Richtsnoeren 02/2022 voor de toepassing van artikel 60 AVG
guidelines voor de toepassing van artikel 60 AVG
Content
Translations proofread by EDPB Members.
This language version has not yet been proofread.
Richtsnoeren 02/2022 voor de toepassing van artikel 60 AVG
Versie 1.1
Vastgesteld op 14 maart 2022
Versiegeschiedenis
| Versie 1.1 | 1 juli 2022 | Kleine correcties |
|---|---|---|
| Versie 1.0 | 14 maart 2022 | Vaststelling van richtsnoeren 02.2022 |
2
SAMENVATTING
Een van de belangrijkste innovaties bij de invoering van de AVG was de introductie van het concept 'één-loketmechanisme'. In gevallen van grensoverschrijdende verwerking is de toezichthoudende autoriteit in de lidstaat van de hoofdvestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker de autoriteit die leidinggeeft aan de handhaving van de AVG met betrekking tot de grensoverschrijdende verwerkingsactiviteiten in kwestie. Daarbij wordt samengewerkt met alle autoriteiten die de gevolgen van de desbetreffende activiteiten kunnen ondervinden, hetzij omdat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker vestigingen op hun grondgebied heeft dan wel omdat hun inwoners klachten over deze verwerkingsactiviteiten hebben ingediend. Betrokkenen moeten hun rechten inzake gegevensbescherming eenvoudig kunnen uitoefenen en moeten in hun gewone verblijfplaats hun beklag bij een toezichthoudende autoriteit kunnen doen. Daarnaast blijft deze toezichthoudende autoriteit tijdens het verdere verloop van de klachtenbehandelingsprocedure voor de klager fungeren als aanspreekpunt. Met het oog op de naleving van al deze vereisten, voorziet artikel 60 AVG in de procedure voor samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
Deze richtsnoeren gaan over de dynamiek tussen de toezichthoudende autoriteiten onderling en over de interactie met de EDPB en met derden tegen de achtergrond van artikel 60 AVG. Het doel is om een analyse te maken van de samenwerkingsprocedure en een leidraad te bieden voor de praktische toepassing van de bepalingen.
Algemene opmerkingen
Om de samenwerkingsprocedure zo soepel mogelijk te laten verlopen, is het een absolute voorwaarde dat de termen en basisbegrippen op een gemeenschappelijke manier worden geïnterpreteerd.
In deze richtsnoeren gelden de volgende uitgangspunten:
- -de samenwerkingsprocedure geldt in beginsel voor alle gevallen van grensoverschrijdende verwerking;
- -de samenwerkingsprocedure doet niet af aan de onafhankelijkheid van de toezichthoudende autoriteiten; binnen het samenwerkingskader behouden zij hun eigen discretionaire bevoegdheden.
- -de leidende toezichthoudende autoriteit is primair verantwoordelijk voor de behandeling van dergelijke gevallen, maar heeft niet de bevoegdheid om in laatste instantie autonoom beslissingen te nemen; en
Bedacht moet worden dat de samenwerking in het kader van de AVG niet mag worden beperkt of belemmerd door de werking van nationale procedurevoorschriften.
Opbouw en inhoud van de richtsnoeren
Deze richtsnoeren zijn gebaseerd op de voorschriften van artikel 60 en geven alineagewijs een toelichting op de voorwaarden die de verordening zelf in het leven heeft geroepen alsook op de praktische uitvoering van de verordening.
In de context van artikel 60, lid 1, AVG is vast komen te staan dat de beginselen die gedurende de gehele samenwerkingsprocedure in acht moeten worden genomen het karakter hebben van wederzijdse verplichtingen. Benadrukt wordt dat het realiseren van consensus tussen de toezichthoudende autoriteiten weliswaar geen verplichting is, maar dat het wel een overkoepelende doelstelling is om door middel van wederzijdse uitwisseling van alle relevante informatie te proberen
om tot een consensusbesluit te komen. Deze informatie-uitwisseling is een verplichting die op alle betrokken toezichthoudende autoriteiten rust, ook op de leidende toezichthoudende autoriteit. De betekenis van het bijvoeglijk naamwoord 'relevante' in dezen, wordt met voorbeelden verder verduidelijkt. Wat het tijdsaspect betreft, wordt in dit document aanbevolen om de relevante informatie proactief en zo spoedig mogelijk uit te wisselen. Ten slotte wordt gewezen op de mogelijkheid om informele communicatiemiddelen in te zetten voor het bereiken van consensus.
In het onderstaande deel over artikel 60, lid 2, AVG wordt de situatie behandeld waarin de leidende toezichthoudende autoriteit één of meer betrokken toezichthoudende autoriteiten verzoekt wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 61 AVG te verlenen en gezamenlijke werkzaamheden overeenkomstig artikel 62 AVG te ondernemen. Verder worden in dit deel handvatten aangereikt voor wat betreft de bijzonderheden van deze instrumenten in het kader van een lopende samenwerkingsprocedure.
In dit document wordt stilgestaan bij de procedure van artikel 60, lid 3, AVG voor het voorleggen van het ontwerpbesluit. Onderstreept wordt dat de leidende toezichthoudende autoriteit proactief en zo snel mogelijk moet handelen en dat de betrokken toezichthoudende autoriteiten in staat moeten zijn om een bijdrage te leveren aan de procedure als geheel, ook voordat het ontwerpbesluit wordt opgesteld (bv. door informatie uit te wisselen). Daarnaast moet de leidende toezichthoudende autoriteit in alle gevallen van grensoverschrijdende verwerking een ontwerpbesluit voorleggen aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten.
De delen over artikel 60, leden 4 tot en met 6, AVG bevatten een schets van de diverse scenario's die kunnen volgen op het voorleggen van het ontwerpbesluit door de leidende toezichthoudende autoriteit. Daarmee bieden deze delen een samenhangende benadering van het deel van de procedure tussen de voorlegging van een (herzien) ontwerpbesluit en het ontstaan van de bindende werking bij het uitblijven van relevante en gemotiveerde bezwaren ofwel het inroepen van de procedure voor geschillenbeslechting. In de richtsnoeren wordt onderkend dat de leidende toezichthoudende autoriteit de mogelijkheid heeft om het ontwerpbesluit dat krachtens artikel 60, lid 4, AVG is voorgelegd, vóór het verstrijken van de termijn van vier weken aan te passen en opnieuw voor te leggen, mits er nieuwe omstandigheden of overwegingen zijn die een dergelijke aanpassing rechtvaardigen en mits het belang daarvan eerlijk wordt afgewogen tegen de doelmatigheid van de samenwerkingsprocedure. Daarnaast wordt aangegeven dat er weliswaar sprake kan zijn van meerdere herziene besluiten, maar alleen in gevallen waarin een consensus binnen handbereik ligt omdat de leidende toezichthoudende autoriteit en één of meer andere betrokken toezichthoudende autoriteiten inhoudelijk gezien naar elkaar toegroeien.
Daarna volgt een analyse van de diverse scenario's nadat het (herziene) ontwerpbesluit voor de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten een bindend karakter heeft gekregen. Daarin wordt helder gemaakt welke toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 60, leden 7 tot en met 9, AVG op basis van het bindend geworden ontwerpbesluit het definitieve nationale besluit moet vaststellen en welke toezichthoudende autoriteit dit aan de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker of de klager moet meedelen. In dit verband wordt ook ingegaan op het onderscheid tussen 'meedelen' en 'in kennis stellen'.
Voorts gaan de richtsnoeren in op het belangrijke onderscheid tussen situaties die een afwijzing of verwerping van een klacht inhouden, en waarin de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend het definitieve besluit moet vaststellen, en situaties waarin de leidende toezichthoudende autoriteit naar aanleiding van de klacht optreedt tegen de verwerkingsverantwoordelijke en waarin het definitieve besluit door de leidende toezichthoudende autoriteit moet worden vastgesteld. In dit verband wordt benadrukt dat gewoonlijk een eigenstandige en uniforme interpretatie moet worden
gegeven aan formuleringen binnen het EU-recht waarvoor geldt dat daarin niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaat wordt verwezen.
In het volgende deel worden de taken van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker geschetst teneinde ervoor te zorgen dat bij de verwerkingsactiviteiten in al diens vestigingen het definitieve besluit wordt nageleefd (artikel 60, lid 10, AVG).
Het laatste deel gaat in op de specifieke voorschriften voor de toepassing van artikel 66 AVG (spoedprocedure) gedurende een lopende samenwerkingsprocedure (artikel 60, lid 11, AVG).
Bij de richtsnoeren is een beknopte leidraad gevoegd die vakmensen binnen de toezichthoudende autoriteiten een snel overzicht van en toelichtingen op deze ingewikkelde procedure geeft.
Inhoudsopgave
SAMENVATTING...................................................................................................................................... 3
| Inleiding........................................................................................................................................... | Inleiding........................................................................................................................................... | 9 |
|---|---|---|
| Artikel 60 in het kader van het één-loketmechanisme................................................................. | Artikel 60 in het kader van het één-loketmechanisme................................................................. | 10 |
| Toepasselijkheid van de samenwerkingsprocedure ............................................................. 10 | ||
| De leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit als betrokken spelers............................................................................................................................. | De leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit als betrokken spelers............................................................................................................................. | 12 |
| Onafhankelijkheid van toezichthoudende autoriteiten binnen de samenwerkingsprocedure ............................................................................................................................................... | 14 | |
| 15 | ||
| Invloed van nationale procedureregels................................................................................. Artikel 60, lid 1 -Wederzijdse verplichting ................................................................................. | Invloed van nationale procedureregels................................................................................. Artikel 60, lid 1 -Wederzijdse verplichting ................................................................................. | 16 |
| Algemeen............................................................................................................................... | 16 | |
| Tot een consensus proberen te komen................................................................................. | 16 | |
| De verplichting tot uitwisseling van alle relevante informatie ............................................. | 17 | |
| 3.3.1 | Het begrip 'relevante informatie' ................................................................................ | 18 |
| 3.3.2 | Tijdschema van de informatie-uitwisseling................................................................... | 19 |
| Artikel 60, lid 2 -Wederzijdse bijstand en gezamenlijke werkzaamheden ................................ | Artikel 60, lid 2 -Wederzijdse bijstand en gezamenlijke werkzaamheden ................................ | 20 |
| Algemeen............................................................................................................................... | 20 | |
| Vereisten van artikel 60, lid 2................................................................................................ | 21 | |
| 4.2.1 | De leidende toezichthoudende autoriteit kan verzoeken ............................................ | 21 |
| 4.2.2 | De formulering 'te allen tijde'...................................................................................... | 22 |
| 4.2.3 | De andere betrokken toezichthoudende autoriteiten als adressaten.......................... | 22 |
| Verzoekenom wederzijdse bijstand ..................................................................................... | Verzoekenom wederzijdse bijstand ..................................................................................... | 22 |
| Gezamenlijke werkzaamheden opzetten.............................................................................. | 25 | |
| Artikel 60, lid 3 -Verplichtingen inzake de informatieverstrekking door de leidende toezichthoudende autoriteit en het ontwerpbesluit ............................................................................ | Artikel 60, lid 3 -Verplichtingen inzake de informatieverstrekking door de leidende toezichthoudende autoriteit en het ontwerpbesluit ............................................................................ | 25 |
| Artikel 60, lid 3, eerste zin: de verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om onverwijld informatie mee te delen ................................................................................................ 26 | Artikel 60, lid 3, eerste zin: de verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om onverwijld informatie mee te delen ................................................................................................ 26 | Artikel 60, lid 3, eerste zin: de verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om onverwijld informatie mee te delen ................................................................................................ 26 |
| 5.1.1 | De term 'onverwijld' .................................................................................................... | 26 |
| 5.1.2 | De term 'relevante informatie' .................................................................................... | 27 |
| Artikel 60, lid 3, tweede zin: de verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om een 'ontwerpbesluit' voor te leggen ........................................................................................ 29 | Artikel 60, lid 3, tweede zin: de verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om een 'ontwerpbesluit' voor te leggen ........................................................................................ 29 | Artikel 60, lid 3, tweede zin: de verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om een 'ontwerpbesluit' voor te leggen ........................................................................................ 29 |
| 5.2.1 | Wettelijke verplichting omeen ontwerpbesluit voor te leggen ................................... | 29 |
| 5.2.2 | De term 'ontwerpbesluit'............................................................................................. | 31 |
| 5.2.3 | De term 'onverwijld' in het kader van het voorleggen van het ontwerpbesluit ......... | 33 |
| 5.2.4 | De formulering 'houdt naar behoren rekening met hun standpunten' ...................... | 35 |
| Artikel 60, lid 4 -Beoordeling van de bezwaren en mogelijkheid tot inleiding van de procedure voor de beslechting van geschillen ....................................................................................................... 36 | Artikel 60, lid 4 -Beoordeling van de bezwaren en mogelijkheid tot inleiding van de procedure voor de beslechting van geschillen ....................................................................................................... 36 | Artikel 60, lid 4 -Beoordeling van de bezwaren en mogelijkheid tot inleiding van de procedure voor de beslechting van geschillen ....................................................................................................... 36 | |
|---|---|---|---|
| Doel van de bepaling............................................................................................................. 36 | Doel van de bepaling............................................................................................................. 36 | ||
| Relevante en gemotiveerde bezwaren van een betrokken toezichthoudende autoriteit.... 37 | Relevante en gemotiveerde bezwaren van een betrokken toezichthoudende autoriteit.... 37 | ||
| 6.2.1 | 6.2.1 | Berekening van de termijn ............................................................................................ 37 | |
| 6.2.2 | 6.2.2 | Relevante en gemotiveerde bezwaren ......................................................................... 38 | |
| 6.2.3 | 6.2.3 | Beoordeling van de bezwaren die op grond van artikel 60, lid 4, tegen het ontwerp zijn | |
| ingediend....................................................................................................................................... 39 | ingediend....................................................................................................................................... 39 | ingediend....................................................................................................................................... 39 | |
| Voorlegging aan de EDPB...................................................................................................... 40 | Voorlegging aan de EDPB...................................................................................................... 40 | Voorlegging aan de EDPB...................................................................................................... 40 | |
| Artikel 60, lid 5 -Het herziene ontwerpbesluit........................................................................... 41 | Artikel 60, lid 5 -Het herziene ontwerpbesluit........................................................................... 41 | Artikel 60, lid 5 -Het herziene ontwerpbesluit........................................................................... 41 | |
| Voorleggen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten................................ 41 | Voorleggen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten................................ 41 | Voorleggen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten................................ 41 | |
| 7.1.1 | 7.1.1 | De leidende toezichthoudende autoriteit wil de bezwaren honoreren ....................... 42 | |
| 7.1.2 | 7.1.2 | De verplichtingom een herzien ontwerpbesluit voor te leggen................................... 42 | |
| 7.1.3 | 7.1.3 | Het herziene ontwerpbesluit voorleggen...................................................................... 44 | |
| 7.1.4 | 7.1.4 | De standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten................. 45 | |
| Het herziene ontwerpbesluit: beoordelingsprocedure......................................................... 45 | Het herziene ontwerpbesluit: beoordelingsprocedure......................................................... 45 | Het herziene ontwerpbesluit: beoordelingsprocedure......................................................... 45 | |
| 7.2.1 | 7.2.1 | Gelijktijdige toepassing van artikel 60, lid 5, tweede zin, en de procedure van | |
| artikel 60, lid 4............................................................................................................................... 46 | artikel 60, lid 4............................................................................................................................... 46 | artikel 60, lid 4............................................................................................................................... 46 | |
| 7.2.2 Voor andere betrokken toezichthoudende autoriteiten geldende beperkingen met betrekking tot het indienen van relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het herziene ontwerpbesluit.............................................................................................................................. 47 | 7.2.2 Voor andere betrokken toezichthoudende autoriteiten geldende beperkingen met betrekking tot het indienen van relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het herziene ontwerpbesluit.............................................................................................................................. 47 | 7.2.2 Voor andere betrokken toezichthoudende autoriteiten geldende beperkingen met betrekking tot het indienen van relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het herziene ontwerpbesluit.............................................................................................................................. 47 | |
| De bindende werking van een (herzien) ontwerpbesluit.............................................................. 48 | De bindende werking van een (herzien) ontwerpbesluit.............................................................. 48 | De bindende werking van een (herzien) ontwerpbesluit.............................................................. 48 | |
| Worden geacht met het ontwerpbesluit in te stemmen...................................................... | Worden geacht met het ontwerpbesluit in te stemmen...................................................... | Worden geacht met het ontwerpbesluit in te stemmen...................................................... | |
| 48 | |||
| Gebonden aan het ontwerpbesluit ....................................................................................... 49 | |||
| Artikel 60, lid 7 -Vaststelling en mededeling van het besluit door de leidende toezichthoudende autoriteit ................................................................................................................. 50 | Artikel 60, lid 7 -Vaststelling en mededeling van het besluit door de leidende toezichthoudende autoriteit ................................................................................................................. 50 | Artikel 60, lid 7 -Vaststelling en mededeling van het besluit door de leidende toezichthoudende autoriteit ................................................................................................................. 50 | |
| Algemeen............................................................................................................................... 50 | |||
| Vaststelling van het definitieve besluit door de | Vaststelling van het definitieve besluit door de | leidende toezichthoudende autoriteit ...... 51 | |
| Meedelen en | Meedelen en | in kennis stellen .............................................................................................. 52 | |
| Een | Een | samenvatting van de relevante feiten en gronden........................................................ 54 | |
| Artikel 60, lid 8 -Afwijzing of verwerping van een klacht....................................................... 54 | Artikel 60, lid 8 -Afwijzing of verwerping van een klacht....................................................... 54 | Artikel 60, lid 8 -Afwijzing of verwerping van een klacht....................................................... 54 | |
| In afwijking van lid | In afwijking van lid | 7.............................................................................................................. 56 | |
| De term 'afwijzen/verwerpen'............................................................................................. 56 | |||
| Vaststelling van het besluit ................................................................................................... 61 | |||
| In | In | kennis stellen en meedelen............................................................................................... 61 | |
| Artikel 60, lid 9 -Gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht................................. 62 | Artikel 60, lid 9 -Gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht................................. 62 | Artikel 60, lid 9 -Gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht................................. 62 | Artikel 60, lid 9 -Gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht................................. 62 |
| Artikel 60, lid 10 -Meedelen van de door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker getroffen maatregelen aan de leidende toezichthoudende autoriteit of betrokken toezichthoudende autoriteit(en)......................................................................................................................................... 63 | |
|---|---|
| Artikel 60, lid 11 -Spoedprocedure........................................................................................ 64 | |
| Voorwaarden voor het inroepen van artikel 66.................................................................... 64 | |
| De wisselwerking met een lopende samenwerkingsprocedure van artikel 60..................... 66 | |
| Beknopte leidraad ................................................................................................................................. 68 | Beknopte leidraad ................................................................................................................................. 68 |
Het Europees Comité voor gegevensbescherming
Gezien artikel 70, lid 1, punt e), van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna 'AVG' genoemd),
Gezien de EER-overeenkomst en in het bijzonder bijlage XI en protocol 37 bij die overeenkomst, als gewijzigd bij Besluit nr. 154/2018 van het Gemengd Comité van de EER van 6 juli 2018 1 ,
Gezien de artikelen 12 en 22 van zijn reglement van orde,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTSNOEREN VASTGESTELD
INLEIDING
- Het aantal nationale handhavingsprocedures dat verband houdt met grensoverschrijdende gegevensverwerkingsactiviteiten neemt alsmaar toe. Een groot deel daarvan wordt afgewikkeld met behulp van het samenwerkingsmechanisme van de AVG. In artikel 57, lid 1, punten g) en f), wordt het kader voor samenwerking in algemene zin beschreven, terwijl bij de artikelen 56 en 60 AVG het éénloketmechanisme is opgericht 2 . Volgens deze specifieke procedure moet de leidende toezichthoudende autoriteit met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten samenwerken teneinde tot een consensus proberen te komen.
- Onderstreept moet worden dat het één-loketmechanisme, waarbij de toezichthoudende autoriteiten van alle lidstaten een rol in een soort medebeslissingsprocedure op zich kunnen nemen, voor wat de wetgeving inzake gegevensbescherming betreft geldt als een nieuw concept dat bij de AVG is geïntroduceerd.
- Deze richtsnoeren gaan over de dynamiek tussen de toezichthoudende autoriteiten onderling en over de interactie met de EDPB en met derden tegen de achtergrond van artikel 60. Het doel is om een analyse te maken van en een leidraad te bieden voor de praktische toepassing van de bepalingen. Aangezien de samenwerkingsprocedure betrekking heeft op verwerkingsactiviteiten raakt de uitkomst van die procedure per definitie de spelers die bij die verwerkingen betrokken zijn (betrokkene, verwerkingsverantwoordelijke, verwerker(s) enz.). Omdat de in artikel 60 neergelegde plicht tot samenwerking geldt voor toezichthoudende autoriteiten staan in dit document de verplichtingen van de leidende toezichthoudende autoriteit en van de andere betrokken toezichthoudende autoriteit(en) centraal.
- De aanwijzing van de leidende toezichthoudende autoriteit en van andere betrokken toezichthoudende autoriteiten valt buiten het bestek van deze richtsnoeren. In deze richtsnoeren wordt ervan uitgegaan dat daarover overeenkomstig artikel 56 helderheid en overstemming is bereikt,
1 Met 'lidstaten' worden in deze richtsnoeren steeds de 'lidstaten van de EER' bedoeld.
2 Zonder nadere specificatie verwijst de term 'artikel' naar een artikel van de AVG.
aangezien de betrokken toezichthoudende autoriteiten, afhankelijk van hun rol, in het kader van de procedure van artikel 60 specifieke bevoegdheden en taken krijgen toegewezen. Daarom wordt verondersteld dat wanneer de werkzaamheden in het kader van artikel 60 AVG een aanvang nemen reeds voldoende informatie is uitgewisseld om de diverse rollen te kunnen vaststellen.
- In specifieke gevallen kan er zich op een later moment echter een verschuiving in de bevoegdheden of rollen van de toezichthoudende autoriteiten voordoen (bv. vanwege een nieuwe locatie van de hoofdvestiging of in gevallen van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid). Zodra de toezichthoudende autoriteiten tijdens de samenwerkingsfase weet krijgen van omstandigheden die mogelijk van invloed zijn op de competentie betreffende de behandeling van de zaak, moet er onmiddellijk informatie tussen de toezichthoudende autoriteiten worden uitgewisseld zodat de nieuwe leidende toezichthoudende autoriteit kan worden bepaald 3 .
- Nadat overeenstemming is bereikt, wordt de artikel 60-procedure dienovereenkomstig voortgezet. Indien er geen consensus kan worden bereikt, wordt een beroep gedaan op artikel 65, lid 1, punt b), en wordt de zaak aan de EDPB voorgelegd.
- Wanneer in deze richtsnoeren wordt verwezen naar het gebruik van het 'informatiesysteem van de EDPB' wordt steeds gedoeld op het Informatiesysteem interne markt ('IMI') overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie ('de IMI-verordening') 4 . Het informatiesysteem van de EDPB moet volgens artikel 60, lid 12, worden gebruikt voor de verstrekking van alle krachtens artikel 60 vereiste informatie. Daarnaast moeten de toezichthoudende autoriteiten alle vormen van communicatie gebruiken om de consensusvorming te faciliteren, zoals e-mail, telefoon, videovergaderingen of persoonlijke ontmoetingen.
