aan. Afwijzen ordemaatregel 4. Verzoekster heeft vrijdag 7 augustus 2026 schriftelijk gevraagd om een ordemaatregel, waarbij zij verzocht om de opbouwwerkzaamheden, die vanaf 10 augustus 2026 plaatsvinden, te verbieden. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 7 augustus 2026 mondeling afgewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gevraagde ordemaatregel verstrekkend is terwijl de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening op zitting gepland was voor 11 augustus 2026. Bij het opleggen van een ordemaatregel zou geen hoor en wederhoor mogelijk zijn en de voorzieningenrechter had geen aanwijzingen dat de twee dagen (maandag 10 en dinsdag 11 augustus) tussen de start van de opbouw en de behandeling van het verzoek op de zitting tot grote of onomkeerbare schade zou leiden. Bevoegdheid om evenementenvergunning te verlenen 5. Verzoekster voert aan dat het besluit onbevoegd genomen is, omdat de burgemeester bevoegd is om het besluit te nemen en niet het college. 5.1. De voorzieningenrechter overweegt dat, op grond van artikel 2:16 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APVG), de burgemeester bevoegd is om een evenementenvergunning te verlenen. Het besluit van 13 juli 2026 is genomen door het college. Het besluit is dus onbevoegd genomen. Dit gebrek kan echter in bezwaar hersteld worden. Ter zitting is ook door de burgemeester toegezegd dat zij dit zal doen. Procedure 6. Verzoekster stelt dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen, omdat zij beperkt is in haar mogelijkheden om te reageren op de aanvraag. Zij stelt daartoe dat zij de aanvraag niet ontvangen heeft en ook de onderliggende stukken, zoals het advies van de Veiligheidsregio niet. Zij heeft daardoor geen zienswijze kunnen geven. Ook stelt zij dat bepaalde stukken bij de aanvraag voor haar onleesbaar zijn. Verzoekster vindt het daarnaast onbegrijpelijk dat haar bezwaar pas behandeld wordt na het evenement en dat zij een voorlopige voorziening moet vragen bij de rechtbank om wel een tijdig antwoord te krijgen, waarvoor zij bovendien kosten moet maken. 6.1. De voorzieningenrechter overweegt dat de aanvragen voor en de kennisgeving van de verleende vergunningen op de juiste wijze zijn gepubliceerd. Dat betwist verzoekster ook niet. De burgemeester is niet gehouden om de aanvragen voor de vergunningen en de onderliggende stukken aan eiseres persoonlijk toe te sturen. Nadat verzoeksters bezwaar had gemaakt, had zij recht op inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken. Eiseres heeft een dag nadat zij bezwaar had gemaakt, ook verzocht om een voorlopige voorziening. In de verzoekschriftprocedure zijn vervolgens op 29 juli 2026 alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegestuurd. De rechtbank heeft deze stukken doorgestuurd aan verzoekster. 6.2. Over het feit dat de behandeling van het bezwaar plaatsvindt na het evenement overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester een wettelijke termijn heeft om te beslissen op het bezwaar. Het klopt dat die termijn eindigt na het evenement, maar dat maakt de vergunning niet onrechtmatig. Uit de wet volgt dat het bezwaar de vergunningen niet schorst. Wil verzoekster voorkomen dat deze vergunningen in werking treden, dan kan zij verzoeken om een voorlopige voorziening en dat heeft zij ook gedaan. Uit de wet volgt dat hieraan kosten (griffierecht) zijn verbonden. Deze regels gelden voor iedereen en niet valt in te zien waarom zij niet voor verzoekster zouden gelden. 6.3. Gelet op bovenstaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is gebleken dat bij de vergunningverlening en bij de behandeling van het bezwaar onzorgvuldig is gehandeld door burgemeester en/of het college. Wat verzoekster heeft gesteld over de procedure, is geen aanleiding om de vergunning te schorsen. Aanvraag en onderliggende stukken 7. Verzoekster stelt dat het onterecht is dat vergunninghouder de aanvraag meermaals heeft mogen aanvullen, tot aan 25 juni 2026. Verzoekster stelt bovendien dat de aanvraag alsnog niet volledig is, omdat de opbouw van tien dagen en de afbouw van vijf dagen niet is aangevraagd. Ook is bij de aanvraag geen advies van de politie overgelegd. Uit de aanvraag blijkt evenmin hoeveel publiek op het terrein aanwezig zal zijn. Er is ook geen bodemverdichtingsonderzoek uitgevoerd. 