Rechtbank Oost-Brabant, 10-08-2026 (26/2142)
Afwijzing handhavingsverzoek, bezwaar ongegrond. Beroep en voorlopige voorziening. Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken materiële connexiteit.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 26/2142 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op verzoeksters verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het bestreden besluit van 21 juli 2026. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. 1.2. De minister heeft verzoeksters handhavingsverzoek van 3 maart 2026 met het besluit van 19 maart 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 juli 2026 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij alleen voorzieningen kan treffen als sprake is van een formele én materiële connexiteit. Formele connexiteit houdt in dat er in dit geval ook een beroepszaak loopt. Materiële connexiteit houdt in dat wat gevraagd wordt ook verband houdt met de inhoud van het besluit waartegen beroep is ingesteld. Daaraan schort het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval. 2.1. Verzoekster heeft op 19 maart 2026 een besluit gehad op haar handhavingsverzoek van 3 maart 2026. Tegen dit afwijzende besluit heeft verzoekster vervolgens bezwaar gemaakt waarna dit bezwaar ongegrond is verklaard met het besluit van 21 juli 2026. 2.2. Verzoekster heeft de minister in haar handhavingsverzoek van 3 maart 2026 gevraagd om handhavend op te treden jegens [naam]. Een verzoek om bestuursrechtelijke handhaving ziet op een overtreding, en een bestuursorgaan kan alleen handhavend optreden voorzover de bevoegdheid daartoe bij of krachtens de wet is verleend . De inhoud van het (oorspronkelijke) handhavingsverzoek is bepalend voor de omvang van het geding en kan na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. In bezwaar en beroep kan de reikwijdte van het verzoek niet worden vergroot. Dit werpt de minister met verwijzing naar vaste jurisprudentie op dit punt terecht in het bestreden besluit tegen. Dit kan niet worden opgevat als, zoals verzoekster betoogt, “verschuilen achter de omvang van het dossier en/of ambtelijke obstructie”. Evenzeer werpt de minister in het licht daarvan terecht tegen dat verzoekster haar verzoek om handhaving in bezwaar heeft uitgebreid ten opzichte van haar oorspronkelijke handhavingsverzoek van 3 maart 2026. Verzoekster heeft in dit oorspronkelijke verzoek, waarop met het primaire besluit is beslist, verzocht om handhavend jegens het [naam] op te treden vanwege de patiëntveiligheid en continuïteit van de zorg, waarbij zij erop gewezen heeft dat zij al sinds 23 januari 2026 zonder noodzakelijke zorg zit. Bijvoorbeeld wordt in het handhavingsverzoek vermeld: “Het ziekenhuis weigert een op 23 januari 2026 toegezegde verwijzing naar [naam] van het [naam] te verlenen”, “De arts kan of wil mij niet uitleggen wat de SSRI gaat doen aan mijn verstoorde en aanhoudende klachten” en “Daarnaast is niet ingegaan op mijn verzoek om uit te sluiten of ik een tumor op de bijnieren heb.” Verzoekster sluit haar verzoek af met verzoek aan de inspectie om de blokkade op haar medische behandeling op te heffen en haar fysieke veiligheid te waarborgen. Het verzoek van verzoekster zag daarmee op de zorgverlening jegens haar zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. 2.3. Wat verzoekster nu in haar voorzieningenprocedure en de uitbreiding van haar handhavingsverzoek in haar bezwaar vraagt, gaat ergens anders over. Verzoekster gaat niet in op de redenen waarom de minister heeft besloten niet handhavend op te treden ten aanzien van de zorgverlening voor verzoekster. Zij verzoekt om de minister te bevelen om hangende de beroepsprocedure een onmiddellijke bewijsfixatie (litigation hold) op te leggen aan ketenpartners [naam], [naam], [naam] en [naam] ten aanzien van de ongemuteerde data-architectuur, om te voorkomen dat zij het illegale rapport, waarmee verzoekster doelt op een volgens haar over haar opgemaakt ‘surveillancerapport’, vernietigen alsmede de bijhorende logs. Daarbij heeft verzoekster gesteld dat de spoedeisendheid in dit gekoppelde dossier door de rechtbank is erkend door een toegewezen voorziening tegen de Autoriteit Persoonsgegevens. 2.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij niet bekend is met een dergelijke toegewezen voorziening. Zij kan echter in deze voorzieningenprocedure ook geen ‘litigation hold’ gelasten in een zaak die gaat over een handhavingsverzoek ten einde adequate medische zorgverlening door [naam]+ te krijgen. Kennelijk wil verzoekster dat het door haar veronderstelde aanwezige surveillance-rapport behouden blijft, omdat zij vreest dat dit wordt vernietigd. De voorzieningenrechter ziet echter geen materieel verband tussen het door verzoekster verstoken blijven van medische zorg voor haar aandoening, waarop haar handhavingsverzoek zag, en de gestelde manipulaties van haar dossier, waarbij verzoekster stelt dat dit dossier onbevoegd is ingezien, er onnodig data is verzameld, dit dossier is vervalst, overgeschreven etcetera. Wanneer verzoekster meent dat de minister bevoegd is om ook terzake het medisch dossier handhavend op te treden, dan zal zij een nieuw handhavingsverzoek moeten indienen. 2.5. De minister zegt in het bestreden besluit terecht dat dit buiten de omvang van dit geding valt. Daarmee bestaat voor de voorzieningenrechter wegens het ontbreken van materiële connexiteit geen mogelijkheid om de gevraagde voorziening te treffen. Conclusie en gevolgen 3. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van materiële connexiteit. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. 5:4 van de Awb ECLI:NL:RVS:2026:4157, r.o. 10.2.