ARTIKEL 60 IN HET KADER VAN HET ÉÉN-LOKETMECHANISME
Toepasselijkheid van de samenwerkingsprocedure
- Voor de procedure voor samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in het kader van artikel 56, lid 1, en van artikel 60 gelden in de kern de volgende voorwaarden: volgens artikel 4, punt 23, moet het om een grensoverschrijdende verwerking gaan, wat tevens inhoudt dat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker zijn hoofdvestiging of enige vestiging in de EU moet hebben. In artikel 4, punt 23, worden twee alternatieve, met elkaar samenhangende omschrijvingen gegeven. Ten eerste verlangt artikel 4, punt 23, a), dat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker vestigingen in meer dan één lidstaat heeft. Ten tweede moeten de specifieke verwerking in kwestie plaatsvinden in het kader van activiteiten van meerdere vestigingen in de EU. Volgens artikel 4, punt 23, b), kunnen de gevolgen die betrokkenen ondervinden bepalend zijn voor de vraag of er sprake is van grensoverschrijdende verwerking. Wanneer de verwerking plaatsvindt in het kader van de activiteiten van één vestiging van
een verwerkingsverantwoordelijke of van een verwerker in de Unie, wordt uitgegaan van grensoverschrijdende verwerking indien in meer dan één lidstaat betrokkenen wezenlijke gevolgen ondervinden of waarschijnlijk zullen ondervinden van de verwerking 5 .
- De EDPB benadrukt dat de artikelen 56 en 60 6 van toepassing zijn op de samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten in alle op grensoverschrijdende verwerking gebaseerde gevallen, ongeacht de achtergrond van de zaak (klacht, ambtshalve onderzoek enz.). Dit laat het bepaalde in artikel 55 7 en artikel 65 onverlet.
- Hoewel alleen in artikel 60, lid 7, laatste zin, en artikel 60, leden 8 en 9, gewag wordt gemaakt van de behandeling van klachten, wordt in artikel 56, lid 1, en artikel 60 - de kernbepalingen met betrekking tot de samenwerkingsprocedure - wel in algemene zin verwezen naar grensoverschrijdende verwerking. Met betrekking tot het samenwerkingsmechanisme wordt in artikel 60, lid 3, melding gemaakt van het feit dat de leidende toezichthoudende autoriteit 'alle relevante informatie over de aangelegenheid' meedeelt, d.w.z. zaken in algemene zin en dus allerminst beperkt tot zaken naar aanleiding van een klacht. De term 'aangelegenheid' omvat bijvoorbeeld 'ambtshalve' procedures en de mogelijkheid van artikel 57, lid 1, punt h, voor het verrichten van onderzoek, bv. op basis van informatie van een andere toezichthoudende autoriteit of een andere overheidsinstantie. Aangezien de behandeling van klachten reeds in artikel 57, lid 1, punt f), aan de orde komt, hoeft deze overeenkomstig artikel 57, lid 1, punt h), verstrekte informatie niet op een klacht te zijn gebaseerd.
- Dit blijkt bovendien uit de systematische methodiek inzake de sancties en corrigerende maatregelen van artikel 58, lid 2, die voor alle soorten verwerkingen geldt en niet alleen voor klachten.
Voorbeeld 1: Een artikel 60-procedure kan ook worden ingeleid naar aanleiding van informatie die een betrokken toezichthoudende autoriteit heeft verstrekt en die afkomstig is uit de media of van klokkenluiders indien die informatie specifiek en gefundeerd is, d.w.z. het betreft een concreet en volledig feitenrelaas. Het louter doorsturen van een krantenartikel, zonder meer gedetailleerde informatie zoals een eerste beoordeling door de betrokken toezichthoudende autoriteit, vormt doorgaans evenwel onvoldoende bewijs van een inbreuk op de gegevensbescherming en zal daarom worden beschouwd als onvoldoende onderbouwd om te kunnen dienen als aanleiding voor toezichtsmaatregelen. Om een artikel 60-procedure te openen hoeven daarentegen geen harde bewijzen te worden overlegd, want de procedure als zodanig is bedoeld om na te gaan of er al dan niet sprake is van een inbreuk. De leidende toezichthoudende autoriteit beschikt echter over ruime discretionaire bevoegdheden om te beslissen of zij al dan niet een ambtshalve onderzoek begint op basis van de informatie die zij van andere betrokken toezichthoudende autoriteiten of uit andere bron heeft gekregen.
- Dat het samenwerkingsmechanisme in alle grensoverschrijdende gevallen moet worden ingezet, volgt eveneens uit de gedachte achter dat mechanisme, dat is gecreëerd 'met het oog op de bevordering van een uniforme toepassing van de regels voor gegevensbescherming' 8 en om te zorgen voor effectief
7 Zie ook: overweging 128.
6 Met uitzondering van het geval dat in punt 13 hieronder wordt beschreven.
8 SWD(2020) 115 final, blz. 6.
- toezicht en effectieve handhaving binnen de Unie. Het zou met dit doel in strijd zijn om het mechanisme alleen in te zetten bij zaken naar aanleiding van een klacht.
- Met betrekking tot gevallen met alleen lokale gevolgen, is in artikel 56, leden 2 en 3, bepaald dat wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit besluit de zaak niet te behandelen de competentie berust bij de toezichthoudende autoriteit die de klacht heeft ontvangen of die op de hoogte is gesteld van een mogelijke inbreuk. In die gevallen is artikel 60 is niet van toepassing. Volgens artikel 56, lid 4, is artikel 60 alleen van toepassing wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit besluit om de zaak te behandelen.
De leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit als betrokken spelers
- Artikel 56, lid 1, bevat een juridische definitie van de competente leidende toezichthoudende autoriteit. Deze definitie moet worden gelezen in samenhang met artikel 60 waarin de kerntaken en bevoegdheden van de leidende toezichthoudende autoriteit in de artikel 60-procedure zijn vastgesteld 9 . De leidende toezichthoudende autoriteit wordt gedefinieerd als de toezichthoudende autoriteit van de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker in de Unie; bij deze autoriteit berust de competentie voor de grensoverschrijdende verwerking door die verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. Zij is volgens artikel 56, lid 6, voor de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker tevens de enige gesprekspartner.
- Het relevante uitgangspunt voor het bepalen van de leidende toezichthoudende autoriteit is de specifieke grensoverschrijdende verwerking van gegevens door de desbetreffende verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker 10 .
- In WP 244 wordt verduidelijkt dat een leidende toezichthoudende autoriteit 'de autoriteit [is] die de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de regeling van een grensoverschrijdende gegevensverwerking' . Met andere woorden: bij de leidende toezichthoudende autoriteit berust de competentie voor de grensoverschrijdende verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker in kwestie en volgens artikel 56, lid 6, is zij in de betreffende lidstaat de enige gesprekspartner voor die verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. Binnen het kader van de in artikel 60 vastgestelde samenwerkingsprocedure alsook op grond van artikel 56, lid 1, vertaalt deze competentie zich in een 'leidende rol', d.w.z. in een sturende rol bij het voortzetten van de zaak, het opzetten van de samenwerkingsprocedure om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten daarbij te betrekken, het coördineren van onderzoeken, het vergaren van bewijsmateriaal enz. Ook behelst deze competentie de verantwoordelijkheid voor het voorleggen van een ontwerpbesluit waarover door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten adviezen of bezwaren worden uitgebracht 11 .
- De EDPB meent echter dat de leidende toezichthoudende autoriteit in de samenwerkingsprocedure niet over exclusieve competenties beschikt. De AVG voorziet namelijk in een gedeelde
9 Bij 'lokale gevallen' als bedoeld in artikel 56, lid 2, moeten de bepalingen van artikel 56, leden 3 en 4, in acht worden genomen.
11 Bij meerdere gelegenheden is de leidende toezichthoudende autoriteit in dit verband aangeduid als de 'primus inter pares' , onder andere door de advocaat-generaal in zijn conclusie in zaak C-645/19, punt 111.
verantwoordelijkheid voor consequent toezicht op en eenvormige handhaving van de toepassing van de AVG, wat inhoudt dat de opstelling van de leidende toezichthoudende autoriteit mede wordt bepaald door de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en dat de samenwerkingsprocedure tot een consensusbesluit moet leiden. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat de Uniewetgever heeft besloten dat wanneer er sprake is van aanhoudende meningsverschillen tussen toezichthoudende autoriteiten deze krachtens artikel 65, lid 1, punt a), door de EDPB moeten worden opgelost.
- Volgens artikel 4, punt 22, is een betrokken toezichthoudende autoriteit een toezichthoudende autoriteit die betrokken is bij de verwerking van persoonsgegevens omdat:
- (a) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker op het grondgebied van de lidstaat van die toezichthoudende autoriteit is gevestigd 12 ;
- (b) de betrokkenen die in de lidstaat van die toezichthoudende autoriteit verblijven, door de verwerking wezenlijke gevolgen ondervinden of waarschijnlijk zullen ondervinden; of
- (c) bij die toezichthoudende autoriteit een klacht is ingediend.
- De EDPB meent dat het hierbij om in wezen heldere en eenvoudig geformuleerde vereisten gaat, zodat op dit punt in beginsel geen speciale vereisten in acht hoeven te worden genomen. Wat betreft punt a) zal het over het algemeen eenvoudig zijn om te bepalen of er sprake is van een vestiging. Hetzelfde geldt voor punt c) en de vraag of bij een bepaalde toezichthoudende autoriteit een klacht is ingediend. Opgemerkt moet worden dat de betrokkene volgens punt b) slechts in de betreffende lidstaat hoeft te verblijven; hij of zij hoeft geen staatburger van dat land te zijn 13 .
- Bij twijfel lijkt het met het oog op de juridische consequenties passend dat elke autoriteit moet beredeneren waarom zij betrokken is.
- De formulering 'wezenlijke gevolgen ondervinden' is in WP244 verder afgebakend door een opsomming van factoren (zoals het gebruik van een bepaalde taal of van een bepaalde valuta, de beschikbaarheid van een dienst in de betrokken lidstaat, een concreet adres van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker). Bij het beantwoorden van de vraag of zij betrokken is, moet elke autoriteit rekening houden met deze factoren.
- Als een voorheen niet-betrokken toezichthoudende autoriteit op enig moment tijdens een lopende artikel 60-procedure betrokken raakt (bijvoorbeeld omdat bij haar een klacht is ingediend), wordt de volgende basisprocedure gevolgd:
- GLYPH<UNKNOWN> de betrokken toezichthoudende autoriteit moet de leidende toezichthoudende autoriteit onmiddellijk haar status meedelen en haar verzoeken om tot de één-loketprocedure te worden toegelaten;
- GLYPH<UNKNOWN> de leidende toezichthoudende autoriteit moet erop toezien dat deze nieuwe betrokken toezichthoudende autoriteit om die reden betrokken wordt en moet haar ervan in kennis
stellen dat zij tot de besluitvormingsprocedure is toegelaten. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit merkt dat een voorheen niet-betrokken autoriteit wel een betrokken autoriteit is of is geworden, moet zij die autoriteit van deze statusverandering op de hoogte stellen 14 .
- Een toezichthoudende autoriteit moet in elk stadium van een lopende samenwerkingsprocedure betrokken kunnen raken, maar dit mag niet van invloed zijn op de procedure die in artikel 60 is verankerd. Geen van de in artikel 60 voorgeschreven termijnen en procedures wordt dientengevolge dus gewijzigd. De termijn van artikel 60, lid 4, die ingaat zodra de leidende toezichthoudende autoriteit haar ontwerpbesluit heeft voorgelegd, blijft gelden, ongeacht het feit dat er zich in de tussentijd een nieuwe betrokken toezichthoudende autoriteit bij de procedure kan aansluiten.
- Om die reden kan de betrokken toezichthoudende autoriteit zich afvragen of haar zaak nog doeltreffend binnen de lopende samenwerkingsprocedure kan worden behandeld en of zij in plaats daarvan niet beter een nieuwe procedure kan beginnen, bijvoorbeeld omdat (enkele) kernthema's van de zaak die bij de betrokken toezichthoudende autoriteit voorligt in de bestaande procedure niet aan de orde komen.
Onafhankelijkheid van toezichthoudende autoriteiten binnen de samenwerkingsprocedure
- Volgens artikel 52, lid 1, treden de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in het kader van een samenwerkingsprocedure allen op als onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten.
- Het HvJ-EU heeft echter benadrukt 15 dat de onafhankelijkheid van de toezichthoudende autoriteiten is ingevoerd om een grotere bescherming te geven aan betrokkenen en niet om de toezichthoudende autoriteiten zelf een bijzondere positie te verlenen 16 . Onafhankelijkheid wordt daarom begrepen als absolute bescherming tegen invloed van buitenaf. In deze context, echter, vormen de toezichthoudende autoriteiten een eenheid binnen het kader van een Europees bestuurlijk netwerk waarbinnen zij verantwoordelijk zijn voor een consistente toepassing van de AVG in de gehele Unie.
- Het feit dat in de bepaling waarbij de toezichthoudende autoriteiten worden opgericht (artikel 51, lid 2) naar de samenwerkingsprocedure wordt verwezen, onderstreept het belang van het samenwerkingsmechanisme voor het functioneren van het uniforme toezicht en voor een doeltreffende beschermingsnorm, te realiseren door een consistente toepassing van de AVG in de Unie.
- De EDPB onderstreept in dit verband dat alle stappen van de samenwerkingsprocedure verenigbaar zijn met de wettelijk voorgeschreven onafhankelijkheid die krachtens het primaire recht en artikel 52 aan de toezichthoudende autoriteiten is verleend, want zoals hierboven is beschreven gaat het om onafhankelijkheid van invloeden van buitenaf en laat deze de algemene verplichting tot samenwerking, die in artikel 60 als overkoepelende plicht is vastgelegd, onverlet.
14 Deze hele procedure dient te verlopen via het informatiesysteem van de EDPB.
Schrems/DPC, punt 99 [ECLI:EU:C:2015:650]; bevestigd in zaak C-311/18, Schrems II, punt 115 [ECLI:EU:C:2020:559].
15 HvJ-EU, zaak C-518/07, Commissie/Duitsland, punten 25 en 32 e.v. [ECLI:EU:C:2010:125] en zaak C-362/14,
- Opgemerkt moet worden dat toezichthoudende autoriteiten, in hun hoedanigheid als nationale bestuurlijke autoriteiten, krachtens het nationale recht een zekere beoordelingsruimte genieten wanneer zij met de nodige zorgvuldigheid een handelswijze bepalen die bevorderlijk is voor het algemeen belang dat zij dienen (zie artikel 51, lid 1). Deze discretionaire bevoegdheid moet overeenkomstig hetgeen in de AVG is bepaald en overeenkomstig passende in het Unierecht en het lidstatelijke recht bepaalde procedurele waarborgen, onpartijdig, behoorlijk en binnen een redelijke termijn worden uitgeoefend.
- De beoordelingsruimte die de toezichthoudende autoriteiten als onafhankelijk optredende overheidsinstanties toekomt, zonder invloed van externe belanghebbenden, kan, zeker gelet op het recht van de Unie, niet onbeperkt zijn, aangezien zij (zowel de leidende toezichthoudende autoriteit als de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten) de plicht hebben om gezamenlijk op te treden en in een concrete zaak verantwoordelijk zijn voor de genomen (of niet genomen) besluiten.
Invloed van nationale procedureregels
Omdat niet alle bijzonderheden van de samenwerking in de AVG geregeld zijn, moeten bij de uitoefening van de taken en bevoegdheden die bij artikel 57 en artikel 58 aan de toezichthoudende autoriteiten zijn opgedragen een beroep worden gedaan op het nationale procesrecht.
Vaak bevatten rechtsinstrumenten van de EU procedurele bepalingen (zoals de AVG-artikelen op grond waarvan bepaalde bevoegdheden aan de toezichthoudende autoriteiten worden verleend), maar wanneer het EU-recht niet in specifieke procedureregels voorziet, is het nationale procesrecht van toepassing. In zulke gevallen geldt doorgaans het beginsel van nationale procesautonomie, wat een algemeen beginsel van het EU-recht is. Zoals in de jurisprudentie van het HvJ-EU uitvoerig wordt beschreven, wordt dit algemeen beginsel beperkt door het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel van de EU 17 . In deze beginselen is bepaald dat voor aangelegenheden waarover op EU-niveau wordt besloten de toepasselijke nationale voorschriften niet ongunstiger mogen zijn dan voor zuiver nationale aangelegenheden (gelijkwaardigheid). Daarnaast mag de toepassing van nationale bepalingen het niet bijzonder moeilijk of praktisch onmogelijk maken om het doel van de Europese rechtsnormen te bewerkstelligen (doeltreffendheid).
Omdat het een gegeven is dat de nationale administratieve regels uiteenlopen, kan de toepassing daarvan verschillen veroorzaken en (ten dele) verklaren waarom toezichthoudende autoriteiten zaken op verschillende manieren behandelen en onderzoeken. Deze verschillen in het nationale (proces)recht mogen echter niet leiden tot uitholling van het gelijkwaardigheidsbeginsel of het doeltreffendheidsbeginsel.
Hieruit volgt dat wanneer het EU-recht en de nationale voorschriften zich niet op deze wijze met elkaar laten verzoenen, d.w.z. wanneer een nationale bepaling in strijd is met het EU-recht, de nationale regelgeving die niet met het EU-recht strookt in beginsel niet wordt toegepast 18 .
Ten aanzien van het samenwerkingsmechanisme benadrukt de EDPB daarom dat nationaal (proces)recht dat het realiseren van effectieve samenwerking 'bijzonder moeilijk of praktisch onmogelijk maakt' niet verenigbaar is met de AVG en dat 'die nationale regels verenigbaar moeten zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht, hetgeen noodzakelijk is om een ongelijke behandeling [...] te voorkomen' (Hof van Justitie, C-290/91, punt 8). Als de bovengenoemde verzoening niet mogelijk blijkt, heeft dat als consequentie dat een autoriteit moet overwegen om dat nationale recht niet toe te passen aangezien het om een verplichting gaat die aan alle lidstaten is opgelegd.
ARTIKEL 60, LID 1 - WEDERZIJDSE VERPLICHTING
Algemeen
- Artikel 60, lid 1, voorziet in een algemene samenwerkingsverplichting, waaraan alle toezichthoudende autoriteiten in gelijke mate gehouden zijn. De gebiedende formulering 'werkt [...] samen' maakt duidelijk dat er ten aanzien van de samenwerkingsplicht geen speelruimte bestaat maar dat het om een wettelijke verplichting gaat.
- Artikel 60, lid 1, bevat basisbeginselen en overkoepelende beginselen die van toepassing zijn op het gehele verloop van de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten. In aansluiting op de formulering van dit artikel bestaan de kernformuleringen van de samenwerkingsprocedure uit het 'tot een consensus proberen te komen' en de plicht tot '[uitwisseling van] alle relevante informatie' .
- De EDPB wijst er nadrukkelijk op dat deze verplichtingen moeten worden nagekomen door de leidende toezichthoudende autoriteit en door alle andere betrokken toezichthoudende autoriteiten (wederzijdse verplichting).
Tot een consensus proberen te komen
- Het 'tot een consensus proberen te komen' moet als een juridische doelstelling worden begrepen 19 , die geen wettelijke verplichting inhoudt om in een bepaalde zaak consensus te bereiken. Deze juridische doelstelling is evenwel van doorslaggevende invloed op alle handelingen van alle betrokken toezichthoudende autoriteiten gedurende de gehele samenwerkingsprocedure. Deze doelstelling bepaalt namelijk de koers van het gezamenlijk optreden, in die zin dat de toezichthoudende autoriteiten alles in het werk stellen en 'zich inspannen om iets [i.c. consensus] te bereiken' 20 .
- Een procedure voor samenwerking 'teneinde tot een consensus proberen te komen' houdt noodzakelijkerwijs in dat er onderling standpunten en documenten over de aangelegenheid in kwestie worden uitgewisseld. Deze onderlinge uitwisseling moet ervoor zorgen dat rekening wordt gehouden met alle voor de zaak relevante omstandigheden. Ook kan dit helpen om geschillen te voorkomen 21 .
20 Van Dale: 'proberen'.
- Dat optreden op basis van consensus het uitgangspunt behoord te zijn, wordt verder verduidelijkt door hetgeen in artikel 60, lid 11, en artikel 66, lid 1, is bepaald: de betrokken toezichthoudende autoriteit kan 'in buitengewone omstandigheden' respectievelijk 'in afwijking van [...] de in artikel 60 bedoelde procedure' dringende maatregelen nemen 22 .
- Het belang van deze doelstelling blijkt tevens uit een vergelijking van de bestaande tekst met het oorspronkelijke AVG-voorstel van de Commissie van 2012. Daarin werd niet gerept over 'consensus' en werd eenvoudigweg uitgegaan van de exclusieve competentie van de leidende toezichthoudende autoriteit in grensoverschrijdende zaken. De huidige tekst weerspiegelt het feit dat de EU-wetgever voor een andere benadering heeft gekozen, een benadering waarbij de nadruk ligt op verplichte samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten. Deze samenwerking wordt geacht eerlijk en constructief te verlopen 23 . Bij hun streven naar consensus moeten de toezichthoudende autoriteiten alle mogelijke wegen bewandelen, wat onder meer inhoudt dat zij relevante informatie onderling uitwisselen, dat zij elkaar de gelegenheid geven om hun standpunt over de uitgewisselde informatie kenbaar te maken en dat zij rekening houden met de zienswijze van andere betrokken toezichthoudende autoriteiten 24 .
- Hiermee is op de leidende toezichthoudende autoriteit en andere betrokken toezichthoudende autoriteiten de verplichting komen te rusten om samenwerkingsvormen te kiezen die optimaal bijdragen tot het bereiken van de beschreven consensus.
De verplichting tot uitwisseling van alle relevante informatie
Een belangrijke tweede prioriteit van de samenwerkingsprocedure bestaat uit de verplichte uitwisseling van 'alle relevante informatie' tussen de betrokken toezichthoudende autoriteiten. Deze verplichting geldt voor de gehele samenwerkingsprocedure.
- De uitwisseling van relevante informatie is een wederzijdse verplichting die onmisbaar is om de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten doeltreffend hun rol te laten vervullen, bv. wanneer zij moeten bepalen of er sprake is van een inbreuk op de AVG 25 .
- De onderlinge uitwisseling van informatie is met name van belang wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit geen gezamenlijke werkzaamheden heeft gepland (artikel 60, lid 2, en artikel 62) en er geen gebruik wordt gemaakt van verzoeken tot wederzijdse bijstand (artikel 60, lid 2, en artikel 61) voor het gezamenlijk vergaren van relevante informatie. Wanneer deze aanvullende procedures, die vanzelfsprekend intensievere contacten en coördinatie vergen, niet worden gebruikt, moeten de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten terugvallen op de onderlinge uitwisseling van informatie conform artikel 60, leden 1 en 2.
24 2012/0011 (COD) artikel 51, lid 2.
3.3.1 Het begrip 'relevante informatie'
- Welke informatie als 'relevant' moet worden beschouwd, hangt af van de omstandigheden van het concrete geval. In beginsel moet alle informatie die direct of indirect bijdraagt tot afronding van de procedure als relevant worden aangemerkt, zoals voldoende informatie over de feitelijkheden en juridische aspecten die typerend zijn voor de zaak. Reeds bekende of openbaar beschikbare informatie hoeft niet per se te worden gedeeld.