7.1. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de wet niet volgt dat een aanvraag in één keer (volledig) ingediend moet worden. Als de aanvraag niet volledig is, moet een bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid te stellen om de aanvraag aan te vullen. Daarbij kan een bestuursorgaan een termijn stellen. De wet geeft geen termijn waarbinnen een aanvraag uiterlijk compleet moet zijn, het is aan het bestuursorgaan om hier termijnen voor te stellen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen, doordat vergunninghouder de aanvraag heeft mogen aanvullen tot 25 juni 2026. Iedere aanvrager heeft, met inachtneming van het voorgaande, het recht een aanvraag aan te vullen en dat geldt ook voor vergunninghouder. 7.2. Voor zover verzoekster bedoelt dat de evenementenvergunning geweigerd moest worden omdat de aanvraag niet veertien weken voor het evenement is ingediend, geldt het volgende. Het niet tijdig indienen van de aanvraag kan reden zijn de evenementenvergunning te weigeren, maar alleen als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Kennelijk vond de burgemeester dat de aanvraag nog behoorlijk behandeld kon worden en het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat dat standpunt onjuist is. 7.3. Over het ontbreken van stukken of informatie overweegt de voorzieningenrechter dat de op- en afbouw wel is aangevraagd en dat in de onderliggende stukken (zoals de aanvraag, het draaiboek en het veiligheidsplan) een maximumaantal bezoekers wordt genoemd van 20.000 per dag, waarvan maximaal 10.000 tegelijk op het terrein en 135.000 tot 140.000 voor het hele festival. Die stukken maken onderdeel uit van de vergunning. Uit het dossier blijkt ook dat de politie betrokken is bij de verlening van de evenementenvergunning. Verder is er geen wettelijke bepaling die verplicht tot het overleggen van een bodemverdichtingsonderzoek. Bovendien zijn in de vergunning voorschriften opgenomen ter borging van de veiligheid en bescherming van de ondergrond. Verzoekster is het daar duidelijk niet mee eens, maar zij heeft niet onderbouwd waarom deze vergunningvoorschriften onvoldoende zijn. 7.4. De gang van zaken rond de behandeling van de aanvraag vormt geen aanleiding de verleende vergunning te schorsen. Advisering brandweer 8. Verzoekster stelt dat het advies van de brandweer gebreken vertoont. Verzoekster vraagt zich af hoe het kan dat het advies van 28 mei 2026 tot 13 juli 2026 bij de brandweer op de plank heeft gelegen en vindt het vreemd dat het advies op dezelfde datum is genomen als het besluit tot vergunningverlening. Daarnaast stelt verzoekster dat de brandweer zelf geen onderzoek heeft gedaan, maar zich alleen heeft gebaseerd op een onleesbare plattegrond. De brandweer heeft zich ook alleen gebaseerd op een folder en niet op de wettelijk vastgestelde richtlijn. 8.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze bezwaren van verzoekster zich richten op de procedure rond het brandweeradvies. Zij heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat of waarom het advies van de brandweer inhoudelijk onjuist is. 8.2. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het bij de vergunning gevoegde advies van de brandweer blijkt dat de aangeleverde documenten getoetst zijn aan het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (BGBOP). Uit het advies blijkt dat de toets heeft plaatsgevonden aan de hand van de bij de vergunning aangeleverde documenten, waaronder een draaiboek en een veiligheidsplan. Voorts blijkt uit het draaiboek dat de brandweer met vergunninghouder ter plaatse een controle zal houden. Het is de voorzieningenrechter daarom niet gebleken dat het advies gebrekkig tot stand is gekomen. Verzoekster heeft ook niet onderbouwd waarom een behandeltermijn voor advisering van 28 mei tot 13 juli 2026 ongebruikelijk of onzorgvuldig is. Hetzelfde geldt de datum van advies en besluit tot vergunningverlening. 