Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-08-2026 (20-003084-25)
Tussenarrest. Het hof gaat ervan uit dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en verklaart de verdachte ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof is voorts van oordeel dat niet is voldaan aan de verzendplicht ex artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering. Het hof heropent het onderzoek ter terechtzitting en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd. 1. Nu op de akte van uitreiking van 10 november 2025 alleen de persoonsgegevens van de verdachte en een parketnummer staan, kan het hof niet met zekerheid vaststellen dat het stuk dat aan de verdachte is uitgereikt de uitspraak van de politierechter in eerste aanleg betreft. Het hof kan ook niet anderszins vaststellen dat de verdachte op 10 november 2025 op de hoogte is gesteld van wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. 2. In artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering zijn bepaalde gevallen neergelegd waarbij een afschrift van de dagvaarding aan het laatste door de verdachte opgegeven adres dient te worden toegezonden. Het hof is van oordeel dat onderhavige zaak onder de reikwijdte van dit artikel valt nu de verdachte [adres 2] als verblijfsadres heeft opgegeven ná zijn inschrijving in de BRP op [adres 1] . Nu er geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar [adres 2] is gestuurd, is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de verzendplicht ex artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is ook niet van uitzonderingen op de verzendplicht, als bedoeld in artikel 36g, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gebleken.
How it connects
Related across sources
Full text
Parketnummer : 20-003084-25 Uitspraak : 10 augustus 2026 Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-329612-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, ingeschreven in de Basisregistratie Personen te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is bepaald dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De verdachte is tevens veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij, tot aan het vonnis begroot op € 200,00. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep. Heropening van het onderzoek Tijdigheid van het hoger beroep De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de mededeling van de uitspraak van de politierechter in eerste aanleg op 10 november 2025 aan de verdachte in persoon is betekend. Namens de verdachte is vervolgens op 5 december 2025 hoger beroep ingesteld. Nu dit buiten de wettelijke termijn van veertien dagen is, dient de verdachte niet-ontvankelijk verklaard te worden in het hoger beroep, aldus de advocaat-generaal. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof is uit de processtukken gebleken dat de verdachte op 23 juli 2025 door de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, bij verstek is veroordeeld. De inleidende dagvaarding voor voornoemde zitting was niet in persoon aan de verdachte betekend. Ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet de verdachte in een zodanig geval hoger beroep instellen binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak bij hem bekend is. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf of maatregel (vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940). Het hof overweegt dat van een dergelijke omstandigheid sprake kan zijn als de mededeling uitspraak aan de verdachte in persoon is uitgereikt. In het dossier bevinden zich diverse brieven van het Openbaar Ministerie gericht aan de verdachte met als onderwerp ‘Mededeling Uitspraak’ en met als inhoud de uitspraak van de politierechter van 23 juli 2025. Deze brieven zijn gedateerd op 28 augustus 2025, 23 oktober 2025 en 3 november 2025 en zijn allen geadresseerd aan het adres [adres 2] . In het dossier zit voorts een akte van uitreiking waaruit blijkt dat de mededeling uitspraak op 29 oktober 2025 getracht is uit te reiken op voornoemd adres in Weert, maar dat de verdachte daar niet meer bleek te wonen. Tot slot zit er een akte van uitreiking in het dossier van 10 november 2025 waaruit blijkt er een uitreiking in persoon heeft plaatsgevonden. Op deze uitreiking staan de persoonsgegevens van de verdachte en het parketnummer van de zaak in eerste aanleg, zijnde 03-329612-24. Het hof overweegt dat uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat niet zonder meer mag worden verondersteld dat de uitspraak aan de verdachte is uitgereikt als op de akte van uitreiking slechts de persoonsgegevens van de verdachte en het parketnummer in eerste aanleg staan (vgl. Hoge Raad 9 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:748 en Hoge Raad 16 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:944). Nu op de akte van uitreiking van 10 november 2025, zoals hiervoor overwogen, alleen de persoonsgegevens van de verdachte en een parketnummer staan, kan het hof niet met zekerheid vaststellen dat het stuk dat aan de verdachte is uitgereikt de uitspraak van de politierechter in eerste aanleg betreft. Het hof kan ook niet anderszins vaststellen dat de verdachte op 10 november 2025 op de hoogte is gesteld van wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Gelet op het voorgaande, kan het hof niet met zekerheid vaststellen dat de verdachte eerder dan ten tijde van het instellen van het hoger beroep op 5 december 2025 op de hoogte is geraakt van de relevante inhoud van de uitspraak van de politierechter van 23 juli 2025. Het hof gaat er derhalve ten voordele van de verdachte vanuit dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en zal de verdachte ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het onderzoek ter terechtzitting zal dan ook heropend worden en voor onbepaalde tijd worden geschorst zodat de inhoudelijke behandeling op een nadere terechtzitting kan plaatsvinden. Betekening van de dagvaarding in hoger beroep Het hof stelt met betrekking tot de betekening van de dagvaarding in hoger beroep het volgende vast. In het dossier bevinden zich diverse informatiestaten-SKDB, waaronder een van 1 juli 2026. Daarin staat met ingang van 23 mei 2026 als BRP-adres van de verdachte vermeld: [adres 1] te Weert, en staat met ingang van 12 juni 2026 als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte vermeld: [adres 2] . Uit de processtukken blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep op 15 juni 2026 is aangeboden op het BRP-adres, maar daar niet kon worden uitgereikt omdat de verdachte daar niet meer woonachtig zou zijn. De dagvaarding in hoger beroep is vervolgens op 1 juli 2026 uitgereikt aan het Openbaar Ministerie en een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar het BRP-adres. Op grond van het voorgaande en gelet op het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafvordering, is het hof van oordeel dat er een correcte betekening NIP (niet in persoon) van de dagvaarding in hoger beroep heeft plaatsgevonden. Desalniettemin is het hof van oordeel dat het op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen om de dagvaarding ook uit te reiken op, of in ieder geval een afschrift daarvan te sturen naar, het laatst opgegeven adres van de verdachte, zijnde [adres 2] . In artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering zijn bepaalde gevallen neergelegd waarbij een afschrift van de dagvaarding aan het laatste door de verdachte opgegeven adres dient te worden toegezonden. Het hof is van oordeel dat onderhavige zaak onder de reikwijdte van dit artikel valt nu de verdachte [adres 2] als verblijfsadres heeft opgegeven ná zijn inschrijving in de BRP op [adres 1] . Nu er geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar [adres 2] is gestuurd, is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de verzendplicht ex artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is ook niet van uitzonderingen op de verzendplicht, als bedoeld in artikel 36g, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gebleken. Derhalve is het hof van oordeel dat ook deze omstandigheid tot een heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting dient te leiden. BESLISSING Het hof: heropent het onderzoek ter terechtzitting; schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd; bepaalt dat het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat op een nog nader te bepalen datum en tijdstip ( niet-kamergebonden, verwachte behandelduur: 45 minuten ); beveelt de oproeping van de verdachte tegen de dag en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzitting, met inachtneming van het hiervoor overwogene onder het kopje ‘ betekening van de dagvaarding in hoger beroep’ ; beveelt de kennisgeving van de dag en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzitting aan de raadsman van de verdachte; beveelt de kennisgeving van de dag en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzitting aan de benadeelde partij. Aldus gewezen door: mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter, mr. J. Nederlof en mr. G.P.N. Robben, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier, en op 10 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.