- De informatie-uitwisseling is dus geen doel op zich, maar dient ertoe om alle betrokken toezichthoudende autoriteiten te helpen bij de behandeling van de zaak en om hun rol als toezichthoudende autoriteit fatsoenlijk te kunnen vervullen. Met het oog op de praktische uitvoering is het dus absoluut noodzakelijk dat alle betrokken partijen op de juiste manier te werk gaan, te weten proportioneel en samenwerkingsgezind. Bij elke zaak moet dus eigenlijk de vraag worden gesteld over welke informatie een toezichthoudende autoriteit zelf zou moeten beschikken om de zaak te kunnen behandelen.
- In het geval van een leidende toezichthoudende autoriteit, bijvoorbeeld, gaat het daarbij om alle relevante informatie die is verzameld in het kader van de contacten met de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, waarbij de leidende toezichthoudende autoriteit fungeert als 'enige gesprekspartner' van de verwerkingsverantwoordelijke (onderzoeksbevindingen, verslagen, gedachtewisselingen met de verwerkingsverantwoordelijke, notulen van vergaderingen, aanvullend bewijsmateriaal enz.).
- Als het om bijzonder grote hoeveelheden informatie gaat, moet de leidende toezichthoudende autoriteit proberen om de argumenten in het ontwerpbesluit te onderbouwen met samenvattingen, uittreksels of verslagen.
- Voor een andere betrokken toezichthoudende autoriteit houdt dit een verplichting in om alle relevante informatie over de zaak (klacht, melding van een gegevenslek enz.) waarover die autoriteit beschikt en die van nut is bij het beoordelen van de juridische en feitelijke omstandigheden van de zaak proactief mee te delen aan de leidende toezichthoudende autoriteit en aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. Daarbij kan het gaan om processtukken, argumenten, correspondentie met betrokkenen of bevindingen die de betrokken toezichthoudende autoriteit bv. tijdens het vooronderzoek heeft gedaan, of om nationale controles waarbij bij de nationale vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke in een grensoverschrijdende context een mogelijke inbreuk is geconstateerd.
De toezichthoudende autoriteiten kunnen bijvoorbeeld de volgende informatie uitwisselen:
- -informatie die gevolgen heeft voor de nieuwe toewijzing van competenties van de leidende toezichthoudende autoriteit en voor de verdeling van verantwoordelijkheden/bevoegdheden van de betrokken toezichthoudende autoriteiten 26 (bv. een verandering met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijkheid, de hoofdvestiging enz.);
- -correspondentie met de verwerkingsverantwoordelijke of betrokkenen over een klacht of onderzoek;
26 Zie punt 5 hierboven.
- -vergaderingen met verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers: agenda, reikwijdte en opdracht, notulen van de vergadering/beoordeling van de uitkomst van de vergadering, geplande vervolgstappen;
- -notulen van hoorzittingen en nieuwe behandelingen, ook met betrekking tot afzonderlijke aspecten van de zaak;
- -vragenlijsten die naar de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker zijn gestuurd;
- -een eventueel eerste ontwerpverslag over het onderzoek of de controle;
- -eventuele (juridische of technische) deskundigenverslagen, ook van externe partijen;
- -de geplande omvang van een onderzoek, controleverslagen, notulen van onderzoeken;
- -getuigenverklaringen en ander juridisch bewijs, andere relevante aanwijzingen of ervaringen met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker of de gegevensverwerking, administratieve praktijken;
- -informatie om de juiste insteek te kunnen kiezen: bij een onderzoek naar een uiterst technische aangelegenheid, bijvoorbeeld, is het waarschijnlijk dat informatie over technische aspecten zeer relevant is, terwijl dergelijke aspecten in andere zaken minder relevant zijn.
- -Opmerking: de bovengenoemde voorbeelden zijn niet uitputtend. Welke informatie door de toezichthoudende autoriteiten als 'relevant' wordt beschouwd, hangt af van de omstandigheden van de specifieke zaak.
Voor het uitwisselen van dergelijke informatie moet het informatiesysteem van de EDPB worden gebruikt.
- Gelet op het beginsel van minimale gegevensverwerking van artikel 5, lid 1, punt c), moet per geval worden beoordeeld of het nodig is om persoonsgegevens te verstrekken. Persoonsgegevens mogen alleen worden uitgewisseld wanneer de behandeling van een specifiek onderwerp dat vergt.
- De leidende toezichthoudende autoriteit en andere betrokken toezichthoudende autoriteiten kunnen bepaalde informatie als (zeer) vertrouwelijk bestempelen, vooral wanneer dat nodig lijkt om te voldoen aan de in nationale wetgeving vastgelegde geheimhoudingsvereisten. In dat geval brengen de toezichthoudende autoriteiten elkaar daarvan onmiddellijk op de hoogte en zoeken zij gezamenlijk naar een juridische oplossing, in het besef dat vertrouwelijkheidsvoorschriften gewoonlijk van toepassing zijn op externe derden en niet op betrokken toezichthoudende autoriteiten. Daarbij is het zo dat ontvangen informatie waarvoor nationale geheimhoudingsregels gelden niet mag worden gepubliceerd of overhandigd aan derden zonder dat eerst, waar mogelijk, is overlegd met de autoriteit van oorsprong.
- Bij verzoeken om openbare inzage moeten de toezichthoudende autoriteiten met elkaar overleggen alvorens inzage te verlenen of te weigeren in documenten die tijdens de samenwerkingsprocedure zijn uitgewisseld, onverminderd de nationale regelgeving op het gebied van transparantie.
3.3.2 Tijdschema van de informatie-uitwisseling
- Artikel 60, lid 1, bevat geen tijdschema, aangezien het in dat lid om een algemene verplichting gaat die losstaat van concrete tijdschema's. Voor een effectieve handhaving van de AVG in de hele EU is het
- echter nodig dat alle betrokken toezichthoudende autoriteiten alle relevante informatie tijdig ontvangen, d.w.z. zo snel als redelijkerwijs mogelijk is. De EDPB meent daarom dat de wederzijdse verplichting tot het uitwisselen van alle relevante informatie noodzakelijkerwijs al geldt voordat de leidende toezichthoudende autoriteit haar ontwerpbesluit voorlegt.
- Om het bereiken van een consensus gemakkelijker te maken, moet de informatie worden gedeeld op een moment waarop de leidende toezichthoudende autoriteit de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten nog kan laten meewegen. Dit moet voor elk stadium van de procedure gelden. Daarmee moet bovenal worden voorkomen dat de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten voor voldongen feiten komen te staan, bijvoorbeeld als gevolg van het feit dat de nationale wetgeving niet in bepaalde stadia van de procedure voorziet.
- Artikel 60 biedt de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten wat dit betreft tevens een 'bezinningsperiode'. Dat wil zeggen dat er, voordat er 'formele' stappen worden gezet, gelegenheid bestaat om met behulp van 'informele' uitwisselingen van 'alle relevante informatie' makkelijker tot een consensus te komen, zonder strikte termijnen. Hoe uitgebreider en vroegtijdiger de informatie-uitwisseling tussen de betrokken toezichthoudende autoriteiten, hoe groter de kans dat zo snel mogelijk een consensus wordt bereikt.
- De EDPB adviseert daarom, als minimaal uitgangspunt, dat de leidende toezichthoudende autoriteit alles in het werk moet stellen om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten proactief te informeren over het toepassingsgebied en de hoofdconclusies van haar ontwerpbesluit, nog voordat zij dat besluit officieel voorlegt. Dat geeft de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten de gelegenheid om zich daar zelf een oordeel over te vormen en om eventuele vragen tijdig bij de leidende toezichthoudende autoriteit aan te kaarten. De leidende toezichthoudende autoriteit kan besluiten om deze kwesties af te wikkelen voordat zij het ontwerpbesluit formeel uitvaardigt en dus voordat zij de zeer strikte procedure van artikel 60, leden 4 en 5, voor het maken van bezwaar tegen het ontwerpbesluit in gang zet.
- Bij dit alles moet worden bedacht dat het samenwerkingsmechanisme is bedoeld als hulpmiddel en moet bijdragen aan de effectieve handhaving van gegevensbescherming binnen de EU. Door voortdurend praktische ervaring op te doen en flexibel te zijn bij het kiezen van de beste samenwerkingsvormen, moeten de toezichthoudende autoriteiten beste praktijken ontwikkelen.
ARTIKEL 60, LID 2 - WEDERZIJDSE BIJSTAND EN GEZAMENLIJKE WERKZAAMHEDEN
Algemeen
- Artikel 60, lid 2, heeft betrekking op specifieke vormen van samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten tijdens de gehele samenwerkingsprocedure waarin artikel 60 voorziet, dus binnen het kader van het éénloketmechanisme.
- Artikel 60, lid 2, gaat verder dan de in artikel 60, lid 1, bedoelde plicht tot uitwisseling van alle relevante informatie en voorziet in een specifieke samenwerkingsvorm waarvan de leidende toezichthoudende autoriteit in een concrete zaak zo nodig gebruik kan maken: zij verzoekt één of meer
betrokken toezichthoudende autoriteiten om wederzijdse bijstand te verlenen of zij verzoekt één of meer betrokken toezichthoudende autoriteiten om deel te nemen aan gezamenlijke werkzaamheden die de leidende toezichthoudende autoriteit onderneemt.
- De toepassing van de artikelen 61 en 62 als bedoeld in artikel 60, lid 2, houdt in dat hetgeen in die artikelen is bepaald moet worden gelezen in samenhang met artikel 60 en dus dat dit moeten worden toegespitst op de precieze inhoud van een samenwerkingsprocedure en op de rolverdeling waarin het één-loketmechanisme en meer bepaald artikel 60, lid 2, voorziet.
- In artikel 60, lid 2, worden de belangrijkste redenen voor die samenwerking genoemd, namelijk het uitvoeren van onderzoeken of het toezicht op de uitvoering van een maatregel betreffende een in een andere lidstaat gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, en daarmee wordt de nadruk gelegd op twee fasen in de samenwerkingsprocedure waarin voor die samenwerkingsinstrumenten een rol is weggelegd: ten eerste tijdens de onderzoeksfase, voordat het definitieve besluit wordt vastgesteld; ten tweede tijdens de uitvoeringsfase, nadat het definitieve besluit is vastgesteld en dit aan de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker is meegedeeld.
Vereisten van artikel 60, lid 2
4.2.1 De leidende toezichthoudende autoriteit kan verzoeken
- Omdat naar de leidende toezichthoudende autoriteit wordt verwezen, schept deze bepaling de contouren van het optreden in het kader van het één-loketmechanisme en plaatst het in de context van een concrete zaak die wordt behandeld, nadat de leidende toezichthoudende autoriteit is bepaald. Vervolgens moet worden onderstreept dat alleen bij een samenwerkingsprocedure die verband houdt met een concrete, lopende grensoverschrijdende zaak gebruikgemaakt kan worden van de in artikel 60, lid 2, bedoelde wederzijdse bijstand of gezamenlijke onderzoeken.
- Uit de ruimte die de leidende toezichthoudende autoriteit geniet bij de uitvoering van het onderzoek of bij de follow-up van de maatregelen die de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker heeft getroffen om aan haar besluit te voldoen, volgt dat de leidende toezichthoudende autoriteit op grond van de formulering 'kan [...] verzoeken' gemachtigd is om het voortouw te nemen, maar alleen indien zij dat met het oog op de onderhavige zaak noodzakelijk of passend acht. Gelet op het feit dat de AVG de leidende toezichthoudende autoriteit niet opdraagt om gebruik te maken van die mogelijkheden, is het aan de leidende toezichthoudende autoriteit om te beslissen of zij, overeenkomstig respectievelijk artikel 61 en artikel 62, om wederzijdse bijstand of het uitvoeren van gezamenlijke werkzaamheden verzoekt.
- Artikel 60, lid 2, heeft alleen betrekking op verzoeken van de leidende toezichthoudende autoriteit en niet op verzoeken van de betrokken toezichthoudende autoriteit 27 aan de leidende toezichthoudende autoriteit in de context van de samenwerkingsprocedure van artikel 60, aangezien in die verzoeken al is voorzien bij artikel 60, lid 1, waar sprake is van uitwisseling 'van alle relevante informatie' .
27 In artikel 56, lid 5, is bepaald dat indien de leidende toezichthoudende autoriteit besluit een zaak niet te behandelen vanwege het lokale karakter van de zaak, de betrokken toezichthoudende autoriteit de leiding over het onderzoek op zich neemt en de zaak overeenkomstig de artikelen 61 en 62 behandelt. Mocht de betrokken toezichthoudende autoriteit die de zaak behandelt de leidende toezichthoudende autoriteit om bijstand moeten vragen, dan is de artikel 60-procedure niet van toepassing en gelden de artikelen 61 en 62 rechtstreeks, buiten het bestek van artikel 60, lid 2.
4.2.2 De formulering 'te allen tijde'
- Deze formulering houdt in dat de leidende toezichthoudende autoriteit, steeds wanneer zij die stap gerechtvaardigd vindt met het oog op de volledige uitoefening van haar competentie tijdens de samenwerkingsprocedure van artikel 60, verzoeken om wederzijdse bijstand of gezamenlijke werkzaamheden kan doen uitgaan.
- In het kader van één en dezelfde samenwerkingsprocedure in verband met een specifieke zaak kan de leidende toezichthoudende autoriteit uiteenlopende verzoeken doen uitgaan. Die verzoeken kunnen te maken hebben met wederzijdse bijstand, gezamenlijke werkzaamheden of beide. De leidende toezichthoudende autoriteit moet wel voor ogen houden dat het om verzoeken dient te gaan die nodig zijn voor en passen bij het onderzoek, het besluitvormingsproces of het toezicht op de uitvoering van het besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.
4.2.3 De andere betrokken toezichthoudende autoriteiten als adressaten
- Volgens artikel 60, lid 2, zijn de adressaten van de verzoeken van de leidende toezichthoudende autoriteit over het algemeen de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten die actief hebben laten blijken betrokken te willen worden bij een bepaalde samenwerkingsprocedure 28 . Voor verzoeken om wederzijdse bijstand in het kader van artikel 61 geldt niet dat alle betrokken toezichthoudende autoriteiten automatisch adressaten zijn van de verzoeken of dat zij bij de handeling in kwestie een rol moeten spelen. Het is namelijk aan de leidende toezichthoudende autoriteit om te beoordelen wie het beste een bijdrage aan een lopende zaak kan leveren. Omgekeerd geldt dat wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit gezamenlijke werkzaamheden wil uitvoeren, alle relevante betrokken toezichthoudende autoriteiten op grond van artikel 62, lid 2, het recht hebben om daaraan deel te nemen 29 .
- In de laatste fase van de samenwerkingsprocedure - de fase waarop artikel 60, lid 10, ziet en die te maken heeft met vervolgmaatregelen inzake de naleving van het definitieve besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker - kan de leidende toezichthoudende autoriteit op grond van de specifieke kenmerken van de zaak in kwestie opnieuw besluiten welke betrokken toezichthoudende autoriteiten een rol moeten spelen bij de maatregelen waarmee ter plaatse de uitvoering van het besluit moet worden gecontroleerd. Overeenkomstig haar besluit in dezen verstuurt zij de verzoeken om bijstand (bv. naar de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat waarin de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker vestigingen heeft).
Verzoeken om wederzijdse bijstand
- Het instrument voor wederzijdse bijstand behelst meerdere manieren waarop de toezichthoudende autoriteiten met elkaar kunnen samenwerken ten behoeve van een consistente uitvoering en toepassing van de AVG, daarbij rekening houdend met de geografische spreiding van de vestigingen van verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers en van betrokkenen. Om welke vorm van bijstand concreet wordt verzocht, hangt echter af van de specifieke omstandigheden van de zaak. Verder speelt een rol dat de leidende toezichthoudende autoriteit de enige gesprekspartner is van de
29 De leidende toezichthoudende autoriteit kan de deelname echter naar eigen goeddunken openstellen voor niet-betrokken toezichthoudende autoriteiten.
verwerkingsverantwoordelijke of verwerker voor wat betreft het specifieke geval van grensoverschrijdende verwerking dat wordt behandeld.
- In het kader van de artikel 60-procedure kan de leidende toezichthoudende autoriteit bij een grensoverschrijdende zaak de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) verzoeken om elke vorm van wederzijdse bijstand die verondersteld wordt bij te dragen tot het vaststellen van een besluit in die zaak.
- Tijdens de onderzoeksfase kunnen er zich diverse situaties voordoen waarin de leidende toezichthoudende autoriteit één of meer andere betrokken toezichthoudende autoriteiten om wederzijdse bijstand moet vragen. De meest voorkomende situatie is wellicht dat de betrokken toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend om bijstand wordt gevraagd (bv. een verzoek om meer informatie van de zijde van de klager, om bepaalde feiten tegen het licht te houden of om bewijs te verzamelen in de vestiging van de organisatie in die lidstaat). In die gevallen wordt slechts één betrokken toezichthoudende autoriteit ingeschakeld.
- Vanwege de omstandigheden waaronder de gegevens worden verwerkt of de verdeling van taken over de diverse vestigingen, kan het echter gebeuren dat de leidende toezichthoudende autoriteit één of meer betrokken toezichthoudende autoriteiten moet vragen om informatie aan te leveren of om in een aantal lidstaten onderzoek te doen in één of meer vestigingen van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. In die gevallen richt de leidende toezichthoudende autoriteit haar verzoek tot de relevante betrokken toezichthoudende autoriteit(en).
- Na afloop van de artikel 60-procedure en nadat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker de leidende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 60, lid 10, heeft meegedeeld welke maatregelen hij heeft getroffen om te voldoen aan het definitieve besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit, kan de leidende toezichthoudende autoriteit, wanneer zij de andere betrokken toezichthoudende autoriteit(en) van die maatregelen op de hoogte brengt, de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) alsnog vragen om wederzijdse bijstand, waarbij wordt gecontroleerd of, en zo ja, hoe de vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker in de betreffende lidstaat het besluit heeft uitgevoerd.
- Verzoeken om wederzijdse bijstand in het kader van artikel 60, lid 2, moeten voldoen aan de algemene voorschriften van artikel 61, zowel wat betreft het doel en de motivering van het verzoek van de leidende toezichthoudende autoriteit als wat het eventuele antwoord van de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) betreft.
- Wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit een verzoek van de leidende toezichthoudende autoriteit ontvangt, moet zij overeenkomstig artikel 61, lid 2, de nodige stappen zetten om 'onverwijld' en in elk geval 'uiterlijk binnen één maand na ontvangst' te antwoorden.
- Het idee dat aan een artikel 60-procedure een zekere mate van prioriteit moet worden toegekend, is al vervat in artikel 60, lid 3, waarin de term 'onverwijld' wordt gebruikt, en komt tot uitdrukking in de strikte termijnen van de leden 4 en 5. Met de in artikel 61 gebruikte term 'onverwijld' wordt ook de noodzaak van snel optreden door de toezichthoudende autoriteit benadrukt, hoewel verzoeken om wederzijdse bijstand een scala aan maatregelen kunnen inhouden. Met het volledig inwilligen van verzoeken kunnen dus uiteenlopende termijnen gemoeid zijn. Overeenkomstig artikel 61, lid 2, in
samenhang met artikel 61, lid 5, moet(en) de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) de leidende toezichthoudende autoriteit hoe dan ook uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek informeren 'over de resultaten of, in voorkomend geval, de voortgang van de maatregelen die in antwoord op het verzoek zijn genomen'.
Gezamenlijke werkzaamheden opzetten
- Volgens artikel 60, lid 2, kan de leidende toezichthoudende autoriteit gezamenlijke werkzaamheden ondernemen overeenkomstig artikel 62, in het bijzonder voor het uitvoeren van onderzoeken of voor het toezicht op de uitvoering van een maatregel betreffende een in een andere lidstaat gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.
- In het kader van haar leidende rol in de artikel 60-procedure kan de leidende toezichthoudende autoriteit, steeds wanneer zij meent dat een lopende zaak baat heeft bij een gezamenlijk onderzoek of bij gezamenlijke handhavingsmaatregelen, gezamenlijke werkzaamheden opzetten en de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) vragen zich daarbij aan te sluiten, hoewel een betrokken toezichthoudende autoriteit niet verplicht is om daar gehoor aan te geven.
- Gezamenlijke werkzaamheden kunnen door de leidende toezichthoudende autoriteit in de eigen lidstaat worden georganiseerd of zij kan die organiseren in de vorm van een gezamenlijk onderzoek door de betrokken toezichthoudende autoriteiten. Dat onderzoek wordt dan uitgerold in de lidstaten waar de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker vestigingen heeft en is bedoeld om ter plaatse de controles te verrichten die gelet op de uitkomst van de samenwerkingsprocedure noodzakelijk zijn. De leidende toezichthoudende autoriteit kan ook het initiatief tot gezamenlijke werkzaamheden nemen die bestaan uit gezamenlijke handhavingsmaatregelen van de relevante betrokken toezichthoudende autoriteiten. Op één en hetzelfde moment wordt dan gemonitord hoe in de vestigingen van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker die gehouden zijn aan het besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit uitvoering wordt gegeven aan dat besluit.
ARTIKEL 60, LID 3 - VERPLICHTINGEN INZAKE DE INFORMATIEVERSTREKKING DOOR DE LEIDENDE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT EN HET ONTWERPBESLUIT
- In artikel 60, lid 3, wordt het besluitvormingsproces beschreven, een belangrijke fase in de procedure voor samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten. Deze fase is bedoeld om snel tot een consensusbesluit over de uitkomst van de zaak te komen.
- In artikel 60, lid 3, staan de taken van de leidende toezichthoudende autoriteit centraal en worden drie belangrijke verplichtingen geformuleerd:
- GLYPH<UNKNOWN> zij deelt alle relevante informatie over de aangelegenheid onverwijld mee aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten;
- GLYPH<UNKNOWN> zij legt aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten onverwijld te hunner beoordeling een ontwerpbesluit voor;
- GLYPH<UNKNOWN> zij houdt naar behoren rekening met de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
Deze verplichtingen moeten worden gezien in het verlengde van de op consensus gebaseerde benadering die in artikel 60, lid 1, is vastgesteld.
Artikel 60, lid 3, eerste zin: de verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om onverwijld informatie mee te delen
5.1.1 De term 'onverwijld'
- De term 'onverwijld' wordt in beide zinnen van artikel 60, lid 3, gebruikt. De eerste zin bevat de verplichting voor de leidende toezichthoudende autoriteit om onverwijld alle relevante informatie over de aangelegenheid mee te delen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, terwijl de tweede zin bepaalt dat de leidende toezichthoudende autoriteit verplicht is om onverwijld een ontwerpbesluit aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten voor te leggen.
- Hoewel de term 'onverwijld' op diverse plaatsen in de AVG wordt gebruikt, wordt daar in artikel 4 geen verdere invulling aan gegeven.
- Omdat artikel 60, lid 3, een wettelijke bepaling van het Unierecht is, moet met het oog op de eenvormige toepassing van de AVG aan de term 'onverwijld' een ten opzichte van het nationale recht autonome uitleg worden gegeven.
- De term 'onverwijld' was onderwerp van een arrest van het HvJ-EU (18.11.1999, C-151/98 P, overweging 25), in de context van Verordening (EU) nr. 2377/90. Het HvJ-EU oordeelde dat het Gerecht terecht had vastgesteld dat artikel 8, lid 3, punt b), niet nauwkeurig bepaalt binnen welke termijn de Commissie bij de Raad een voorstel inzake de te nemen maatregelen moet indienen en dat juist door de uitdrukking 'onverwijld' te gebruiken, de gemeenschapswetgever de Commissie weliswaar opdraagt met spoed te handelen, maar haar een zekere manoeuvreerruimte heeft gelaten.