8.3. De gang van zaken rond het inhoudelijk niet door verzoekster betwiste brandweeradvies is, wat daar verder van zij, geen aanleiding om de vergunning te schorsen. Verkeer en parkeren 9. Verzoekster vindt het onevenredig dat de Kerklaan voor het festival wordt afgezet en dat het verkeer moet wijken voor het evenement. Verzoekster stelt daarnaast dat ten onrechte parkeerplaatsen zijn vergund op de halfverharding, Gralux, omdat hierdoor een onaanvaardbare verdichting van de kwetsbare grond ontstaat. Verzoekster stelt verder dat de fietsenrekken op de voetpaden niet vergund hadden mogen worden. 9.1. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster veel stelt en duidelijk haar mening geeft, maar haar stellingen niet concreet onderbouwt. Zij heeft bijvoorbeeld niet onderbouwd waarom het onevenredig is dat de Kerklaan voor het festival wordt afgezet en dat het verkeer moet wijken. Het is heel duidelijk dat zij het niet eens is met de vergunningen, maar het is niet duidelijk waarom het volgens verzoekster onzorgvuldig of onevenredig is dat de vergunning op deze wijze is verleend. De burgemeester heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de in de vergunning genoemde onderwerpen, zoals (overlast voor het) verkeer en het belang van behoud/bescherming van het plantsoen, zorgvuldig in een belangenafweging meegenomen zijn in de besluitvorming. Wat verzoekster daarover gesteld heeft, geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de verkeers- en parkeermaatregelen niet onevenredig zijn. Belangen natuur en omwonenden onvoldoende meegenomen 10. Verzoekster stelt dat de vergunning is verleend in strijd met het locatieprofiel Noorderplantsoen , omdat de vergunning toestaat dat er gebouwd wordt op de fonteinvijver. Ook is de vergunning verleend in strijd met het evenementenbeleid, omdat geluid tot 3:00 uur ’s nachts wordt toegestaan en er tot laat op- en afgebouwd mag worden. Het geluid is bovendien tot 200 meter hoorbaar. Verzoekster stelt daarnaast dat de vergunning niet verleend had mogen worden, omdat er nog steeds schade aan de natuur zichtbaar is van Noorderzon 2025. Hieruit blijkt dat het evenement leidt tot onherstelbare schade aan bomen, beplanting en de dieren van het Noorderplantsoen. Dit wordt nog verergerd doordat deze vergunning 20.000 bezoekers per dag toestaat, met een maximum per dag van 10.000 bezoekers tegelijk. De vergunning geeft bovendien geen maximumaantal toegestane bezoekers. Eiseres snapt daarnaast niet dat de vergunning het gebruik van vuurwerk toestaat. 10.1. De voorzieningenrechter overweegt in de eerste plaats dat het locatieprofiel een richtlijn is die meegenomen kan worden bij de verlening van een evenementenvergunning. Het is de voorzieningenrechter daarnaast niet duidelijk waaruit de strijd met het locatieprofiel bestaat. De opgenomen normen ten aanzien van geluid zijn conform het locatieprofiel, waarbij de versterkte muziek om 0:00 uur moet eindigen, de horeca om 1:00 uur moet sluiten en noodzakelijke werkzaamheden die tussen 1:00 en 8:00 uur plaatsvinden geen overlast mogen veroorzaken. 10.2. Verzoekster heeft daarnaast niet onderbouwd waaruit de onherstelbare schade aan de natuur bestaat. Aan de vergunningen zijn, overeenkomstig het locatieprofiel, veel voorschriften verbonden ter bescherming van beplanting en ondergrond in het plantsoen. Verzoekster heeft wel gesteld, maar niet onderbouwd waarom deze maatregelen onvoldoende zijn om het belang de natuur in het plantsoen te beschermen. De burgemeester heeft gewezen op de voor- en naschouw met een terreinopname die elk jaar plaatsvinden. Bij de laatste naschouw van het afgelopen Noorderzon-festival in 2025 is geen schade aan bomen en groen geconstateerd. Verzoekster is uitgebreid ingegaan op het leed dat de bomen wordt aangedaan en de schade die Noorderzon volgens haar aanricht aan het groen en de natuur in het Noorderplantsoen. Zij heeft die schade echter geenszins aannemelijk gemaakt met bijvoorbeeld foto’s of rapporten van deskundigen, en daarvan dus nog geen begin van bewijs geleverd. Verzoekster heeft haar stellingen niet of nauwelijks onderbouwd, anders dan met haar eigen mening. 