Rechtbank Amsterdam, 11-08-2026 (13-132659-26)
Belgisch vervolgings-EAB. Genoegzaamsheidsverweer verworpen. Lijstfeit. Dubbele strafbaarheid. Accessoire overlevering. Geen beroep op terugkeergarantie. Detentieomstandigheden Nieuw Dendermonde. Overlevering toegestaan.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-132659-26 Datum uitspraak: 11 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 mei 2026 door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1990 op Curaçao (Nederlandse Antillen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP adres] , nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.H.J. Strak, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen en het schorsingsverzoek afgewezen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek van 4 mei 2026, afgegeven door de onderzoeksrechter van de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, met referentie: OR kabinet 4 referte 2025/062. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig kan zijn geweest bij de hem in het EAB verweten feiten. De overlevering dient te worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De opgeëiste persoon weet namelijk waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee is aan het specialiteitsbeginsel voldaan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Uit de feitomschrijving van het onderhavige EAB volgen de pleegplaats, pleegdatum en de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel ook voldoende gewaarborgd. Wat betreft het verweer van de raadsman inhoudende dat de opgeëiste persoon op basis van de feitomschrijving niet aan alle in het EAB genoemde tijdstippen kan worden gelinkt, is de rechtbank van oordeel dat dit een bewijsverweer betreft. Een dergelijk verweer staat ter beoordeling aan de Belgische strafrechter en kan niet tot weigering van de overlevering leiden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 4 Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW (feit A) De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit, dat met de toepasselijke Belgische wetsbepaling wordt aangeduid onder A , aangewezen als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: - moord, doodslag en zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit, dat met de toepasselijke Belgische wetsbepaling wordt aangeduid onder B, het lijstfeit ‘ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling’ aangekruist. De rechtbank stelt vast dat op wederrechtelijke vrijheidsberoving naar Belgisch recht een strafmaximum van twee jaar staat en dat daarom niet is voldaan aan de voorwaarde dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Om die reden zal de dubbele strafbaarheid van dit feit worden getoetst. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist (feit B) Overlevering kan worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hier ten aanzien van het feit, dat met de toepasselijke Belgische wetsbepaling wordt aangeduid onder B, aan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven. 4.3 Accessoire overlevering (feit C) De rechtbank stelt vast dat het feit, dat met de toepasselijke Belgische wetsbepaling wordt aangeduid onder C, niet aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onder a, sub 1, OLW voldoet, nu op dat feit naar Belgisch recht een strafmaximum van zes maanden staat. Dit feit voldoet dus niet aan het vereiste dat op een feit waarvoor de overlevering wordt verzocht in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Dit feit is overigens wel naar Nederlands recht strafbaar en levert op: mishandeling. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 7, zesde lid, OLW ook voor dit feit de overlevering kan worden toegestaan. Het EAB heeft immers betrekking op verscheidene afzonderlijke feiten die zowel naar Belgisch recht als naar Nederlands recht strafbaar zijn. Overlevering kan daarom voor dit feit gelijktijdig worden toegestaan met het feit dat is aangeduid als een zogenoemd lijstfeit en het feit dat voldoet aan de eisen van dubbele strafbaarheid. De rechtbank overweegt hiertoe dat door accessoire overlevering alle beschuldigingen tegen de opgeëiste persoon tegelijk kunnen worden afgedaan. Dit is immers in het belang van een effectieve rechtspleging en – omdat mogelijk een strafoplegging volgt na overlevering – het belang om straffeloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. Dat alle beschuldigingen tegelijk worden afgedaan is naar het oordeel van de rechtbank ook in het belang van de opgeëiste persoon. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft ter zitting geen beroep gedaan op artikel 6 OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 19 juni 2026, afkomstig van de Directeur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, de volgende detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Nieuw Dendermonde indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen doordat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 282 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie rechtbank Amsterdam 9 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3642, r.o. 3.1. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:539 (Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije)), punt 87.