- Overeenkomstig het arrest van het HvJ-EU meent de EDPB daarom dat de term 'onverwijld' in de context van artikel 60, lid 3, eerste zin, een verplichting tot spoedig handelen inhoudt 30 .
- Het feit dat de wetgever in dit verband de term 'onverwijld' heeft ingevoegd, duidt erop dat zij de noodzaak constateerde om het tempo te verhogen van de met het ontwerpbesluit verband houdende informatiestroom. Niettemin kon vanwege de diversiteit aan zaken op dit punt geen specifieke termijn worden bepaald. De EDPB is daarom van mening dat de term 'onverwijld' inhoudt dat de informatie niet in letterlijke zin onmiddellijk of binnen een bepaald tijdsbestek moet worden verstrekt, maar wel zonder terughoudendheid, te weten binnen een beoordelingstermijn waarvan de lengte wordt bepaald door de omstandigheden van het concrete geval. Samengevat betekent dit dat de leidende toezichthoudende autoriteit proactief en zo snel als de zaak toelaat moet optreden. Dit geldt uiteraard evenzeer voor de reactie van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten op het verzoek van de leidende toezichthoudende autoriteit.
- De leidende toezichthoudende autoriteit moet nagaan op welke wijze zij kan bijdragen aan het plannen van de werkzaamheden van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, zodat het voor de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten makkelijker wordt om tijd te reserveren voor hun
30 In punt 115 van zijn conclusie in zaak C-645/19 stelt advocaat-generaal Bobek dat de AVG in beginsel vereist dat de leidende toezichthoudende autoriteit in gevallen van grensoverschrijdende verwerking onmiddellijk optreedt. Hoewel onmiddellijk optreden niet synoniem is aan met spoed optreden, meent de EDPB dat wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit proactief en zo snel mogelijk optreedt zij voldoet aan de eis om onmiddellijk op te treden.
bijdrage aan het ontwerpbesluit. Als de omstandigheden dat toelaten, kan dat bijvoorbeeld met behulp van een indicatief tijdschema.
Voorbeeld 2 : Voorafgaand aan het onderzoek zorgt de leidende toezichthoudende autoriteit proactief voor een snelle verspreiding van het tijdschema voor de stappen die zij voornemens is te zetten. Nadat het onderzoek is afgerond, stuurt de leidende toezichthoudende autoriteit de betrokken toezichthoudende autoriteiten tijdig een samenvatting van de uitkomsten van het onderzoek, in de vorm van een notitie, met een korte, redelijke reactietermijn 31 . Dit gebeurt in het kader van 'informeel overleg' via het informatiesysteem van de EDPB.
Vervolgens wisselt de leidende toezichthoudende autoriteit de verzamelde relevante informatie uit en werkt zij het tijdschema bij met de datum waarop zij voornemens is om een voorontwerp van een besluit te verspreiden, de datum waarop de betrokken toezichthoudende autoriteiten hun opmerkingen over het voorontwerp van het besluit moeten hebben ingediend, plus de perioden waarin zij wil overleggen met de getroffen partijen.
- Bij wijze van beste praktijk kunnen de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten afspreken dat is voldaan aan de verplichting om 'onverwijld' relevante informatie uit te wisselen wanneer er sprake is van een zodanig proactieve, snelle en uitvoerige uitwisseling van alle relevante informatie dat de betrokken toezichthoudende autoriteiten die informatie tijdig kunnen onderzoeken, beoordelen en van een reactie voorzien.
5.1.2 De term 'relevante informatie'
- Wat betreft het begrip 'relevante informatie' kan worden verwezen naar de opmerkingen in punt 3.3.
- Bij artikel 60, lid 3, eerste zin, is een informatieplicht van de leidende toezichthoudende autoriteit jegens de betrokken toezichthoudende autoriteiten vastgesteld, in tegenstelling tot artikel 60, lid 1, tweede zin, waarbij de uitwisseling van informatie tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten wordt geregeld. Het meedelen van relevante informatie door de leidende toezichthoudende autoriteit houdt volgens artikel 60, lid 3, eerste zin, in samenhang met artikel 60, lid 1, tweede zin, uiteindelijk verband met het voorleggen van het ontwerpbesluit. Relevante informatie die alleen door de leidende toezichthoudende autoriteit geraadpleegd kan worden, moet met behulp van het informatiesysteem van de EDPB worden doorgezonden aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
- De kerngedachte achter de samenwerkingsprocedure is dat er een consensusbesluit wordt bereikt en dat de zaak door samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten tot een goed einde wordt gebracht. De rol van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in de samenwerkingsprocedure behelst daarom meer dan alleen het recht om krachtens artikel 60, lid 4, relevante en gemotiveerde bezwaren te mogen indienen. Om precies te zijn moeten de betrokken toezichthoudende autoriteiten voordat het ontwerpbesluit wordt opgesteld de gelegenheid hebben om een bijdrage te leveren aan de procedure als geheel. Ook kunnen zij voordat het ontwerpbesluit wordt opgesteld hun standpunt laten blijken.
- Als vuistregel moet de leidende toezichthoudende autoriteit daarom proberen om de voorlopige resultaten te verspreiden alvorens zij het ontwerpbesluit voorlegt, en vooral wanneer er
31 Wat onder 'redelijk' dient te worden verstaan, moet per geval worden beoordeeld en kan uiteenlopen van enkele weken tot een maand of langer.
uiteenlopende standpunten mogen worden verwacht of wanneer het de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten enige tijd zal kosten om zich vertrouwd te maken met de aangelegenheid in kwestie. De leidende toezichthoudende autoriteit krijgt zodoende de gelegenheid om kennis te nemen van de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, zodat zij daar bij het opstellen van het ontwerpbesluit terdege rekening mee kan houden.
Voorbeeld 3: Na een vooronderzoek in een op een klacht gebaseerde zaak met aanwijzingen dat persoonsgegevens door zakenpartners ook voor andere doeleinden zijn gebruikt, brengt de leidende toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in een vroeg stadium op de hoogte van deze constatering, zodat kan worden afgesproken of de zaak uitsluitend op basis van de klacht wordt voorgezet of dat het onderzoek tot de secundaire gegevensverwerking wordt uitgebreid.
Voorbeeld 4: Nadat het feitenonderzoek is afgerond, verschaft de leidende toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten een samenvatting van de belangrijke uitkomsten en noemt zij, zoals in dit geval passend is, een aantal belangrijke punten ter overweging, zodat een gemeenschappelijk basis voor de beoordeling van de inhoudelijke aspecten van de zaak kan ontstaan. Deze verwachte interactie tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten is cruciaal om al aan het begin zicht te krijgen op de verschillende standpunten en vervolgens alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de gelederen worden gesloten.
Voorbeeld 5 : In een later stadium, dichter bij het moment waarop het ontwerpbesluit wordt voorgelegd, hebben alle betrokken toezichthoudende autoriteiten een beeld van de feiten en een oordeel over de mogelijke inbreuken die tijdens de onderzoekfase zijn geconstateerd. In die voorlopige resultaten en de nadere beoordeling worden de bepalingen genoemd waarop mogelijk inbreuk is gemaakt alsook de geplande maatregelen die de toezichthoudende autoriteiten uit hoofde van artikel 58, lid 2, en artikel 83, lid 2, moeten nemen.
- Zoals hierboven is geschetst en duidelijk wordt uit de voorbeelden, behoort het gangbare praktijk te zijn dat controversiële en afwijkende juridische opvattingen worden uitgewisseld en dat van gedachten wordt gewisseld over bijkomende stappen die al dan niet zijn gezet en/of aspecten die al dan niet aan de orde zijn gesteld. Zo kan worden voorkomen dat er discussie ontstaat over verschillende interpretaties van de AVG en dat voor een besluit daarover moet worden uitgeweken naar de procedure voor de beslechting van geschillen.
- Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit uit eigen beweging besluit om een onderzoek te starten, en niet naar aanleiding van aspecten die door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zijn aangedragen, doet zij dat niettemin binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid. De opvattingen van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten kunnen er dus niet toe leiden dat de leidende toezichthoudende autoriteit de omvang van haar onderzoek moet aanpassen 32 .
32 Dat gezegd zijnde, kan een betrokken toezichthoudende autoriteit in het uiterste geval wel bezwaar aantekenen tegen de omvang van het onderzoek, zoals wordt benadrukt in EDPB, Richtsnoeren 9/2020 inzake relevant en gemotiveerd bezwaar, punt 9. Wel moet dat bezwaar, zoals in de richtsnoeren wordt verduidelijkt, voldoen aan alle in artikel 4, punt 24, genoemde eisen.
Artikel 60, lid 3, tweede zin: de verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om een 'ontwerpbesluit' voor te leggen
5.2.1 Wettelijke verplichting om een ontwerpbesluit voor te leggen
- Artikel 60, lid 3, tweede zin, verplicht de leidende toezichthoudende autoriteit ertoe een ontwerpbesluit voor te leggen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteit(en). Dat het gaat om een voorschrift dat moet worden opgevolgd in alle gevallen waarin artikel 60 van toepassing is, blijkt uit het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord 'voorleggen' . Deze werkwoordstijd wordt in de Nederlandstalige versie van Europese wetgeving gebruikt voor bepalingen met een verplichtend karakter (in de Engelstalige versie wordt in die gevallen het hulpwerkwoord 'shall' gebruikt).
- In alle één-loketprocedures is de leidende toezichthoudende autoriteit krachtens artikel 60, lid 3, tweede zin, verplicht om een ontwerpbesluit voor te leggen. De competentie van de leidende toezichthoudende autoriteit stoelt op artikel 56, lid 1, dat bij alle kwesties die verband houden met grensoverschrijdende verwerkingen als 'lex specialis' moet worden beschouwd. De competentie van de leidende toezichthoudende autoriteit krachtens artikel 56, lid 1, wordt in zulke gevallen uitgeoefend 'overeenkomstig de procedure van artikel 60' ; de leidende toezichthoudende autoriteit die in het kader van het één-loketmechanisme optreedt, is derhalve gehouden aan de bepalingen van artikel 60, met inbegrip van artikel 60, lid 3, tweede zin.
- Bijgevolg moet de leidende toezichthoudende autoriteit in alle gevallen een ontwerpbesluit voorleggen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, ook wanneer een klager zijn klacht intrekt nadat de artikel 60-procedure al in gang is gezet of wanneer er uit hoofde van het nationaal recht geen (definitief) besluit van materieel belang wordt uitgevaardigd.
- In die gevallen dient het ontwerpbesluit tevens als laatste vorm van coördinatie tussen alle toezichthoudende autoriteiten die bij de één-loketprocedure zijn betrokken, ook wat betreft de juridische mogelijkheden van artikel 60, lid 4, en volgende. In zaken naar aanleiding van een klacht vormt het ontwerpbesluit tevens de basis voor de besluiten van de betrokken toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 60, leden 8 en 9.
Voorbeeld 6: Nadat een één-loketprocedure is ingesteld naar aanleiding van een klacht, maakt de verwerkingsverantwoordelijke, na te zijn benaderd door de leidende toezichthoudende autoriteit, direct een einde aan de inbreuk. Gelet op de zaak en het gedrag van de verwerkingsverantwoordelijke, concludeert de leidende toezichthoudende autoriteit dat de zaak kan worden afgesloten. De leidende toezichthoudende autoriteit vaardigt een ontwerpbesluit uit waarin staat dat zij voornemens is de zaak te sluiten, met daarbij een gedegen onderbouwing van haar handelswijze. Vervolgens worden de resterende stappen gezet die in artikel 60 worden beschreven.
- Zoals in deel 3.2 hierboven is toegelicht en door de EDPB in Richtsnoeren 9/2020 inzake relevant en gemotiveerd bezwaar is aangestipt, moeten alle betrokken toezichthoudende autoriteiten ernaar streven tekortkomingen in de consensusvorming te verhelpen zodat een ontwerpbesluit kan worden opgesteld waarmee iedereen het eens is. De leidende toezichthoudende autoriteit legt het ontwerpbesluit aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten 'te hunner beoordeling' voor, dus met de bedoeling om de betrokken toezichthoudende autoriteiten te raadplegen over de inhoud van het ontwerpbesluit (merk ook op dat in artikel 60, lid 4, melding wordt gemaakt van de
'raadpleging' waartoe de leidende toezichthoudende autoriteit 'overeenkomstig lid 3 van dit artikel' verplicht is). De raadpleging met het oog waarop het ontwerpbesluit wordt voorgelegd, moet, nogmaals, dus worden gezien in het licht van het consensusstreven waarom het mechanisme van artikel 60 in zijn geheel draait (zie deel 5.2.4 verderop over de formulering 'houdt naar behoren rekening met hun standpunten' ).
- De EDPB adviseert de leidende toezichthoudende autoriteit om bij wijze van beste praktijk de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten van tevoren te laten weten dat zij voornemens is om een ontwerpbesluit voor te leggen. Daarbij kan het indicatieve tijdschema worden gevolgd dat de leidende toezichthoudende autoriteit als onderdeel van de relevante informatie (overeenkomstig artikel 60, lid 1) heeft verstrekt, met name bij zaken waarin een groot aantal betrokken toezichthoudende autoriteiten een rol speelt en/of zaken die gevoelige vragen oproepen. Los daarvan kunnen de betrokken toezichthoudende autoriteiten hun beoordeling van het ontwerpbesluit beter organiseren en de in artikel 60, lid 4, genoemde termijn van vier weken maximaal benutten als zij weten wat er op stapel staat.
- Met betrekking tot het aspect van de verplichting dat betrekking heeft op het 'voorleggen' , adviseert de EDPB om dit uitsluitend via het informatiesysteem van de EDPB te doen, zodat vaststaat op welke datum het ontwerpbesluit is voorgelegd - de datum waarop de in artikel 60, lid 4, genoemde termijn van vier weken ingaat - en het zeker is dat alle betrokken toezichthoudende autoriteiten het ontwerpbesluit op hetzelfde moment ontvangen. Deze werkwijze garandeert dat het ontwerpbesluit veilig en vertrouwelijk kan worden voorgelegd. Verder is deze werkwijze nodig met het oog op eventuele bezwaren tegen het ontwerpbesluit en op mogelijke meningsverschillen tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en een betrokken toezichthoudende autoriteit, die een aanleiding vormen voor de procedure van artikel 65, lid 1, punt a) 33 . Het informatiesysteem van de EDPB lijkt het meest aanwezen middel om ervoor te zorgen dat de voorlegging van het ontwerpbesluit van een duidelijk tijdsstempel wordt voorzien. Bovendien sluit het gebruik van dat systeem aan bij artikel 60, lid 12.
- Inhoudelijk moet het voorgelegde ontwerpbesluit in beginsel alle aspecten omvatten die de betrokken toezichthoudende autoriteiten nodig hebben om dat besluit te kunnen beoordelen (zie deel 6.2.2 hieronder). Bovendien moet, gelet op het consensusstreven dat ten grondslag ligt aan de samenwerkingsprocedure als geheel, met name bij zaken die aanleiding geven tot corrigerende maatregelen en waarbij grote hoeveelheden relevante informatie worden uitgewisseld om inzicht te krijgen in de motivering en de onderzoekingen die tot het ontwerpbesluit hebben geleid, de 'relevante informatie' ten behoeve van het ontwerpbesluit worden uitgewisseld alvorens het ontwerpbesluit wordt voorgelegd. In andere, eenvoudiger zaken waarvoor geldt dat het ontwerpbesluit voor zich spreekt en er geen of bijzonder weinig relevante informatie hoeft te worden uitgewisseld, kan die relevante informatie samen met het ontwerpbesluit worden verspreid. In beginsel houdt de verplichting van artikel 60, lid 3, tweede zin, dus in dat de leidende toezichthoudende autoriteit alleen het ontwerpbesluit als zodanig hoeft voor te leggen.
33 Volgens artikel 11, lid 2, punt e), van het Reglement van Orde moet de leidende toezichthoudende autoriteit 'bewijsstukken betreffende het tijdstip waarop en de vorm waarin het (herziene) ontwerpbesluit is afgegeven' verstrekken, teneinde het secretariaat in staat te stellen om na te gaan of het ontwerpbesluit (of het herziene ontwerpbesluit) en de bezwaren schriftelijk en binnen de gestelde wettelijke termijnen zijn ingediend.
- Daarnaast roept de EDPB in herinnering dat de leidende toezichthoudende autoriteit erop moet toezien dat het ontwerpbesluit dat zij in dit stadium voorlegt volledig beantwoordt aan de eventuele bepalingen in de nationale wetgeving met betrekking tot het recht van de partijen tot wie het ontwerpbesluit is gericht om te worden gehoord (met name de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker in kwestie en de klager, indien een klacht op grond van de toepasselijke nationale wetgeving moet worden afgewezen of verworpen). De leidende toezichthoudende autoriteit hoeft daarom niet samen en tegelijkertijd met het ontwerpbesluit de eventueel benodigde documenten voor te leggen om te bewijzen dat het recht om te worden gehoord is geëerbiedigd, maar zij moet in het ontwerpbesluit zelf wel melding maken van de stappen die zijn gezet om de eerbiediging daarvan te verzekeren.
5.2.2 De term 'ontwerpbesluit'
- De voorlegging van het ontwerpbesluit moet als één van de sleutelaspecten van het samenwerkingsmechanisme worden gezien. Enerzijds is het namelijk de doorslaggevende en laatste gelegenheid voor onderling overleg over nog bestaande verschillen van inzicht en anderzijds is het voor de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten de enige kans om relevante en gemotiveerde bezwaren in te dienen.
- De AVG zelf bevat geen beschrijving van het begrip 'ontwerpbesluit'. Gezien de betekenis en het doel van de samenwerkingsprocedure zouden voor het begrip 'ontwerpbesluit' op EU-niveau gemeenschappelijk minimumnormen moeten worden ontwikkeld, zodat alle betrokken toezichthoudende autoriteiten op behoorlijke wijze kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces.
- Volgens artikel 288, eerste zin, VWEU, worden met besluiten de bevoegdheden [van de Unie] uitgeoefend. Wanneer in de AVG de competenties van de gegevensbeschermingsautoriteiten worden vastgesteld, worden de termen 'taken' (artikel 57) en 'bevoegdheden' (artikel 58) gebruikt.
- In overweging 129 wordt beschreven aan welke formele vereisten de juridisch bindende maatregelen moeten voldoen die de toezichthoudende autoriteiten bevoegd zijn te nemen. Die maatregelen moeten:
- GLYPH<UNKNOWN> schriftelijk zijn;
- GLYPH<UNKNOWN> duidelijk en ondubbelzinnig zijn geformuleerd;
- GLYPH<UNKNOWN> vermelden welke toezichthoudende autoriteit die de maatregel heeft uitgevaardigd 34 ;
- GLYPH<UNKNOWN> de datum van uitvaardiging vermelden;
- GLYPH<UNKNOWN> ondertekend zijn door een gemachtigd lid van de toezichthoudende autoriteit;
- GLYPH<UNKNOWN> de redenen voor de maatregel bevatten;
- GLYPH<UNKNOWN> naar het recht op een doeltreffende voorziening in rechte verwijzen.
34 Dit geldt ook voor klachten die worden afgewezen of verworpen.
- Deze formele aspecten stemmen overeen met de jurisprudentie van het Hof inzake besluiten van EUorganen in de zin van artikel 288, eerste zin, VWEU 35 en van het Handvest van de grondrechten 36 . Hoewel deze bepalingen bedoeld zijn ter regulering van de EU-organen, zijn zij richtinggevend en kunnen aan de hand daarvan conclusies worden getrokken over de vorm en inhoud van een ontwerpbesluit, want de respectieve competenties worden op grond van het Unierecht aan de toezichthoudende autoriteiten toegekend.
- Uit de bovengenoemde voorwaarden volgt de interpretatie dat elk besluit waarmee rechtsgevolgen worden beoogd een beschrijving van de relevante feiten, een deugdelijke motivering en een gedegen juridische beoordeling moet bevatten. In de kern dienen deze vereisten de rechtszekerheid en de juridische bescherming van de betrokken partijen. Voor het toezicht op de gegevensbescherming betekent dit dat de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker en de klager alle redenen tot zich moeten kunnen nemen om te besluiten of zij de zaak laten voorkomen 37 . Voor het besluitvormingsproces in het kader van het samenwerkingsmechanisme geldt evenzo dat de betrokken toezichthoudende autoriteiten een besluit over eventuele stappen moeten kunnen nemen (bv. instemmen met het besluit, hun standpunt over de aangelegenheid in kwestie kenbaar maken).
- In artikel 60, lid 3, tweede zin, wordt over een ' ontwerp besluit' gesproken. Over het algemeen wordt met een ontwerp een niet-definitieve versie van een document bedoeld. Het gaat om een vroege versie van een document dat ter afronding nog verdere bewerking behoeft. Afgezien van die laatste bewerking bevat een ontwerp alle aspecten van het definitieve document, maar het ontwerp kan nog verder worden besproken of aangepast. Die besprekingen leiden ertoe dat het ontwerp door de beoordelaars wordt aanvaard of dat het overeenkomstig hun opmerkingen wordt aangepast. Dit sluit aan bij de formulering in de AVG, die luidt dat het ontwerpbesluit 'te hunner beoordeling' aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten moet worden voorgelegd.
- Met het oog op de uitoefening van hun taken in het kader van een samenwerkingsprocedure moeten de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten de zaak aan de hand van uitgebreide stukken kunnen beoordelen. De andere betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten de zaak, de conclusies van de leidende toezichthoudende autoriteit en de aan die conclusies ten grondslag liggende motivering volledig kunnen volgen.
Voorbeeld 7: Om te kunnen begrijpen dat een bepaalde boete gepast is, moeten de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten weten hoe hoog de voorgestelde boete is en moeten zij de bijzonderheden van het oordeel kennen. In een besluit dat aan de bovengenoemde minimumvoorwaarden voldoet, worden die aspecten normaal gesproken uitvoerig besproken.
- Gelet op de bovenstaande bevindingen geldt dat een ontwerpbesluit een voorlopig voorstel is dat qua vorm overeenkomt met het definitieve besluit. Afgezien van procedurele aspecten is het enige verschil tussen een ontwerpbesluit en een definitief besluit dat het stadium van de (laatste) raadpleging van
37 Zie ook: overweging 129, laatste zin.
36 Artikel 41, lid 2, punt c), van het Handvest van de grondrechten ( 'de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden' ).
de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten nog niet is doorlopen, plus het feit dat het ontwerpbesluit nog geen extern bindend karakter heeft. Indien er uit hoofde van artikel 60, leden 4 en 5, geen relevante en gemotiveerde bezwaren worden ingediend, wordt het ontwerpbesluit voor alle toezichthoudende autoriteiten juridisch bindend (zie artikel 60, lid 6) 38 .
- Gelet op de eerdergenoemde grondwettelijke vereisten waaraan een juridisch besluit als bedoeld in het Unierecht moet voldoen en in het licht van de betekenis en het doel van de samenwerkingsprocedure moeten vorm en inhoud van een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 60, lid 3, tweede zin, overeenkomen met het besluit dat de competente toezichthoudende autoriteiten in een specifieke zaak zal vaststellen. De EDPB meent in dit verband dat het linkerdeel van de samenstelling 'ontwerpbesluit' louter verwijst naar de voorlopige aard die een gevolg is van de in artikel 60, lid 3, tweede zin, vervatte verplichting tot betrokkenheid.