10.3. De voorzieningenrechter overweegt verder dat in de vergunning veel voorschriften opgenomen zijn over de bescherming van het groen en de bomen. Het is duidelijk dat verzoekster het daar niet mee eens is, maar zij heeft niet onderbouwd waarom de voorschriften onvoldoende zijn. Die voorschriften zien bijvoorbeeld op het plaatsen van tenten, kramen, containers etc. onder de kroonprojectie van bomen. Dat is niet toegestaan en dat komt dus tegemoet aan de bezwaren van verzoekster. Ter zitting is besproken dat er wel een tegenstrijdigheid zit in twee voorschriften in de vergunning, waardoor onduidelijk is wat nu eigenlijk toegestaan is. In voorschrift 6 (onder “openbare ruimte”) staat namelijk, onder het vijfde gedachtestreepje: “Het is niet toegestaan voertuigen, kramen of tenten onder de kroonprojectie van bomen op te stellen of voorwerpen aan bomen op te hangen,” In voorschrift 11 (onder “locatie specifiek’) staan onder het zevende en achtste gedachtestreepje de volgende voorwaarden: “Voor alle locaties geldt, dat onder de (verticale) kroonprojectie van bomen in gazon geen attracties, caravans, aggregaten e.d., mogen worden opgesteld,” en “Bij het plaatsen van kramen, kantoren e.d., op verharding moet een minimale afstand tot de buitenkant van de boomstam van 2 meter worden gehouden. In het geval ook op grotere afstand dan 2 meter nog oppervlakkige beworteling zichtbaar is, dient of van plaatsing te worden afgezien,” . De burgemeester heeft ter zitting erkend dat deze voorschriften leiden tot onduidelijkheid en dat hier nog goed naar gekeken moet worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit punt sprake is van een gebrek in het bestreden besluit, maar dat dit gebrek in bezwaar hersteld kan worden. Veiligheid (glaswerk) 11. Verzoekster stelt dat op het evenemententerrein weliswaar glaswerk verboden is, maar dat in sommige tenten met besloten gelegenheden wel glaswerk aanwezig is en dat veel bezoekers van het festival ook zelf glas meenemen. Dit leidt tot onveilige situaties omdat glas als wapen gebruikt kan worden. 11.1. De voorzieningenrechter overweegt dat onder bijlage 2 ‘Overige wet- en regelgeving’ van de vergunning het gebruik van glas wordt verboden. Weliswaar staat dit verbod niet in bijlage 1 bij de voorschriften, maar gelet op de duidelijke formulering van dit glasverbod gaat de voorzieningenrechter er van uit dat dit het verbod op glas wel als voorschrift is bedoeld. Dat glasverbod geldt zonder voorbehoud of uitzondering voor het hele evenemententerrein en dus ook in tenten waar besloten bijeenkomsten plaatsvinden. Ook daar is dus geen glas toegestaan en in zoverre komt de vergunning tegemoet aan het bezwaar van verzoekster. Als in strijd met de vergunning toch glas wordt gebruikt, kan zij om handhaving vragen. Indien en voor zover bezoekers zelf glas meenemen naar het festivalterrein is ook dat is een kwestie van handhaving. Omdat het gebruik van glas in zijn algemeenheid in de vergunning is verboden, zijn de bezwaren van verzoekster over glasgebruik geen aanleiding om de vergunning te schorsen. Conclusie en gevolgen 12. In het bestreden besluit zitten enkele gebreken, maar deze zijn te herstellen in het besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat vergunninghouder gebruik kan maken van de verleende vergunning. Omdat de vergunning is verleend door een onbevoegd bestuursorgaan en vanwege onduidelijkheid over het plaatsen van objecten onder bomen (r.o. 10.3) is er aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht van verzoekster vergoedt. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; bepaalt dat de burgemeester aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 200,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie artikel 2.17, eerste lid, onder a, van de APVG Dat staat in artikel 2:18, derde lid, van de APVG. Een document uit 2014, opgesteld door de gemeente, waarin de uitgangspunten en randvoorwaarden staan voor het Noorderplantsoen als evenementenlocatie

Similar Content