- In gevallen waarin een klacht wordt ingetrokken nadat de artikel 60-procedure in gang is gezet of wanneer er op grond van het nationaal recht geen (definitief) besluit van materieel belang wordt uitgevaardigd, moet het ontwerpbesluit gegeven de omstandigheden van de zaak zo worden aangepast dat tegemoet wordt gekomen aan hetgeen in punt 113 is bepaald. Dit houdt in dat de leidende toezichthoudende autoriteit in het ontwerpbesluit in elk geval blijk moet geven van haar voornemen om de zaak te sluiten en dat de motivering recht doet aan de zaak in kwestie. Op basis van die motivering moeten de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in hun eigen jurisdictie de zaak ten minste kunnen verdedigen.
- Voorts wijst de EDPB erop dat de bestaande informatieverplichtingen in het kader van de samenwerkingsprocedure in beginsel niet van invloed zijn op de vorm en inhoud van het ontwerpbesluit. Het is cruciaal dat er in alle stadia van de procedure onafgebroken transparantie wordt betracht, maar dit doet niet af aan de noodzaak van een correcte beschrijving van de zaak en van de juridische beoordeling als onderdeel van het ontwerpbesluit zelf.
- De wetgever heeft het samenwerkingssysteem opgezet met de bedoeling dat de competente toezichthoudende autoriteiten in een eerder stadium consensus proberen te bereiken over alle relevante kwesties met betrekking tot de betreffende zaak en wel door het voortdurend uitwisselen van informatie. De EDPB wil daarom benadrukken dat alle betrokken toezichthoudende autoriteiten ernaar moeten streven tekortkomingen in de consensusvorming te verhelpen zodat een ontwerpbesluit kan worden opgesteld waarmee iedereen het eens is.
- Deze opmerkingen gelden onverminderd eventuele aanvullende vereisten die op grond van het nationale recht aan besluiten worden gesteld.
5.2.3 De term 'onverwijld' in het kader van het voorleggen van het ontwerpbesluit
Volgens artikel 60, lid 3, tweede zin, legt de leidende toezichthoudende autoriteit het ontwerpbesluit 'onverwijld' voor aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. Door het ontwerpbesluit tijdig voor te leggen, vermindert het risico dat de grondrechten en fundamentele vrijheden van betrokkenen worden geschonden. Indien de toezichthoudende autoriteiten tijdig corrigerende maatregelen treffen, kan immers worden voorkomen dat een inbreuk voortduurt.
Wat betreft de juridische invulling van de term 'onverwijld' geldt dat de analyse in deel 5.1.1 ook hier van toepassing is. De leidende toezichthoudende autoriteit moet daarom voortvarend een ontwerpbesluit opstellen, zodat zij dat aan één of meer andere betrokken toezichthoudende autoriteiten kan voorleggen. Wel is het daarbij zo dat de termijnen waarbinnen de leidende toezichthoudende autoriteit ontwerpbesluiten moet voorleggen vanwege de complexiteit en de verscheidenheid van zaken aanmerkelijk kunnen verschillen.
De vraag hoeveel tijd er nodig is om een ontwerpbesluit voor te leggen, moet worden beoordeeld aan de hand van een objectief criterium. Ook moet rekening worden gehouden met de kenmerken van de concrete zaak en de in artikel 60, lid 1, geformuleerde overkoepelende verplichting tot samenwerking 'teneinde tot een consensus proberen te komen' , die in dit geval betrekking heeft op de fase voorafgaand aan de voorlegging van het ontwerpbesluit.
Voorbeeld 8: Bij een tamelijk eenvoudig onderzoek naar een klacht met betrekking tot de rechten van betrokkenen, waarvan de uitkomst moet worden meegedeeld aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteit als zijnde relevante informatie in de zin van artikel 60, lid 3, eerste zin, moet de leidende toezichthoudende autoriteit in staat zijn om het ontwerpbesluit kort na de afronding van het onderzoek voor te leggen.
Bij zaken waarin sprake is van een complex onderzoek en meerlagige bevindingen is het gerechtvaardigd dat de leidende toezichthoudende autoriteit na afronding van het onderzoek wat meer tijd nodig heeft om het ontwerpbesluit voor te leggen (de betrokken toezichthoudende autoriteiten zijn van dit feit op de hoogte gebracht) 39 .
- Er moet op worden gewezen dat de klager volgens artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten er recht op heeft dat zijn of haar klacht binnen een redelijke termijn wordt behandeld. In zijn arrest van 8 mei 2014 (C-604/12) heeft het Hof bepaald dat het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur een afspiegeling vormt van een algemeen beginsel van het Unierecht. Deze gedachte moet ook worden gehuldigd wanneer uitvoering aan het Unierecht wordt gegeven in de vorm van het bestuursrecht van lidstaten, zoals bij de artikel 60-procedure. Dit geldt des te meer daar in overweging 129 wordt herhaald dat de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten (zoals de bevoegdheden om onderzoek te verrichten en corrigerende maatregelen te nemen, waaronder het opleggen van sancties) 'behoorlijk en binnen een redelijke termijn' moeten worden uitgeoefend. De termijn waarbinnen de leidende toezichthoudende autoriteit in een zaak naar aanleiding van een klacht een ontwerpbesluit kan voorleggen, mag dus niet dusdanig lang zijn dat de behandeling van een klacht onredelijk veel tijd vergt.
5.2.4 De formulering 'houdt naar behoren rekening met hun standpunten'
- Om de leidende toezichthoudende autoriteit in staat te stellen rekening te houden met de standpunten van andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, hebben laatstgenoemden de opdracht om hun standpunt in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure kenbaar te maken. Dat 'standpunt' moet ruimer worden opgevat dan uitsluitend relevante en gemotiveerde bezwaren. Met artikel 60, lid 3, tweede zin, wordt namelijk niet alleen bedoeld dat de leidende toezichthoudende autoriteit rekening moet houden met relevante en gemotiveerde bezwaren (artikel 60, leden 4 en 5), maar ook met kanttekeningen, steunbetuigingen en opmerkingen.
- De EDPB is van mening dat de leidende toezichthoudende autoriteit verplicht is om vóór en na het voorleggen van het ontwerpbesluit naar behoren rekening te houden met de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. De samenwerkingsprocedure staat namelijk van begin tot eind in het teken van de verplichting om te proberen tot een consensus te komen en het voorleggen van het ontwerpbesluit betekent niet dat die verplichting komt te vervallen.
- Met het oog daarop moet in het ontwerpbesluit al zo uitgebreid mogelijk worden ingegaan op de argumenten en de standpunten die de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten hebben aangedragen. Volgens overweging 125, tweede zin, moet de leidende toezichthoudende autoriteit de betrokken toezichthoudende autoriteiten nauw bij het besluitvormingsproces betrekken en nauw met ze samenwerken. De mate waarin dat nodig is, kan per geval verschillen.
- Dat de leidende toezichthoudende autoriteit verplicht is om bij het opstellen van het ontwerpbesluit naar behoren rekening te houden met de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten kan ook worden afgeleid uit de formulering van artikel 60, lid 3, tweede zin, voor zover die formulering betrekking heeft op standpunten die vóór de voorlegging van het ontwerpbesluit worden ingediend. De op de leidende toezichthoudende autoriteit rustende verplichting om na voorlegging van het ontwerpbesluit naar behoren rekening te houden met de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten houdt in dat zij rekening houdt met relevante en gemotiveerde bezwaren, maar ook met kanttekeningen en opmerkingen die tijdens de in artikel 60, leden 4 en 5, bedoelde termijnen zijn gemaakt.
- Deze verplichting betekent dat de leidende toezichthoudende autoriteit de standpunten en argumenten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten inhoudelijk moet laten meewegen. Daarin moet zij zorgvuldig te werk gaan, want de samenwerkingsprocedure is bedoeld om tot een consensusbesluit te komen.
- Bij wijze van beste praktijk moet de leidende toezichthoudende autoriteit ingaan op de standpunten van alle betrokken toezichthoudende autoriteiten. Uit de overkoepelende verplichting om te proberen tot een consensus te komen, vloeien voor de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten daarmee samenhangende verplichtingen voort. Dit houdt in dat de leidende toezichthoudende autoriteit verplicht is om rekening te houden met alle standpunten. De leidende toezichthoudende autoriteit is evenwel niet verplicht om alle standpunten over te nemen. Dit geldt in het bijzonder wanneer er onder de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten tegengestelde standpunten leven.
- In artikel 60, lid 3, tweede zin, staat de formulering 'houdt naar behoren rekening' met de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, terwijl in overweging 130,
tweede zin, staat dat bij het nemen van maatregelen die rechtsgevolgen beogen te hebben, waaronder het opleggen van administratieve geldboeten, 'verregaand rekening' 40 moet worden gehouden met het standpunt van de betrokken toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend. Het verschil in formulering ( 'verregaand' in plaats van 'naar behoren' ) getuigt van de specifieke rol van de betrokken toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend en duidt erop dat de standpunten van deze betrokken toezichthoudende autoriteit sterker doorklinken in het ontwerpbesluit. Dit is een gevolg van de nauwe betrokkenheid van deze toezichthoudende autoriteit bij de zaak. Deze betrokken toezichthoudende autoriteit fungeert namelijk als het aanspreekpunt voor de klager en daarnaast moet zij overeenkomstig artikel 60, leden 8 en 9, mogelijk een besluit vaststellen en verdedigen.
ARTIKEL 60, LID 4 - BEOORDELING VAN DE BEZWAREN EN MOGELIJKHEID TOT INLEIDING VAN DE PROCEDURE VOOR DE BESLECHTING VAN GESCHILLEN
Doel van de bepaling
- Artikel 60, lid 4, ziet op de periode onmiddellijk na het voorleggen van het ontwerpbesluit door de leidende toezichthoudende autoriteit. Op het moment van voorlegging van het ontwerpbesluit gaat een termijn van vier weken in waarbinnen elke betrokken toezichthoudende autoriteit bezwaar tegen het ontwerpbesluit kan maken.
- Artikel 60, lid 4, neemt een unieke plaats in onder de diverse bepalingen van artikel 60, in de zin dat met dit lid een verband wordt aangebracht tussen de samenwerkingsprocedure en het coherentiemechanisme. Indien een betrokken toezichthoudende autoriteit 'een relevant en gemotiveerd bezwaar tegen het ontwerpbesluit indient, onderwerpt de leidende toezichthoudende autoriteit, indien zij het relevante en gemotiveerde bezwaar afwijst of het niet relevant of niet gemotiveerd acht, de aangelegenheid aan het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme' . Dit punt verdient bijzondere aandacht, gelet op het feit dat het in dit scenario niet is gelukt om consensus onder de toezichthoudende autoriteiten te bereiken, terwijl dat wel de essentie van de samenwerkingsprocedure is.
- De EDPB wijst er nogmaals op dat de hele procedure die bij artikel 60 is vastgesteld uiteindelijk is bedoeld om consensus te bereiken over de uitkomst van de zaak en dat het bereiken van consensus voorrang moet hebben boven het instellen van de geschillenbeslechtingsprocedure. De plicht tot samenwerking geldt voor elk stadium van de procedure en voor alle betrokken toezichthoudende autoriteiten. Gelet op artikel 60, lid 4, betekent dit dat zowel de andere betrokken toezichthoudende
40 De AVG voorziet in een nog grotere rol van de betrokken toezichthoudende autoriteit bij samenwerkingsprocedures in het kader van artikel 56 waarin de leidende toezichthoudende autoriteit haar recht overeenkomstig artikel 56, lid 4, eerste zin, heeft uitgeoefend en besluit de zaak zelf te behandelen. In die gevallen kan de betrokken toezichthoudende autoriteit volgens artikel 56, lid 4, tweede zin, bij de leidende toezichthoudende autoriteit een ontwerpbesluit indienen en houdt de laatstgenoemde 'zo veel mogelijk rekening' met dat ontwerp. Vergeleken met 'houdt naar behoren rekening met hun standpunten' krijgt de leidende toezichthoudende autoriteit met deze formulering een nog zwaarwegender verplichting opgelegd om rekening te houden met de standpunten van de betrokken toezichthoudende autoriteit.
autoriteiten als de leidende toezichthoudende autoriteit nauwgezet de eerdere fasen moeten doorlopen die in artikel 60, leden 1 en 3, zijn vastgesteld.
Relevante en gemotiveerde bezwaren van een betrokken toezichthoudende autoriteit
- Nadat de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 60, lid 3, door de leidende toezichthoudende autoriteit zijn geraadpleegd, kunnen zij binnen een termijn van vier weken relevante en gemotiveerde bezwaren indienen. De betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten namelijk 'zijn geraadpleegd overeenkomstig lid 3' .
6.2.1 Berekening van de termijn
- De termijn van vier weken gaat in op het moment waarop de leidende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 60, lid 3, tweede zin, het ontwerpbesluit voorlegt met behulp van het informatiesysteem van de EDPB. De berekening van de termijn waarbinnen eventuele bezwaren kunnen worden ingediend, vindt plaats op basis van Verordening nr. 1182/71 41 . Volgens artikel 3, lid 2, punt c), van Verordening nr. 1182/71 'gaat een in weken [...] omschreven termijn in bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag van de termijn en loopt deze termijn af bij het einde van het laatste uur van de dag die [...] in de laatste week [...] dezelfde naam of cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat' .
- Bij een zaak waarin een in weken uitgedrukte termijn ingaat op bijvoorbeeld een maandag, loopt deze termijn ook af op een maandag, in dit geval op de maandag vier weken later (om 23:59:59).
- Deze termijn omvat ook feestdagen, zondagen en zaterdagen, want in de AVG worden deze niet nadrukkelijk uitgesloten 42 . Indien de laatste dag van een termijn een feestdag, een zondag of een zaterdag is, dan loopt deze termijn echter af bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag 43 . Gezien het Europese karakter van de samenwerkingsprocedure moet bij het vaststellen van feestdagen worden uitgegaan van de feestdagen zoals die in het Publicatieblad van de Europese Unie 44 worden bekendgemaakt. Verder moet de tijdzone worden gebruikt van de plaats van vestiging van de EDPB.
- Om te voorkomen dat een termijn in het weekeinde afloopt, dient de initiatiefnemer (de leidende toezichthoudende autoriteit) de werkstroom alleen op werkdagen in gang te zetten en moet zij erop toezien dat de termijn niet op een Europese feestdag afloopt 45 . De EDPB moedigt leidende toezichthoudende autoriteiten aan om, voordat zij haar ontwerpbesluit voorlegt, in coöperatieve
43 Artikel 3, lid 4, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71.
42 Artikel 3, lid 3, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71.
45 Met als reden dat het informatiesysteem van de EDPB niet is ingericht op automatische verlenging van termijnen.
gezindheid stil te staan bij de mogelijke gevolgen van lange vakantieperioden, zodat de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zoveel mogelijk tijd hebben om op haar ontwerpbesluit te reageren.
- Tijdens de termijn van vier weken kan een betrokken toezichthoudende autoriteit één of meer bezwaren inbrengen tegen het ontwerpbesluit dat door de leidende toezichthoudende autoriteit is voorgelegd. Omdat een betrokken toezichthoudende autoriteit relevant en gemotiveerd bezwaar moet inbrengen tegen het ontwerpbesluit in zijn totaliteit, moet zij haar bezwaren in één keer indienen maar moet zij tussen de diverse bezwaren wel duidelijk onderscheid aanbrengen. Deze beste praktijk maakt het voor de leidende toezichthoudende autoriteit, en uiteindelijk voor de EDPB, makkelijker om een analyse uit te voeren in gevallen waarin het geschillenbeslechtingsmechanisme in werking treedt. Nadat een betrokken toezichthoudende autoriteit één of meer bezwaren heeft ingevoerd in het informatiesysteem van de EDPB en haar inbreng op enigerlei wijze of om enigerlei reden wenst te wijzigen, is dat mogelijk zolang dat gebeurt binnen de bij artikel 60, lid 4, vastgestelde termijn. Daartoe dient de betrokken toezichthoudende autoriteit de vorige versie van haar bezwaar/bezwaren te verwijderen en de nieuwe versie naar het informatiesysteem van de EDPB 46 te uploaden. Daardoor beschikken de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten steeds over de actuele tekst van het bezwaar/de bezwaren.
6.2.2 Relevante en gemotiveerde bezwaren
- Een gemeenschappelijke interpretatie van de formulering 'relevante en gemotiveerde bezwaren' vormt een van de sleutelaspecten van deze fase van de samenwerkingsprocedure. In artikel 4, punt 24, wordt onder 'relevant en gemotiveerd bezwaar' verstaan een bezwaar tegen een ontwerpbesluit over het bestaan van een inbreuk op deze verordening of over de vraag of de voorgenomen maatregel met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker strookt met deze verordening, waarin duidelijk de omvang wordt aangetoond van de risico's die het ontwerpbesluit inhoudt voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden van betrokkenen en, indien van toepassing, voor het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie.
- Zoals door de EU-wetgever is voorgesteld (overweging 124, laatste zin), heeft de EDPB richtsnoeren uitgevaardigd over de vraag wat onder een relevant en gemotiveerd bezwaar moet worden verstaan. De volgende punten bevatten daarom alleen verduidelijkingen die cruciaal zijn voor de artikel 60procedure en die nog niet in Richtsnoeren 9/2020 staan.
- Krachtens artikel 60, lid 4, heeft elke betrokken toezichthoudende autoriteit individueel en autonoom het recht om bezwaar te maken, dus onafhankelijk van de vraag of een andere betrokken toezichthoudende autoriteit al bezwaar heeft gemaakt met betrekking tot een bepaalde aangelegenheid. Wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit tegen meerdere punten bezwaar aantekent, moet elk bezwaar voldoen aan de voorwaarden die in artikel 4, punt 24, aan een relevant en gemotiveerd bezwaar worden gesteld 47 . Bijgevolg vormt het louter steunen van of verwijzen naar een relevant en gemotiveerd bezwaar van een andere betrokken toezichthoudende
46 De leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten krijgen automatisch een melding van het informatiesysteem van de EDPB wanneer er iets is toegevoegd.
autoriteit geen eigenstandig relevant en gemotiveerd bezwaar. Omwille van de rechtszekerheid en ten behoeve van de duidelijkheid en betrouwbaarheid van de bezwaarprocedure, beveelt de EDPB in dit verband aan dat elke betrokken toezichthoudende autoriteit bij de leidende toezichthoudende autoriteit haar eigen en volledige (formele) bezwaar indient, ook wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit zich wenst aan te sluiten bij het bezwaar van een andere betrokken toezichthoudende autoriteit 48 .
- Om aan alle elementen van de in artikel 4, punt 24, vastgestelde drempel te voldoen, moet een betrokken toezichthoudende autoriteit in beginsel uitdrukkelijk elk element van deze juridische definitie met betrekking tot elk specifiek bezwaar vermelden. Het is goede praktijk dat het bezwaar, indien mogelijk, ook een andersluidend voorstel kan bevatten dat de leidende toezichthoudende autoriteit in overweging kan nemen, dat volgens de betrokken toezichthoudende autoriteit de vermeende tekortkomingen van het ontwerpbesluit kan verhelpen.
- Zoals in artikel 60, lid 12, wordt verlangd, moeten de betrokken toezichthoudende autoriteiten de bezwaren langs elektronische weg indienen, door middel van een standaardformulier. Hiervoor wordt het informatiesysteem van de EDPB gebruikt.
- Wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit slechts een 'opmerking' bij een ontwerpbesluit plaatst, vormt dat geen bezwaar in de zin van artikel 4, punt 24. Het feit dat er opmerkingen zijn gemaakt, vormt geen verplichting om de procedure van artikel 65, lid 1, punt a), in gang te zetten indien de leidende toezichthoudende autoriteit besluit om geen gevolg aan de opmerkingen te geven 49 .
6.2.3 Beoordeling van de bezwaren die op grond van artikel 60, lid 4, tegen het ontwerp zijn ingediend
- De leidende toezichthoudende autoriteit moet alle mogelijke middelen aanwenden om met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten van gedachten te wisselen over de kwesties die in de relevante en gemotiveerde bezwaren aan de orde zijn gesteld. De EDPB brengt in herinnering dat het ontwerpbesluit van de leidende toezichthoudende autoriteit hoofdzakelijk voor zich moet spreken. In haar reactie op een bezwaar moet de leidende toezichthoudende autoriteit bij wijze van goede praktijk tegenover de betrokken toezichthoudende autoriteit niettemin verduidelijken waarom in het ontwerpbesluit een bepaald standpunt wordt ingenomen. Ook moet zij de betrokken toezichthoudende autoriteit in de gelegenheid stellen om haar bezwaren op de kortst mogelijke termijn verder toe te lichten. De leidende toezichthoudende autoriteit kan ook het voortouw nemen
bij het beleggen van vergaderingen of er via informeel overleg voor zorgen dat de motivering van de betreffende autoriteiten goed wordt begrepen.
- Na deze verdere samenwerking naar aanleiding van een bezwaar stelt de betrokken toezichthoudende autoriteit zichzelf de vraag of de reactie van de leidende toezichthoudende autoriteit tegemoetkomt aan haar zorgen. Als dat zo is, kan zij overwegen om haar bezwaar in te trekken 50 . Daartoe zal met name aanleiding zijn indien het meningsverschil na uitleg van de leidende toezichthoudende autoriteit slechts minimaal blijkt in vergelijking met het risico voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden van betrokkenen.
- Wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit een bezwaar besluit in te trekken, moet zij steeds preciseren welk bezwaar zij wil intrekken en er geen twijfel over laten bestaat dat zij dat bezwaar wil intrekken. Na voorlegging van het ontwerpbesluit kunnen gedurende een termijn van vier weken of wanneer het een herziene versie van een ontwerpbesluit betreft - van twee weken bezwaren worden ingetrokken. Het intrekken van een bezwaar gebeurt met behulp van hetzelfde informatiesysteem van de EDPB als waarmee het bezwaar destijds is ingediend. Ook na het verstrijken van deze termijn kunnen bezwaren worden ingetrokken 51 . De leidende toezichthoudende autoriteit moet deze intrekkingen registreren en moet de andere betrokken toezichthoudende autoriteit(en) daarvan via het informatiesysteem van de EDPB onverwijld op de hoogte brengen. Het betreft namelijk informatie die op grond van artikel 60, lid 1, als relevante informatie moet worden beschouwd.
- Wanneer uit de bezwaren van de diverse betrokken toezichthoudende autoriteiten blijkt dat verschillend over een bepaalde aangelegenheid 52 wordt geoordeeld, moet de leidende toezichthoudende autoriteit aangeven welke bezwaren zij wil honoreren en in welke mate en op welke wijze zij voornemens is dat te doen. Op hun beurt moeten de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zorgvuldig nagaan of het, gezien het standpunt van de leidende toezichthoudende autoriteit en/of van andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, raadzaam is om hun bezwaren in te trekken 53 . Het is belangrijk om in het oog te houden dat artikel 60 als overkoepelende doelstelling heeft dat besluiten voor zover mogelijk met consensus worden genomen. Deze doelstelling geldt zowel voor de leidende toezichthoudende autoriteit als voor de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
Voorlegging aan de EDPB
- In artikel 60, lid 4, staan twee alternatieve situaties, die er beide toe leiden dat de leidende toezichthoudende autoriteit het Comité om een besluit moet vragen:
- GLYPH<UNKNOWN> de leidende toezichthoudende autoriteit is van mening dat het bezwaar/de bezwaren niet relevant of gemotiveerd is/zijn;
50 Nadat de termijn van de procedure is verstreken, kan de betrokken toezichthoudende autoriteit in gevallen waarin het ontwerpbesluit zal worden herzien overwegen om haar bezwaar niet opnieuw in te brengen.
52 Dit soort situaties kan worden voorkomen wanneer de betrokken toezichthoudende autoriteiten voortdurend informatie uitwisselen.
51 Zoals bepaald in punt 27 van EDPB, Richtsnoeren 03/2021 over de toepassing van artikel 65, lid 1, punt a), kan een betrokken toezichthoudende autoriteit haar bezwaar ook intrekken nadat de procedure van artikel 65, lid 1, punt a), is ingeleid.
53 De betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten voor ogen houden dat de EDPB, mocht het tot geschillenbeslechting komen, zijn besluit bij (gekwalificeerde) meerderheid vaststelt.
- GLYPH<UNKNOWN> de leidende toezichthoudende autoriteit wijst één of meer relevante en gemotiveerde bezwaren af.
- In de eerste situatie is de leidende toezichthoudende autoriteit van mening dat het bezwaar dat door de betrokken toezichthoudende autoriteit is ingediend niet aan alle voorwaarden van artikel 4, punt 24, voldoet. Zij is dus van oordeel dat het bezwaar niet relevant en/of niet gemotiveerd is ten aanzien van de vraag of er sprake is van een inbreuk op de AVG en/of de vraag of de voorgenomen maatregel met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker aan de AVG voldoet. In de tweede situatie acht de leidende toezichthoudende autoriteit het bezwaar/de bezwaren wel relevant en gemotiveerd maar is zij niet voornemens dat/die te honoreren.
- De 'aangelegenheid' die aan het Comité wordt voorgelegd, heeft alleen betrekking op bezwaren die de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens is af te wijzen of die volgens haar niet voldoen aan alle elementen van de in artikel 4, punt 24, vastgestelde drempel. Punten waarover geen meningsverschillen bestaan worden dus niet onderworpen aan de in artikel 65, lid 1, punt a), bedoelde geschillenbeslechting.
- Hoewel in artikel 60, lid 4, geen uitdrukkelijke termijn wordt genoemd waarbinnen een aangelegenheid moet worden voorgelegd, volgt uit het feit dat het gaat om een aanstaand besluit waarbij risico's voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden van betrokkenen in het geding zijn, dat het voorleggen zo snel als de zaak in kwestie toelaat moet plaatsvinden 54 .
- In situaties waarin de leidende toezichthoudende autoriteit sommige bezwaren wil honoreren maar andere wil afwijzen en/of deze niet relevant en/of niet gemotiveerd acht, moet de leidende toezichthoudende autoriteit daarentegen een herzien ontwerpbesluit aan de procedure van artikel 60, lid 5, onderwerpen en wel overeenkomstig het volgende punt. De leidende toezichthoudende autoriteit moet in informele contacten duidelijk aangeven welke bezwaren zij in het herziene ontwerpbesluit wil honoreren en op welke wijze zij voornemens is dat te doen. Voorts moet de leidende toezichthoudende autoriteit duidelijk aangeven welke bezwaren later eventueel zullen worden onderworpen aan de geschillenbeslechting van artikel 65, lid 1, punt a) 55 .
- Aangezien het herziene ontwerpbesluit een nieuw instrument is, moeten de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, indien zij vasthouden aan de bezwaren die zij eerder hebben opgeworpen, hun standpunt herhalen en daartoe (opnieuw) hun bezwaren indienen zodra het herziene ontwerpbesluit is verspreid. Volgens de EDPB moet deze handelswijze worden gevolgd omdat dan alleen een beroep op geschillenbeslechting hoeft te worden gedaan bij bezwaren die nog overeind staan nadat de partijen alles in het werk hebben gesteld om in eerste instantie tot een consensusoplossing te komen.
ARTIKEL 60, LID 5 - HET HERZIENE ONTWERPBESLUIT
Voorleggen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten
7.1.1 De leidende toezichthoudende autoriteit wil de bezwaren honoreren
- Artikel 60, lid 5, eerste zin, biedt de leidende toezichthoudende autoriteit de mogelijkheid om een relevant en gemotiveerd bezwaar te honoreren. Het is belangrijk om op te merken dat het honoreren van een relevant en gemotiveerd bezwaar inhoudt dat het bezwaar in zijn huidige vorm wordt gehonoreerd. Het bezwaar in kwestie is door de leidende toezichthoudende autoriteit immers en relevant en gemotiveerd bevonden en zij kan zich vinden in de motivering daarvan.
- Het aspect dat hier centraal staat, is dat zij 'voornemens' is het bezwaar te honoreren. Dat de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens is een bezwaar te honoreren, blijkt uit het feit dat zij een herzien ontwerpbesluit voorlegt. De vraag in hoeverre in het herziene ontwerpbesluit een door een betrokken toezichthoudende autoriteit ingebracht relevant en gemotiveerd bezwaar in zijn totaliteit wordt gehonoreerd, komt aan bod in de procedure zoals geregeld bij artikel 60, lid 5, tweede zin (zie deel 7.2 hieronder) en, bij geschillen, in laatste instantie bij artikel 65, lid 1, punt a).
- Evenmin mag worden vergeten dat ook de opbouw van een relevant en gemotiveerd bezwaar van een betrokken toezichthoudende autoriteit moet voldoen aan alle elementen van de drempel die de EUwetgever heeft geformuleerd in de definitie van een relevant en gemotiveerd bezwaar in de zin van artikel 4, punt 24, zoals wordt beschreven in Richtsnoeren 9/2020 56 . Dit heeft gevolgen voor de vraag of er volgens de leidende toezichthoudende autoriteit sprake is van een relevant en gemotiveerd bezwaar. Niettemin staat buiten kijf dat het voornemen om een relevant en gemotiveerd bezwaar te honoreren strookt met het streven naar consensus dat ten grondslag ligt aan de artikel 60-procedure als geheel. Getracht moet worden om in de herziene versie volledig tegemoet te komen aan het in het bezwaar geconstateerde risico dat het oorspronkelijke ontwerpbesluit inhoudt voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden van betrokkenen en, indien van toepassing, voor het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie.
- De EDPB wijst er nogmaals op dat de leidende toezichthoudende autoriteit alle mogelijke middelen moet aanwenden om met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten van gedachten te wisselen over de kwesties die in de relevante en gemotiveerde bezwaren aan de orde zijn gesteld. De leidende toezichthoudende autoriteit kan het voortouw nemen bij het beleggen van vergaderingen of er via informeel overleg voor zorgen dat de motivering van de betreffende autoriteiten goed wordt begrepen 57 . In elk geval moet deze uitwisseling voorkomen dat de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zich overvallen voelen door de inhoud van een herziene ontwerpbesluit. Dat dient namelijk de vrucht van oprechte samenwerking te zijn.
7.1.2 De verplichting om een herzien ontwerpbesluit voor te leggen
- De leidende toezichthoudende autoriteit is verplicht om een herzien ontwerpbesluit voor te leggen indien zij voornemens is een relevant en gemotiveerd bezwaar te honoreren. Uit het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord 'voorleggen' blijkt namelijk dat de AVG geen ruimte voor alternatieven laat (in de Engelstalige versie van de AVG wordt hier het hulpwerkwoord 'shall' gebruikt). Het enige alternatief voor het voorleggen van een herzien ontwerpbesluit is immers dat de aangelegenheid overeenkomstig artikel 60, lid 4, laatste zin, wordt onderworpen aan het coherentiemechanisme.
57 Zie ook punt 146 e.v.
- Vermeld moet worden dat uitsluitend een relevant en gemotiveerd bezwaar dat de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens is te honoreren voor haar de verplichting en mogelijkheid schept om overeenkomstig de AVG een herzien ontwerpbesluit voor te leggen. In artikel 60, lid 5, eerste zin (en trouwens ook in artikel 60, lid 4) wordt alleen gesproken over het door een betrokken toezichthoudende autoriteit ingediende 'relevante en gemotiveerde bezwaar', in tegenstelling tot met name artikel 60, lid 3, waarin wordt gesproken over de 'standpunten' van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten 58 .
- Het feit dat een betrokken toezichthoudende autoriteit gedurende de in artikel 60, lid 4, vermelde termijn van vier weken open aanmerkingen bij de leidende toezichthoudende autoriteit heeft ingediend die niet ondubbelzinnig tot een relevant en gemotiveerd bezwaar zijn bestempeld, schept voor de leidende toezichthoudende autoriteit dus geen verplichting of mogelijkheid tot het voorleggen van een herzien ontwerpbesluit. In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat wanneer 'binnen de in de leden 4 en 5 bedoelde termijn' geen bezwaren zijn ingediend, zowel de leidende toezichthoudende autoriteit als de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten volgens artikel 60, lid 6, aan het ontwerpbesluit gebonden zijn. Dit betekent dat de leidende toezichthoudende autoriteit een herzien ontwerpbesluit uitvaardigt wanneer er tijdens de in artikel 60, lid 4, bepaalde termijn van vier weken door de andere betrokken toezichthoudende autoriteit via het informatiesysteem van de EDPB geen formele bezwaren zijn ingediend (meer hierover in punt 8) 59 .
- Indien de leidende toezichthoudende autoriteit het toch nodig acht om haar krachtens artikel 60, lid 4, voorgelegde ontwerpbesluit te wijzigen vanwege omstandigheden of overwegingen die zich tijdens de termijn van vier weken voordoen, waaronder kanttekeningen of opmerkingen van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten of nadere inbreng door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, moet zij haar ontwerpbesluit vóór het verstrijken van de termijn van vier weken intrekken en aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten een nieuw ontwerpbesluit voorleggen. Daarbij moet de leidende toezichthoudende autoriteit een evenwicht zien te vinden tussen enerzijds het belang van de omstandigheden en overwegingen die zich hebben voorgedaan en anderzijds de noodzaak tot een vlot verloop van de samenwerkingsprocedure 60 . In alle gevallen moet de leidende toezichthoudende autoriteit alle betrokken toezichthoudende autoriteiten duidelijk maken waarom zij het ontwerpbesluit intrekt en moet zij daarbij verwijzen naar de concrete omstandigheid of overweging die als aanleiding voor deze stap fungeerde. Op het moment waarop het nieuwe ontwerpbesluit wordt voorgelegd, gaat een nieuwe termijn van vier weken in. Als gezegd vervalt deze optie indien er bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn geen relevante en gemotiveerde bezwaren zijn ingediend. Het ontwerpbesluit zoals dat oorspronkelijk is uitgevaardigd, krijgt voor de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten dan een bindend karakter.
59 Ter voorkoming van materiële fouten in het definitieve besluit kunnen opmerkingen waarin wordt gewezen op fouten van redactionele aard of tikfouten wel worden meegenomen.
- Gelet op het bovenstaande is het belangrijk dat de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten met elkaar overleggen over de manier waarop eerstgenoemde tegen de bezwaren aankijkt en hoe zij voornemens is de bezwaren te honoreren.
- De opmerkingen over het voorleggen van het ontwerpbesluit door de leidende toezichthoudende autoriteit gelden ook voor het voorleggen van het herziene ontwerpbesluit 61 . Een duidelijk tijdsstempel (datum, uur) van de voorlegging geldt als het moment waarop de in artikel 60, lid 5, tweede zin, bedoelde termijn van twee weken ingaat. Om die reden mag het herziene ontwerpbesluit alleen met behulp van het informatiesysteem van de EDPB worden voorgelegd.
7.1.3 Het herziene ontwerpbesluit voorleggen
- Inhoudelijk gezien gelden voor het voorleggen van het herziene ontwerpbesluit dezelfde opmerkingen als voor het voorleggen van het ontwerpbesluit 62 . Samengevat hoeft de leidende toezichthoudende autoriteit alleen het herziene ontwerpbesluit zelf voor te leggen. De opmerkingen over het ontwerpbesluit en de noodzaak om erop toe te zien dat het recht om te worden gehoord 63 wordt geëerbiedigd, gelden naar analogie ook voor het herziene ontwerpbesluit. De leidende toezichthoudende autoriteit moet er dus op toezien dat in het herziene ontwerpbesluit wordt vermeld welke maatregelen zijn getroffen om de eerbiediging van dat recht te verzekeren en dat het besluit voor zich spreekt wat betreft de veranderingen die zijn doorgevoerd ter honorering van relevante en gemotiveerde bezwaren, plus de onderliggende redenen daarvoor 64 .
- In artikel 60, lid 5, eerste zin, is geen specifieke termijn vastgesteld waarbinnen het herziene ontwerpbesluit door de leidende toezichthoudende autoriteit moet worden voorgelegd. Dit is een van de voorbeelden van de flexibiliteit die de AVG de toezichthoudende autoriteiten biedt, onder meer om het streven naar het bereiken van een consensus te ondersteunen. Het beginsel van behoorlijk bestuur, dat het beginsel van een redelijke termijn en het beginsel van de proceseconomie omvat, geldt echter onverkort. In verband daarmee moet de leidende toezichthoudende autoriteit ook rekening houden met de volgende zaken:
- GLYPH<UNKNOWN> de termijn voor het beoordelen van een herzien ontwerpbesluit (twee weken) is korter dan die voor een ontwerpbesluit;
- GLYPH<UNKNOWN> het in artikel 60, lid 3, bedoelde 'onverwijld' met betrekking tot de voorlegging van ontwerpbesluiten;
- GLYPH<UNKNOWN> de in deel 5.2.4 gemaakte opmerking over artikel 60, lid 3, tweede zin, voor wat betreft de noodzaak om hierbij rekening te houden met de complexiteit van de zaak in kwestie en meer in het bijzonder met het aantal en de aard van de relevante en gemotiveerde bezwaren die bij de leidende toezichthoudende autoriteit zijn ingediend;
- GLYPH<UNKNOWN> meer in het algemeen de op alle toezichthoudende autoriteiten rustende plicht om eerlijk en in een sfeer van wederzijds vertrouwen samen te werken.
- Uit alle bovenstaande punten spreekt dat de leidende toezichthoudende autoriteit erop moet toezien dat er zo min mogelijk tijd zit tussen de ontvangst van de relevante en gemotiveerde bezwaren
63 Zie punt 105 hierboven.
overeenkomstig artikel 60, lid 3, en het voorleggen van het herziene ontwerpbesluit en dat die tijdspanne past bij de context van de één-loketprocedure. Dit doet niet af aan de inspanningen die zijn geleverd om tot een consensus te komen noch aan de uiteindelijke verplichting van de leidende toezichthoudende autoriteit om krachtens het nationale recht te voorzien in het recht om opnieuw te worden gehoord, gelet op de wijzigingen die voor het herziene ontwerpbesluit staan gepland en die op een nieuwe manier raken aan de rechten van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.
7.1.4 De standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten
- De leidende toezichthoudende autoriteit legt een herzien ontwerpbesluit voor met als doel alle betrokken toezichthoudende autoriteiten de gelegenheid te geven om tot een consensus te komen en om hun standpunten over het voorstel voor een herzien ontwerpbesluit in te winnen. In dit verband is het belangrijk om op te merken dat artikel 60, lid 5, bedoeld is om de betrokken toezichthoudende autoriteiten de gelegenheid te geven om hun standpunt kenbaar te maken over eventuele wijzigingen of herzieningen ten opzichte van de oorspronkelijke tekst van het ontwerpbesluit die in eerste instantie overeenkomstig artikel 60, lid 4, door de leidende toezichthoudende autoriteit was verspreid. De formulering 'te hunner beoordeling' in artikel 60, lid 5, eerste zin, is op dit punt identiek aan de formulering in artikel 60, lid 3, tweede zin (zie deel 5.2.1 hierboven).
- Net als in het geval van het ontwerpbesluit betekent dit dat de leidende toezichthoudende autoriteit en alle betrokken toezichthoudende autoriteiten eerst met elkaar van gedachten moeten wisselen alvorens er een herzien ontwerpbesluit wordt voorgelegd. Zodoende kunnen deze kennisnemen van de nieuwe conclusies die de leidende toezichthoudende autoriteit heeft getrokken naar aanleiding van één of meer relevante en gemotiveerde bezwaren die zij voornemens is te honoreren, en van bijbehorende motivering, en kan zij de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten inwinnen 65 . Dit is vooral raadzaam indien in de relevante en gemotiveerde bezwaren meerdere punten met betrekking tot de onderhavige zaak worden aangesneden. De omvang en de intensiteit van de gedachtewisseling kunnen dus per keer verschillen. Als daar aanleiding toe is, kan de leidende toezichthoudende autoriteit bijvoorbeeld een voorlopige versie van het herziene ontwerpbesluit verspreiden voordat zij de formele versie van het herziene ontwerpbesluit uitvaardigt.
- Op hun beurt kunnen de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten nog resterende onderwerpen en vragen aan de orde stellen waar de leidende toezichthoudende autoriteit in die fase op in kan gaan, wederom met de bedoeling om tot een consensus te komen voordat het herziene ontwerpbesluit wordt voorgelegd. De andere betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten vooral duidelijk aangeven op welke punten de leidende toezichthoudende autoriteit de relevante en gemotiveerde bezwaren volgens hen in feite niet heeft overgenomen (d.w.z. gehonoreerd). Uiteindelijk is deze fase van informeel overleg bedoeld om te voorkomen dat de standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten worden omgezet in relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het herziene ontwerpbesluit en dus om te voorkomen dat tot de in het volgende deel geschetste vervolgstappen moet worden overgegaan, met alle gevolgen van dien.
Het herziene ontwerpbesluit: beoordelingsprocedure
65 In deze fase moet de leidende toezichthoudende autoriteit ook rekening houden met standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten die in de vorm van opmerkingen naar voren zijn gebracht.
7.2.1 Gelijktijdige toepassing van artikel 60, lid 5, tweede zin, en de procedure van artikel 60, lid 4
- In artikel 60, lid 5, tweede zin, is de formele procedure voor de bestudering van het herziene ontwerpbesluit door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten vastgesteld. Het betreft de procedure als bedoeld in artikel 60, lid 4, met als verschil dat de termijn tot twee weken is teruggebracht 66 .
- Hierbij moet worden aangetekend dat het feit dat in artikel 60, lid 5, tweede zin, wordt verwezen naar artikel 60, lid 4, inhoudt dat het eerstgenoemde artikel tevens de procedure regelt die de leidende toezichthoudende autoriteit moet volgen wanneer zij alle door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten ingebrachte relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het herziene ontwerpbesluit gedurende de termijn van twee weken volgend op de voorlegging afwijst dan wel geen van die bezwaren honoreert. Dit heeft diverse consequenties.
- In beide gevallen is de enige uitkomst waarin de procedure van artikel 60, lid 4, voorziet dat de leidende toezichthoudende autoriteit de aangelegenheid aan het coherentiemechanisme onderwerpt, d.w.z. voorlegt aan de EDPB (zoals in deel 6.2.3 wordt beschreven), met de bedoeling een bindend besluit te verkrijgen waarmee het geschil wordt beslecht en waarnaar de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zich moeten voegen (overeenkomstig artikel 65, leden 2 en 6).
- Als er door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten gedurende de in artikel 60, lid 5, tweede zin, genoemde termijn van twee weken geen bezwaren worden ingediend, is artikel 60, lid 6, van toepassing. Vervolgens krijgt het herziene ontwerpbesluit voor zowel de leidende toezichthoudende autoriteit als de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten een bindend karakter. Artikel 60, lid 6, beschrijft immers de situatie waarin binnen de 'in de leden 4 en 5' bedoelde termijn geen relevante en gemotiveerde bezwaren zijn ingebracht.
- Indien er binnen de termijn van twee weken relevante en gemotiveerde bezwaren zijn ingebracht en de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens is die te honoreren, is de enige optie dus om artikel 60, lid 5, eerste zin, nogmaals toe te passen, met als uiteindelijke doel om overeenkomstig artikel 60, lid 6, overeenstemming over het (herziene) ontwerpbesluit te bereiken, waarna dit voor zowel de leidende toezichthoudende autoriteit als de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten een bindend karakter krijgt.
- Enerzijds strookt dit met het streven om een consensus te bereiken, zoals artikel 60, lid 1, verlangt, en anderzijds voorkomt dit dat artikel 65, lid 1, punt a), in werking treedt op een moment waarop er geen sprake is van een geschil dat moet worden beslecht. Deze aanpak wordt in overweging 138 nadrukkelijk onderschreven, in de zin dat alle binnen het samenwerkingsmechanisme beschikbare middelen moeten zijn uitgeput alvorens het coherentiemechanisme wordt geactiveerd.
- Gezien de in deze richtsnoeren geschetste procedures voor nauwere samenwerking (bestaande uit onder meer de uitwisseling van relevante informatie in de diverse stadia en informeel overleg voordat een ontwerpbesluit wordt voorgelegd) mag het coherentiemechanisme slechts bij hoge uitzondering
worden geactiveerd en alleen in gevallen waarin alles in het werk is gesteld om een consensus te bereiken maar dat vanwege specifieke omstandigheden niet is gelukt.
- De andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de leidende toezichthoudende autoriteit dienen echter voor ogen te houden dat de AVG tot snel optreden maant en bij monde van overweging 129 voorschrijft dat de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten behoorlijk en binnen een redelijke termijn moeten worden uitgeoefend. Welbeschouwd kan worden gezegd dat de wetgever niet de bedoeling had om een eindeloze cyclus van herziene ontwerpbesluiten in gang te zetten. Daarom behoort alleen in buitengewone gevallen gebruik te worden gemaakt van de mogelijkheid om opnieuw herziene ontwerpbesluiten voor te leggen, mocht dat in een bepaalde zaak nodig zijn om uiteindelijk toch nog tot een consensus te komen.
- Het inzicht dat de overkoepelende doelstelling van de samenwerkingsprocedure van artikel 60, lid 1, is om te proberen tot een consensus te komen, schept niet de verplichting om tegen elke prijs tot een consensus te komen. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit echter na rijp beraad een relevant en gemotiveerd bezwaar wil honoreren en aldus een consensus bewerkstelligt, moet het mogelijk zijn om een (nogmaals) herzien ontwerpbesluit voor te leggen.
- Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit tot de slotsom komt dat de inhoudelijke verschillen tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en andere betrokken toezichthoudende autoriteiten niet kunnen worden overbrugd en een consensus niet haalbaar is, hetzij omdat de betrokken toezichthoudende autoriteiten er tegengestelde standpunten op nahouden of vanwege bepaalde nog openstaande juridische kwesties, dan is zij op grond van artikel 60, lid 5, tweede zin, verplicht om de procedure van artikel 60, lid 4, in gang te zetten en de zaak door te verwijzen naar de EDPB zodat deze het geschil overeenkomstig artikel 65, lid 1, punt a), kan beslechten.
7.2.2 Voor andere betrokken toezichthoudende autoriteiten geldende beperkingen met betrekking tot het indienen van relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het herziene ontwerpbesluit
Het volgende aandachtspunt betreft de reikwijdte van 'de in lid 4 bedoelde procedure' zoals die in de context van artikel 60, lid 5, tweede zin, wordt toegepast. Het gaat hier met name om de vraag of er specifieke juridische beperkingen gelden voor de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten dan wel voor de reikwijdte van een relevant en gemotiveerd bezwaar tegen het door de leidende toezichthoudende autoriteit uitgevaardigde herziene ontwerpbesluit.
Bedacht moet worden dat de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten krachtens artikel 60, lid 6, alleen aan het (herziene) ontwerpbesluit gehouden zijn indien er tegen dat (herziene) ontwerpbesluit geen bezwaren zijn ingediend. Als dat wel het geval is, en er overeenkomstig de procedure van artikel 60, lid 4, dus relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het ontwerpbesluit zijn ingebracht, is geen van de betrokken toezichthoudende autoriteiten aan dat ontwerpbesluit gebonden. Daar komt bij dat het herziene ontwerpbesluit dat de leidende toezichthoudende autoriteit op grond van artikel 60, lid 5, eerste zin, voorlegt een ander juridisch instrument is dan het in artikel 60, lid 4, genoemde ontwerpbesluit. Ook een betrokken toezichthoudende autoriteit die tijdens de in artikel 60, lid 4, genoemde termijn van vier weken geen bezwaar tegen het ontwerpbesluit had gemaakt, kan tegen een herzien ontwerpbesluit dus een relevant en gemotiveerd bezwaar inbrengen.
De wijzigingen die de leidende toezichthoudende autoriteit heeft doorgevoerd teneinde de relevante en gemotiveerde bezwaren te honoreren, kunnen in de context van het herziene ontwerpbesluit bij een betrokken toezichthoudende autoriteit immers nieuwe vragen en problemen oproepen. Volgens de bovenstaande richtsnoeren moet de betrokken toezichthoudende autoriteit in alle relevante en gemotiveerde bezwaren die zij indient 'elk deel van het ontwerpbesluit [hier: het herziene ontwerpbesluit] vermelden dat volgens haar tekortkomingen of fouten vertoont of waarin noodzakelijke elementen ontbreken en daarbij telkens verwijzen naar specifieke artikelen/leden of andere duidelijke indicaties' 67 .
De EDPB beveelt de leidende toezichthoudende autoriteit ten zeerste aan om haar voornemen tot herziening van het ontwerpbesluit niet alleen vooraf te delen met de betrokken toezichthoudende autoriteit die het bezwaar heeft opgeworpen, maar ook met alle andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. Zodoende kan worden voorkomen dat de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zich door het herziene ontwerpbesluit en de gebruikte motivering overvallen voelen en dat de voorgestelde wijzigingen bij hen mogelijk niet in goede aarde vallen.
Een herzien ontwerpbesluit in de zin van artikel 60, lid 5, is bedoeld als poging om een consensus tot stand te brengen over kwesties waarover eerder geen overeenstemming kon worden bereikt. Een betrokken toezichthoudende autoriteit mag daarom geen relevant en gemotiveerd bezwaar inbrengen tegen een herzien ontwerpbesluit indien ten aanzien van het punt in kwestie eerder geen relevant en gemotiveerd bezwaar was ingebracht en de leidende toezichthoudende autoriteit het ontwerpbesluit op dat punt niet heeft herzien.
DE BINDENDE WERKING VAN EEN (HERZIEN) ONTWERPBESLUIT
- Artikel 60, lid 6, beschrijft de laatste stap van het besluitvormingsproces bij zaken waarin de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten tot een consensus konden komen. In dit geval wil een consensus zeggen dat er geen bezwaren tegen het (herziene) ontwerpbesluit bestaan en dat daarom artikel 60, lid 6, van kracht is. Dit heeft twee juridische gevolgen:
- GLYPH<UNKNOWN> de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteit(en) worden geacht met dat ontwerpbesluit in te stemmen;
- GLYPH<UNKNOWN> zij zijn gebonden aan het besluit, in die zin dat de beoordelingsprocedure volgend op de uitvaardiging van het ontwerpbesluit is afgelopen.
Worden geacht met het ontwerpbesluit in te stemmen
- In artikel 60, lid 6, staat, ten eerste, dat wanneer er geen bezwaren zijn gemaakt de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten geacht worden met het (herziene) ontwerpbesluit in al zijn onderdelen in te stemmen. De formulering 'worden geacht met dat ontwerpbesluit in te stemmen' maakt duidelijk dat de betrokken toezichthoudende autoriteiten daar niet hun uitdrukkelijke goedkeuring aan hoeven te geven. De AVG voorziet in stilzwijgende instemming en gaat ervan uit dat de toezichthoudende autoriteiten erin geslaagd zijn om met behulp
van de samenwerkingsprocedure tot een consensus te komen. Deze stilzwijgende instemming betreft de inhoud van het (herziene) ontwerpbesluit.
Gebonden aan het ontwerpbesluit
Omdat de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten geacht worden in te stemmen met het (herziene) ontwerpbesluit, zijn zij gebonden aan de inhoud daarvan. Van deze inhoud gaat voor alle betrokken toezichthoudende autoriteiten een onmiddellijke bindende werking uit. Dit betekent dat maatregelen die later krachtens de nationale wetgeving worden vastgesteld, zoals het afwijzen van een klacht, volledig moeten stroken met het overeengekomen ontwerpbesluit.
Aan de bindende werking kunnen twee aspecten worden onderscheiden. Deze hebben betrekking op de entiteiten die aan het (herziene) ontwerpbesluit gebonden zijn (leidende toezichthoudende autoriteit/betrokken toezichthoudende autoriteiten) en op de reikwijdte van dat (herziene) ontwerpbesluit.
Ten eerste is het zo dat zowel de leidende toezichthoudende autoriteit als de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten aan het (herziene) ontwerpbesluit gebonden zijn omdat er geen bezwaren werden opgeworpen of gehandhaafd. De juridische consequenties van de bindende werking zijn dat het (herziene) ontwerpbesluit in dit geval niet nader kan worden gewijzigd of later kan worden ingetrokken 68 . Het besluit dat door de leidende toezichthoudende autoriteit (artikel 60, lid 7) of door een betrokken toezichthoudende autoriteit (artikel 60, lid 8) wordt vastgesteld, of in gezamenlijk verband door beide toezichthoudende autoriteiten (artikel 60, lid 9), moet worden gebaseerd op de dan bestaande versie van het (herziene) ontwerpbesluit.
Het besluit is alleen bindend voor de leidende toezichthoudende autoriteit en voor de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten die hebben deelgenomen aan de samenwerkingsprocedure. Alleen de toezichthoudende autoriteiten die aan de samenwerkingsprocedure hebben deelgenomen (die hun rol als betrokken toezichthoudende autoriteit in de context van de artikel 60-procedure dus formeel hebben bevestigd) en in de gelegenheid waren om relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het ontwerpbesluit in te brengen, kunnen worden gehouden aan een besluit dat in het kader van die procedure is genomen. De andere toezichthoudende autoriteiten waren niet in de gelegenheid om tijdens de samenwerkingsprocedure hun standpunten kenbaar te maken en konden evenmin relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het ontwerpbesluit inbrengen.
Wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit met een klacht die binnen de lopende procedure kan worden behandeld de leidende toezichthoudende autoriteit vraagt om haar zaak in de procedure mee te nemen en om toegelaten te worden tot de samenwerkingsprocedure voordat het ontwerpbesluit wordt voorgelegd, en wanneer zij de mogelijkheid had om een relevant en gemotiveerd bezwaar in te dienen, dan kan de procedure dus worden voortgezet en is de 'nieuwe' betrokken toezichthoudende autoriteit, mits aan de voorwaarden van artikel 60, lid 6, wordt voldaan, gebonden aan het ontwerpbesluit.
Omgekeerd geldt dat wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit met een klacht die binnen de lopende samenwerkingsprocedure kan worden behandeld haar zaak pas na het verstrijken van de termijn van artikel 60, lid 4, of artikel 60, lid 5, naar de leidende toezichthoudende autoriteit stuurt om die bij één of meer andere zaken te laten voegen (bv. omdat een toezichthoudende autoriteit na het verstrijken van de termijnen een klacht over dezelfde inbreuk heeft ontvangen) en zij dus niet in de gelegenheid is geweest om een relevant en gemotiveerd bezwaar in te dienen, deze betrokken toezichthoudende autoriteit zich zorgvuldig moet beraden over de vraag of dat geen reden is om een nieuwe samenwerkingsprocedure te beginnen. Door de leidende toezichthoudende autoriteit te vragen om de nieuwe zaak in dit stadium bij de lopende procedure onder te brengen, ziet deze betrokken toezichthoudende autoriteit immers in feite af van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het besluit 69 .
De EDPB is van mening dat de leidende toezichthoudende autoriteit in beginsel niet voortdurend hoeft na te gaan of alle eventueel betrokken toezichthoudende autoriteiten met zaken die bij lopende procedures kunnen worden ondergebracht wel op de hoogte zijn van de lopende samenwerkingsprocedure.
De bindende werking die krachtens artikel 60, lid 6, van een bepaald besluit uitgaat, geldt enkel en alleen voor de desbetreffende samenwerkingsprocedure. De samenwerkingsprocedure draait om een specifiek onderwerp en is erop gericht om in een specifieke zaak tot een consensus te komen.
Afgezien van de bindende werking overeenkomstig artikel 60, lid 6, kan de uitkomst van een bepaalde samenwerkingsprocedure niet automatisch naar andere samenwerkingsprocedures worden uitgebreid, eventuele gelijkenissen ten spijt. Volgens artikel 51, lid 2, moet elke toezichthoudende autoriteit bijdragen tot de consequente toepassing van de AVG. Met het oog daarop kan de leidende toezichthoudende autoriteit, als zij meent dat dit bevorderlijk is voor het bereiken van een overeenkomst, de tekst en de conclusies van een ontwerpbesluit dat in een eerdere samenwerkingsprocedure is overeengekomen en betrekking heeft op dezelfde of een andere verwerkingsverantwoordelijke en dezelfde inbreuk op de AVG hergebruiken om de procedure in kwestie te bespoedigen.
De EDPB is van oordeel dat de bindende werking van een bepaald besluit uit hoofde van artikel 60, lid 6, zich niet mag uitstrekken tot de toelichting op abstracte juridische vragen die geen verband houden met de concrete zaak. Een toezichthoudende autoriteit die de EDPB wil vragen om een toelichting op abstracte juridische vragen kan, indien de vraag verband houdt met een aangelegenheid van algemene strekking of een aangelegenheid met rechtsgevolgen in meer dan één lidstaat, beter de procedure van artikel 64, lid 2, overwegen.
ARTIKEL 60, LID 7 - VASTSTELLING EN MEDEDELING VAN HET BESLUIT DOOR DE LEIDENDE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT
Algemeen
- Artikel 60, lid 7 tot en met 9, gaat in op de verschillende stappen die mogelijk zijn nadat het ontwerpbesluit voor de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken
69 Zie hierboven punt 22 e.v.
toezichthoudende autoriteiten een bindend karakter heeft gekregen. De noodzaak tot die stappen kan zich voordoen nadat:
- (i) de in het vorige hoofdstuk uiteengezette procedure is afgerond en er een consensus is bereikt; of
- (ii) de geschillenbeslechting door het Comité is voltooid.
- In de bovengenoemde leden wordt beschreven:
- (i) welke toezichthoudende autoriteit naar aanleiding van de vorige stappen het definitieve besluit moet vaststellen; en
- (ii) welke toezichthoudende autoriteit dit aan respectievelijk de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker en de klager meedeelt of deze daarvan in kennis stelt.
- Artikel 60, lid 7, regelt de procedure die moet worden gevolgd wanneer een tot de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker gericht besluit door de leidende toezichthoudende autoriteit moet worden vastgesteld. Het bepaalde in artikel 60, leden 8 en 9, is alleen van belang bij zaken naar aanleiding van een klacht. Artikel 60, lid 8, regelt zaken waarin de klacht bij het besluit wordt afgewezen of verworpen. Deze besluiten moeten worden vastgesteld door de toezichthoudende autoriteit(en) waarbij de klacht is ingediend 70 . In artikel 60, lid 9, ten slotte, wordt toegelicht welke procedure moet worden gevolgd wanneer sommige delen van een klacht worden afgewezen of verworpen (het aan de klager gerichte besluit wordt vastgesteld door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend) en wanneer naar aanleiding van andere delen van de klacht wel wordt opgetreden (uitmondend in een besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit dat aan de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker is gericht).
- Dankzij dit verband zijn veel van de begrippen en opmerkingen met betrekking tot artikel 60, lid 7, naar analogie van toepassing op artikel 60, leden 8 en 9.
Vaststelling van het definitieve besluit door de leidende toezichthoudende autoriteit
- Volgens artikel 60, lid 7, eerste zin, moet de leidende toezichthoudende autoriteit een besluit vaststellen. Deze vaststelling houdt het volgende in:
- aan de conform artikel 60, lid 6, bereikte consensus wordt uitvoering gegeven in de vorm van een nationaal besluit; en/of
- de uitvoering geschiedt in de vorm van een nationaal besluit, op basis van het bindende besluit van de EDPB dat conform artikel 65 is vastgesteld, volgend op de procedure van artikel 65, lid 6.
70 Artikel 60 wijst een bijzondere rol toe aan de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) waarbij een aan de procedure onderworpen klacht is ingediend. In het deel over artikel 60, leden 8 en 9, wordt dit verder uitgewerkt. Om te voorkomen dat deze toezichthoudende autoriteiten worden verward met andere toezichthoudende autoriteiten, wordt hier de formulering toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend gebruikt. Het is belangrijk om op te merken dat ook de leidende toezichthoudende autoriteit de rol kan vervullen van toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend.
- In beide gevallen moet bij het nationaal besluit volledige uitvoering worden gegeven aan de bindende consensus die overeenkomstig artikel 60, lid 6, is bereikt en/of aan de bindende instructies in het besluit van de EDPB uit hoofde van artikel 65 71 .
- Tegelijkertijd moet de leidende toezichthoudende autoriteit het model zodanig aanpassen dat aan de nationale administratieve voorschriften wordt voldaan. Ten slotte kan zij, voordat zij haar nationale besluit vaststelt, ingrepen van louter redactionele aard doorvoeren 72 .
- Artikel 60, lid 7, schrijft geen concrete termijn voor waarbinnen de vaststelling dient plaats te vinden. Overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur moet dit echter zo snel mogelijk gebeuren. Als dit punt evenwel is bereikt naar aanleiding van een coherentieprocedure moet de in artikel 65, lid 6, gestelde termijn van één maand worden aangehouden.
- Er kunnen zich echter uitzonderlijke situaties voordoen waarin de vaststelling van een besluit - een besluit waarbij uitvoering wordt gegeven aan de conclusies waaraan de toezichthoudende autoriteiten op grond van artikel 60, lid 6, gehouden zijn - afbreuk doet aan de rechtmatigheid van het nationale besluit. Een oorzaak daarvan kan zijn dat het HvJ-EU een arrest wijst met daarin een uitleg die afwijkt van het besluit waaraan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de leidende toezichthoudende autoriteit gebonden zijn. Een andere reden kan zijn dat de wetgeving is gewijzigd. In die situaties moet de betrokken toezichthoudende autoriteit die weet krijgt van de nieuwe feiten de leidende toezichthoudende autoriteit daar onmiddellijk van op de hoogte brengen, en omgekeerd. Daarna moet de leidende toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten hiervan onmiddellijk in kennis stellen en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten een nieuw ontwerpbesluit voorleggen waarin de gewijzigde omstandigheden zijn meegenomen. Om voort te bouwen op de reeds bereikte consensus moet dit nieuwe ontwerpbesluit zo nauw mogelijk aansluiten bij het vorige ontwerpbesluit.
Meedelen en in kennis stellen
- Nadat het besluit is vastgesteld, deelt de leidende toezichthoudende autoriteit het besluit mee aan de adressaat of adressaten daarvan. In zaken naar aanleiding van een klacht moeten de toezichthoudende autoriteit of autoriteiten waarbij de klacht is ingediend tevens de klager(s) van het besluit in kennis stellen. Hoewel de termen 'meedelen' en 'in kennis stellen' in de AVG niet zijn gepreciseerd, kan dat in de nationale wetgeving wel het geval zijn. Het HvJ-EU heeft echter verduidelijkt dat aan de plicht tot kennisgeving is voldaan wanneer de adressaat in staat is gesteld om op gepaste wijze kennis te nemen van het bestaan van het besluit en van de gronden waarop de instelling het doet steunen 73 .
- Overeenkomstig het bovenstaande lijkt in artikel 60, leden 7 tot en met 9, een groter formeel belang te zijn toegekend aan het woord 'meedelen' . Dit woord wordt namelijk gebruikt voor de berichtgeving
72 Zie voetnoot 58.
aan de partij die mogelijk negatieve gevolgen van een besluit ondervindt en om die reden eventueel beroep wil aantekenen 74 .
- In het kader van artikel 60, leden 7 tot en met 9, moet de toezichthoudende autoriteit wanneer zij het besluit aan de adressaat meedeelt deze een volledig afschrift van het besluit in de bij nationale wetgeving bepaalde taal doen toekomen. Verder is de lidstaat waarin het besluit wordt meegedeeld tevens de lidstaat waarin beroep tegen het besluit kan worden aangetekend. Zoals verderop wordt beschreven, moeten de partijen die louter in kennis zijn gesteld op de hoogte worden gebracht van het feit dat eventuele juridische stappen in die lidstaat moeten worden ondernomen.
- In de context van artikel 60, lid 7, moet de leidende toezichthoudende autoriteit nadat zij het besluit 75 heeft meegedeeld aan de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, naargelang het geval, de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten alsmede het Comité in kennis stellen van het besluit in kwestie, voorzien van de in het onderstaande punt bedoelde informatie. Hiertoe moet de toezichthoudende autoriteit gebruikmaken van de kennisgevingsprocedure voor definitieve 'artikel 60'-besluiten binnen het informatiesysteem van de EDPB.
- Afgezien van transparantie jegens de betrokken toezichthoudende autoriteiten, is de verstrekking van deze informatie aan het Comité essentieel om de toezichthoudende autoriteiten te kunnen laten voldoen aan hun verplichting om bij te dragen tot de consequente toepassing van de AVG, zoals bepaald in artikel 51, lid 2. Mochten zij in de toekomst een vergelijkbare zaak behandelen, dan kan worden voorkomen dat de AVG op inconsequente wijze wordt toegepast.
- De toezichthoudende autoriteit of autoriteiten waarbij de klacht is ingediend zijn vervolgens verplicht om de klager in kennis te stellen van de uitkomst van de klachtenbehandeling, overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijken in de lidstaat van die autoriteit(en). Daarnaast moet de klager(s) door de toezichthoudende autoriteit of autoriteiten waarbij de klacht is ingediend overeenkomstig artikel 77, lid 2, worden meegedeeld dat bij een rechter in de lidstaat van de leidende toezichthoudende autoriteit een voorziening in rechte kan worden ingesteld, op voorwaarde dat het om een hem/hen betreffend besluit van een leidende toezichthoudende autoriteit gaat als bedoeld in artikel 78, lid 1 76 .
Voorbeeld 9: Na een bericht in de media waarin twijfel werd gezaaid over de rechtmatigheid van de gegevensverwerking door HappyCompany dienden meerdere personen een klacht in bij hun eigen toezichthoudende autoriteit. Nadat de leidende toezichthoudende autoriteit is bepaald, besluit deze om de klachten als één dossier te behandelen aangezien de klachten verband houden met één enkele verwerking. Nadat de leidende toezichthoudende autoriteit een besluit heeft vastgesteld en dit aan de verwerkingsverantwoordelijke is meegedeeld, stellen alle toezichthoudende autoriteiten waarbij een klacht is ingediend de betreffende klagers in kennis van het besluit. In dat kader wordt de klagers door de toezichthoudende autoriteit waarbij zij hun klacht hebben ingediend ook meegedeeld dat zij bij een
76 De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend moet uit het besluit dat door de leidende
toezichthoudende autoriteit is vastgesteld en verspreid kunnen opmaken welke rechter in dezen de aangewezen rechter is.
rechter in de lidstaat van de leidende toezichthoudende autoriteit een voorziening in rechte kunnen instellen.
- Op dat moment moet de leidende toezichthoudende autoriteit ook de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker in kennis stellen van diens verplichtingen uit hoofde van artikel 60, lid 10, en van de mogelijke consequenties van niet-naleving.
Een samenvatting van de relevante feiten en gronden
- Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteit(en) en het Comité van het besluit in kennis stelt, verstrekt zij een samenvatting 77 van de relevante feiten en gronden van het besluit in kwestie. In deze samenvatting moeten de formele stappen en gronden alsook de inhoud van het besluit worden vermeld.
- De samenvatting moet daarom ten minste de volgende informatie bevatten 78 :
- GLYPH<UNKNOWN> de datum van het definitieve besluit;
- GLYPH<UNKNOWN> vermelding van de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten;
- GLYPH<UNKNOWN> de namen van de verwerkingsverantwoordelijke(n) en/of verwerker(s);
- GLYPH<UNKNOWN> de relevante juridische conclusies (bepalingen waarop inbreuk is gemaakt, rechten die niet zijn geëerbiedigd 79 ) met betrekking tot de feitelijke grondslag van de zaak 80 ;
- GLYPH<UNKNOWN> de uitkomst van de procedure en, indien van toepassing, de genomen corrigerende maatregelen 81 .
- De samenvatting moet voor elk lid van het Comité inzichtelijk maken wat de aangelegenheid in kwestie inhoudt en wat de conclusie van het genomen besluit is. De leidende toezichthoudende autoriteit wordt geadviseerd om ook een Engelstalig afschrift van het besluit te verstrekken. Hiertoe moet gebruik worden gemaakt van de daartoe bestemde velden binnen het informatiesysteem van de EDPB.
ARTIKEL 60, LID 8 - AFWIJZING OF VERWERPING VAN EEN KLACHT
- Artikel 60, lid 8, heeft betrekking op situaties waarin de betrokken toezichthoudende autoriteiten, met inbegrip van de leidende toezichthoudende autoriteit, zijn overeengekomen om een klacht in zijn totaliteit af te wijzen of te verwerpen of waarin daartoe door de EDPB is besloten naar aanleiding van artikel 65. De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend kan ofwel de leidende toezichthoudende autoriteit dan wel een andere betrokken toezichthoudende autoriteit zijn. Bij artikel 60, lid 8, worden aan de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend drie verplichtingen opgelegd:
77 Niet te verwarren met een samenvatting van het besluit.
78 Deze informatie moet worden vermeld in de velden op het formulier 'Definitief besluit' in het informatiesysteem van de EDPB.
80 Dit kan te maken hebben met beperkingen in het kader van artikel 23.
81 Zie bijvoorbeeld 'Type besluit'.
- GLYPH<UNKNOWN> een besluit vaststellen;
- GLYPH<UNKNOWN> dit meedelen aan de klager;
- GLYPH<UNKNOWN> de verwerkingsverantwoordelijke daarvan in kennis stellen.
Dit geschiedt in afwijking van artikel 60, lid 7.
In afwijking van lid 7
- Bij artikel 60, lid 8, wordt een afwijking ingevoerd ten opzichte van de situatie waarin de leidende toezichthoudende autoriteit een besluit vaststelt en dit meedeelt aan de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in de EU. Dit lid geldt uitsluitend in situaties waarin een klacht in zijn totaliteit wordt afgewezen of verworpen.
- Hoewel over het algemeen geldt dat de leidende toezichthoudende autoriteit in het éénloketmechanisme de enige gesprekspartner dient te zijn van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker met betrekking tot hun grensoverschrijdende verwerkingen, moet een betrokken toezichthoudende autoriteit de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker in dit specifieke geval in kennis stellen van de afwijzing of verwerping van de klacht.
De term 'afwijzen/verwerpen'
- Op nationaal niveau wordt mogelijk een andere invulling gegeven aan de begrippen 'afwijzen' en 'verwerpen', met andere procedurele of administratieve implicaties tot gevolg. In de AVG worden evenwel niet steeds beide handelingen (afwijzen en verwerpen) genoemd 82 .
- Volgens de vaste rechtspraak van het HvJ-EU moeten de termen van een bepaling van het EU-recht die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst in de gehele EU autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van de bepaling en de doelstelling van de betrokken regeling. Dit is vereist met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel 83 .
- Voor een meer specifieke interpretatie van afwijzen/verwerpen kan worden verwezen naar de formulering van artikel 60, lid 9, waarin afwijzen/verwerpen wordt geplaatst tegenover een besluit om 'op te treden' naar aanleiding van een klacht. Opgemerkt moet worden dat in artikel 60, lid 9, de leidende toezichthoudende autoriteit wordt genoemd als degene die het besluit vaststelt 'voor het deel betreffende de maatregelen inzake de verwerkingsverantwoordelijke' en zij in die gevallen dat besluit aan de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker meedeelt, terwijl de betrokken toezichthoudende autoriteit wordt genoemd als degene die het besluit vaststelt '[v]oor het deel waarvoor de klacht in kwestie is afgewezen of verworpen' en het in die gevallen de toezichthoudende autoriteit is waarbij de klacht is ingediend die het besluit meedeelt aan de klager. Bij lezing in samenhang met artikel 60, lid 8, kan artikel 60, lid 9, aldus worden uitgelegd dat wanneer een artikel 60-procedure uitmondt in de afwijzing of verwerping van een klacht dit inhoudt dat het (deel van het) definitieve besluit dat moet worden vastgesteld geen maatregelen met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke bevat.
- Vanuit deze invalshoek kan worden gezegd dat een dergelijk besluit bezwarend is voor de klager. Dit wordt bevestigd door het wetgevingsproces in aanloop naar de AVG, toen in meer algemene zin werd
82 De betrokken toezichthoudende autoriteiten hebben van tevoren overeenstemming over de inhoudelijke gevolgen van het besluit bereikt. Aan de consequenties moet overeenkomstig het nationale recht gevolg worden gegeven, bv. in de vorm van een verwerping of een afwijzing.
verwezen naar voor de klager 'bezwarende' besluiten 84 . Ook de expliciete verwijzing naar het recht op het instellen van een voorziening in rechte dat de klager in diens nabijheid moet kunnen uitoefenen (zoals met name in punt 213 aan de orde is gesteld) duidt erop dat voor de klager bezwarende besluiten in die categorie behoren te vallen. Wanneer de klacht in geen enkel opzicht in het definitieve besluit wordt gehonoreerd en de leidende toezichthoudende autoriteit in dat besluit geen enkele maatregel treft met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, heeft de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker geen belang bij het instellen van een voorziening in rechte in de lidstaat waarin hij zijn hoofdvestiging heeft. De klager heeft er daarentegen wel belang bij om tegen een voor hem of haar bezwarend besluit beroep in te stellen in de eigen lidstaat en in de eigen taal 85 .
- Een besluit tot afwijzing of verwerping van een klacht (of delen daarvan) moet dus worden opgebouwd als een zaak waarin de leidende toezichthoudende autoriteit bij behandeling van de klacht heeft geconstateerd dat deze ongegrond is en dat er met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke geen maatregelen hoeven te worden getroffen. In die gevallen moet de klacht naargelang het geval worden afgewezen of verworpen in de vorm van een besluit dat wordt vastgesteld door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend 86 .
- Een uit hoofde van artikel 60, lid 8, ontvangen mededeling kan door de klager worden gebruikt om zijn recht tot het instellen van een voorziening in rechte tegen het door een toezichthoudende autoriteit genomen besluit uit te oefenen. Omdat dit besluit moet worden vastgesteld door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, kan de klager terecht bij een rechter in zijn nabijheid, overeenkomstig artikel 78, lid 3, AVG en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten (door de zaak aanhangig te maken bij een rechtbank in de lidstaat van de klager; het besluit wordt immers vastgesteld door de betrokken toezichthoudende autoriteit in die lidstaat) 87 .
- Voor de toepassing van artikel 60, leden 8 en 9, en artikel 60, lid 7, laatste zin, betekent dit dat het besluit waartoe de samenwerkingsprocedure heeft geleid een duidelijke afwijzing of verwerping van de klacht moet bevatten of dat daarin duidelijk moet zijn aangeven welke maatregel de leidende toezichthoudende autoriteit met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke zal nemen, zodat de leidende toezichthoudende autoriteit en betrokken toezichthoudende autoriteit op grond van artikel
86 Waar mogelijk in overeenstemming met de toepasselijke nationale bepalingen indien daarin 'afwijzen' of 'verwerpen' precies is afgebakend.
60, lid 7, lid 8 of lid 9, dienovereenkomstig de vaststelling van de desbetreffende nationale besluiten voor hun rekening kunnen nemen.
- Indien de begrippen 'afwijzing' of 'verwerping' in de nationale wetgeving zijn omschreven, of in nationale administratieve praktijken die de afwijzing of verwerping van een klacht regelen, moeten de toezichthoudende autoriteiten die definities aanhouden en dienovereenkomstig te werk gaan 88 . In het ontwerpbesluit dat is verspreid op de wijze die in de voorgaande delen is geschetst, moet duidelijk worden gemotiveerd waarom de klacht op grond van het nationale recht wordt afgewezen of verworpen.
- Het is belangrijk om op te merken dat het afwijzen of verwerpen van een klacht in dit stadium niet hetzelfde is als het eventueel afwijzen of verwerpen van een klacht tijdens het vooronderzoek van de klachtenprocedure. Elke klacht die bij de leidende toezichthoudende autoriteit wordt ingediend, wordt eerst onderworpen aan een vooronderzoek dat wordt uitgevoerd door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, zoals in punt 50 is benadrukt. In dat geval wordt de klacht afgewezen of verworpen nog voordat deze het stadium van samenwerking heeft bereikt.
- Verder moet worden bedacht dat er zich situaties kunnen voordoen waarin de uitkomst van de éénloketprocedure niet nadelig is voor de belangen van de betrokkene, dankzij de stappen die de leidende toezichthoudende autoriteit in de loop van de klachtenbehandeling heeft ondernomen. In die gevallen is de bepalende factor dat de oorzaak aantoonbaar is weggenomen. Met andere woorden, dankzij het optreden van de leidende toezichthoudende autoriteit jegens de verwerkingsverantwoordelijke heeft de klager zijn of haar recht kunnen halen en is aan de eisen in zijn of haar klacht tegemoetgekomen. Mits de klager in de loop van de procedure op de hoogte is gebracht van de gunstige uitkomst, kan de leidende toezichthoudende autoriteit besluiten om niet langer maatregelen met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke te nemen. Geen van de factoren die hierboven zijn genoemd in het kader van afwijzen/verwerpen dan wel maatregelen treffen, zijn dus van toepassing.
- Dit is met name het geval bij minnelijke schikkingen, waarbij een zaak naar tevredenheid van een betrokkene wordt afgehandeld: de leidende toezichthoudende autoriteit heeft het bestaan van de in de klacht aangevoerde inbreuk vastgesteld en de klager erin heeft toegestemd om deze klacht in der minne te schikken. Dit soort gevallen valt binnen het toepassingsgebied van artikel 60, lid 7. Zoals reeds is opgemerkt, is het besluit immers niet bezwarend voor de klager, die zijn of haar tevredenheid met de voorgestelde schikking heeft laten blijken. Gelet op het feit dat er geen sprake is van afwijzing of verwerping van een klacht, hoeft er door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend geen besluit overeenkomstig artikel 60, lid 8 of lid 9, te worden vastgesteld. In dergelijke gevallen 89 is het aan de leidende toezichthoudende autoriteit om het definitieve besluit vast te stellen en om, in haar hoedanigheid als enige gesprekspartner van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker op grond van artikel 56, lid 6, de bereikte schikking te bestuderen.
- Dit geldt ook voor zaken die buiten het kader voor minnelijke schikkingen vallen omdat de leidende toezichthoudende autoriteit geen poging tot een dergelijke schikking heeft gedaan of kon doen, maar
88 De toezichthoudende autoriteiten moeten ervoor zorgen dat het gebruik van die definities strookt met de interpretatie die in dit deel is geschetst. 89 Omdat dit de algemene regel is, wordt tevens verwezen naar het Hof, zaak C -645/19, punt 56: 'Overeenkomstig artikel 60, lid 7, van die verordening staat het in beginsel aan de leidende toezichthoudende autoriteit om over de betrokken grensoverschrijdende verwerking een besluit vast te stellen [...].'
waarin dankzij optreden van de leidende toezichthoudende autoriteit tijdens de behandeling van de klacht door de verwerkingsverantwoordelijke een einde aan de inbreuk is gemaakt en deze volledig aan de klacht is tegemoetgekomen. Gelet op deze uitkomst en op de specifieke omstandigheden van de zaak, kan de leidende toezichthoudende autoriteit tot de overweging komen dat het beste besluit met betrekking tot deze klacht is om de behandeling daarvan te staken, nota te nemen van de bereikte oplossing en verder geen maatregelen met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke te ondernemen 90 .
- Omdat de leidende toezichthoudende autoriteit een daadwerkelijke inbreuk heeft geconstateerd, moet het besluit om met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke geen maatregelen te treffen worden gebaseerd op een zorgvuldige beoordeling van de omstandigheden van de klacht in zijn geheel, zodat de betrokkenen hetzelfde garantieniveau wordt geboden.
- Anderzijds is het zo dat het definitieve besluit niet door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend wordt uitgevaardigd, maar door de leidende toezichthoudende autoriteit, overeenkomstig lid 7, hoewel het besluit geen maatregelen met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke bevat. Dit is een weerspiegeling van het feit dat de leidende toezichthoudende autoriteit optreedt als enige gesprekspartner van de verwerkingsverantwoordelijke tegen wie de klacht in kwestie is gericht en van het feit dat de constatering dat er sprake is van een inbreuk negatieve gevolgen kan hebben voor de verwerkingsverantwoordelijke. Hierdoor wordt het voor de klager onmogelijk om het besluit aan te vechten in de lidstaat waarin de klacht is ingediend, ongeacht de vraag of er voor de klager al dan niet aanleiding bestaat om tegen een toezichthoudende autoriteit een voorziening in rechte in te stellen. Dat is in concrete zaken aan de rechter om te bepalen. Wanneer dit scenario zich voltrekt, moet de leidende toezichthoudende autoriteit zich er dus van vergewissen dat de klager door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend naar behoren wordt geïnformeerd over het gunstige resultaat en over de beoogde uitkomst van de klacht en dat de klager daarover geen onvrede laat blijken.
- Ten slotte mag niet worden vergeten dat de leidende toezichthoudende autoriteit en andere betrokken toezichthoudende autoriteiten ook moeten instemmen met besluiten om geen maatregelen met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke te treffen, ook wanneer er wel sprake was van een inbreuk. Dit waarborgt dat naar behoren rekening wordt gehouden met alle aspecten van de zaak en dat de rechten en vrijheden van de klager worden geëerbiedigd.
Voorbeeld 10: Een ontevreden consument dient bij zijn eigen toezichthoudende autoriteit in lidstaat A een klacht in. De toezichthoudende autoriteit verricht het vooronderzoek en stuurt de klacht door naar de leidende toezichthoudende autoriteit. Tijdens het onderzoek dat de leidende toezichthoudende autoriteit na ontvangst van de klacht instelt, kan zij geen bewijzen ter staving van de klacht vinden. De leidende toezichthoudende autoriteit kan derhalve geen inbreuk vaststellen en concludeert dat de klacht moet worden verworpen of afgewezen en dat er tegen de verwerkingsverantwoordelijke geen maatregelen worden genomen. De leidende toezichthoudende autoriteit verspreidt een ontwerpbesluit met die strekking en, aangezien er geen bezwaren worden ingediend, stelt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend overeenkomstig artikel 60, lid 8, het
90 Dit is niet van invloed op de beoordeling van de vraag wat moet worden verstaan onder 'in de mate waarin dat gepast is' voor wat betreft het onderzoek naar de klacht overeenkomstig artikel 57, lid 1, punt f), een punt ten aanzien waarvan de toezichthoudende autoriteit beoordelingsvrijheid geniet.
definitieve nationale besluit vast waarbij de klacht wordt verworpen of afgewezen en deelt zij dit besluit mee aan de klager.
Voorbeeld 11: Een klager meldt dat hij een verwerkingsverantwoordelijke heeft aangeschreven maar geen antwoord heeft gekregen. De gegevensbeschermingsautoriteit krijgt geen reactie op haar vooronderzoek. De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend stuurt de zaak door naar de leidende toezichthoudende autoriteit. De leidende toezichthoudende autoriteit constateert dat het verzoek aan een onjuist of niet-bestaand adres was gericht (een ander adres dan vermeld op de website van de verwerkingsverantwoordelijke). De klager heeft waarschijnlijk een adres als contact@XXX.com gebruikt zonder het juiste adres op te zoeken op de website. De leidende toezichthoudende autoriteit verspreidt een ontwerpbesluit dat stelt dat de klacht moet worden afgewezen of verworpen op grond van het feit dat er sprake was van een fout van de zijde van de klager. Omdat daartegen geen bezwaren worden ingebracht, stelt toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend overeenkomstig artikel 60, lid 8, het definitieve besluit tot afwijzing of verwerping van de klacht vast en dit deelt mee aan de klager.
Voorbeeld 12: Een ontevreden consument dient bij zijn eigen toezichthoudende autoriteit in lidstaat A een klacht in en betoogt dat de website HappyCompany inbreuk maakt op zijn rechten. Na het vooronderzoek wordt de klacht overgedragen aan de leidende toezichthoudende autoriteit in lidstaat B. De leidende toezichthoudende autoriteit begint een onderzoek, maar heeft geen toegang tot de website in kwestie. Na enig verder onderzoek constateert zij dat de verwerkingsverantwoordelijke in de tussentijd is ontbonden. Het onderzoek kan om die reden niet worden voortgezet en de leidende toezichthoudende autoriteit kan niet voldoende bewijs vinden om de beweringen van de klager te kunnen staven. De leidende toezichthoudende autoriteit verspreidt een ontwerpbesluit dat stelt dat de klacht moet worden afgewezen omdat de aanleiding van de klacht is komen te vervallen. Omdat daartegen geen bezwaren worden ingebracht, stelt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend overeenkomstig artikel 60, lid 8, het definitieve nationale besluit tot afwijzing of verwerping van de klacht vast en dit deelt mee aan de klager.
Voorbeeld 13: Een ontevreden consument dient bij haar eigen toezichthoudende autoriteit een klacht in en betoogt dat HappyCompany inbreuk maakt op haar rechten doordat deze onderneming haar gegevens onrechtmatig bewaart en verwerkt. Na het vooronderzoek wordt de klacht overgedragen aan de leidende toezichthoudende autoriteit. De leidende toezichthoudende autoriteit begint een onderzoek en krijgt van de verwerkingsverantwoordelijke te horen dat de gegevens van de klager inderdaad in diens dossiers worden bewaard. De oorzaak daarvan is een storing in het systeem voor het beheer van klantrelaties, waardoor die informatie (voorkeuren, aankoopgeschiedenis enz.) niet tijdig is gewist. Naar aanleiding van de brief van de leidende toezichthoudende autoriteit heeft de verwerkingsverantwoordelijke die informatie echter onmiddellijk gewist en het bewijs daarvan aan de leidende toezichthoudende autoriteit overgelegd. De leidende toezichthoudende autoriteit verspreidt daarom een ontwerpbesluit waarin zij een inbreuk van de zijde van de verwerkingsverantwoordelijke constateert en aangeeft dat deze situatie door haar tussenkomst is verholpen. Met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke worden geen corrigerende maatregelen voorgesteld, hoofdzakelijk vanwege het feit dat er voor het eerst sprake was van een dergelijke inbreuk. De leidende toezichthoudende autoriteit stelt daarom voor te kiezen voor de optie om overeenkomstig artikel 60, lid 7, zelf het definitieve besluit vast te stellen. Omdat daar geen bezwaar tegen wordt gemaakt, stelt de leidende toezichthoudende autoriteit een definitief nationaal besluit met de genoemde strekking vast en deelt dit mee aan de verwerkingsverantwoordelijke. De klager wordt op haar beurt door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend in kennis gesteld.
Vaststelling van het besluit
- Besluiten moeten worden vastgesteld door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht of klachten zijn ingediend. Het kan daarbij om meerdere toezichthoudende autoriteiten gaan. De vaststelling door de toezichthoudende autoriteit moet geschieden overeenkomstig de nationale wetgeving. Ook wanneer de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend de leidende toezichthoudende autoriteit is, moet zij haar besluit in afwijking van lid 7 vaststellen overeenkomstig de procedure van lid 8 (de lex specialis -regel). De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend en die het besluit vaststelt kan dus ofwel de leidende toezichthoudende autoriteit zijn en/of een andere betrokken toezichthoudende autoriteit, afhankelijk van het aantal klachten en de aard daarvan.
- Wanneer de klacht is ingediend bij één of meer betrokken toezichthoudende autoriteiten stelt de leidende toezichthoudende autoriteit het ontwerpbesluit op waarbij de klacht of de klachten worden afgewezen of verworpen. De betrokken toezichthoudende autoriteiten vaardigen met behulp van het informatiesysteem van de EDPB een definitief besluit uit, stellen dat tevens op nationaal niveau vast en voeren de benodigde nationale wettelijke bepalingen in.
- Wanneer de betrokken toezichthoudende autoriteit een besluit uitvaardigt, moet zij zorg dragen voor de volle werking van het ontwerpbesluit - dat krachtens artikel 60, lid 6, bindend is voor de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten - en/of aan het bindende besluit van de EDPB nadat de procedure van artikel 65, lid 1, punt a), is gevolgd 91 .
In kennis stellen en meedelen
- Nadat het besluit is vastgesteld, wordt dat door de toezichthoudende autoriteit(en) waarbij de klacht is ingediend meegedeeld aan de klager en wordt de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker daarvan in kennis gesteld 92 . Elke toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend behoort dit conform haar nationale wetgeving en praktijken te doen en in de bij die wetgeving voorgeschreven taal. Daarbij kunnen de toezichthoudende autoriteit of autoriteiten waarbij de klacht is ingediend een beroep doen op de hulp van de leidende toezichthoudende autoriteit, die de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker namens hen in kennis kan stellen. Zowel de klager als de verwerkingsverantwoordelijke moeten door de toezichthoudende autoriteit(en) waarbij de klacht is ingediend steeds worden gewezen op de mogelijkheid om in hun lidstaat een voorziening in rechte in te stellen.
- De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend moet vervolgens de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en het Comité in kennis stellen van het besluit, vergezeld van een samenvatting van de relevante feiten en gronden zoals in deel 9.4 is uiteengezet. Dit stoelt op de logica achter de in artikel 60, lid 7, genoemde verplichting tot inkennisstelling van het door de leidende toezichthoudende autoriteit vastgestelde besluit: door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en het Comité als geheel in kennis te stellen, kan de consistentie worden gewaarborgd. De uitwisseling van informatie over het daadwerkelijke besluit dat in definitieve vorm op nationaal niveau wordt vastgesteld - ongeacht de toezichthoudende autoriteit die dit definitieve nationale besluit vaststelt - moet zorgen voor wederzijdse kennis over nationale besluiten en moet voorkomen dat er bij de uitvoering van EU-wetgeving inconsistenties ontstaan. Artikel 60, lid 8, lijkt van de
91 De omvang van de eventuele wijzigingen wordt beschreven in punt 207.
betrokken toezichthoudende autoriteit weliswaar niet uitdrukkelijk te verlangen dat deze een overzicht van de relevante feiten en gronden verstrekt, maar het betreft hier een overkoepelende verplichting die bedoeld is om de eenvormige handhaving van de AVG te waarborgen.
ARTIKEL 60, LID 9 - GEDEELTELIJKE AFWIJZING OF VERWERPING VAN EEN KLACHT
- Artikel 60, lid 9, beschrijft primair een procedurele stap binnen de artikel 60-procedure die gezet moet worden nadat de betrokken toezichthoudende autoriteiten overeenstemming hebben bereikt over en gebonden zijn aan een ontwerpbesluit bestaande uit delen van een klacht naar aanleiding waarvan maatregelen zijn getroffen en delen die zijn verworpen of afgewezen 93 .
- In deze fase van de procedure betekent dit in de praktijk dat het besluit inzake een gedeeltelijk afwijzing of verwerping reeds is genomen en dat in het ontwerpbesluit duidelijk is aangegeven op welke delen van het ontwerpbesluit de afwijzing of verwerping betrekking heeft en voor welke delen geldt dat de leidende toezichthoudende autoriteit nadere maatregelen neemt. De toezichthoudende autoriteiten rest nu alleen nog formalisering door middel van de daartoe bestemde in artikel 60, lid 9, beschreven vaststellingsprocedures. Dit vormt de aanleiding voor de definitieve nationale besluiten waarin volledige uitwerking moet worden gegeven aan het ontwerpbesluit - dat krachtens artikel 60, lid 6, bindend is voor alle betrokken toezichthoudende autoriteiten - en/of aan het bindende besluit van de EDPB nadat de procedure van artikel 65, lid 1, punt a), is gevolgd.
- De daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden voor het in kennis stellen of meedelen worden verdeeld over de leidende toezichthoudende autoriteit en de toezichthoudende autoriteiten waarbij de klachten zijn ingediend. Overeenkomstig het bepaalde in punt 10.2 stelt de leidende toezichthoudende autoriteit een besluit vast voor de delen van de klacht die niet afgewezen of verworpen zijn. De leidende toezichthoudende autoriteit stelt de verwerkingsverantwoordelijke van haar besluit in kennis en deelt dat mee aan de klager. Wat dit betreft, meent de EDPB dat de leidende toezichthoudende autoriteit de toezichthoudende autoriteit of autoriteiten waarbij de klacht is ingediend om redenen van administratieve efficiëntie kan inschakelen voor het overbrengen van die informatie aan de klager(s). Elke toezichthoudende autoriteit waarbij een klacht is ingediend stelt een besluit vast voor de delen van de bij haar ingediende klacht die zijn verworpen of afgewezen. Daarbij hanteert zij de methode die in het vorige deel is beschreven (zie met name punt 239).
Voorbeeld 14: Een ontevreden consument dient bij haar eigen toezichthoudende autoriteit een klacht in en betoogt dat HappyCompany inbreuk maakt op haar rechten doordat deze onderneming haar gegevens onrechtmatig bewaart en verwerkt. Na het vooronderzoek wordt de klacht overgedragen aan de leidende toezichthoudende autoriteit. De leidende toezichthoudende autoriteit begint een onderzoek en krijgt van de verwerkingsverantwoordelijke te horen dat de gegevens van de klager inderdaad in diens dossiers worden bewaard. De oorzaak daarvan is een storing in het systeem voor het beheer van klantrelaties, waardoor die overbodige informatie (voorkeuren, aankoopgeschiedenis enz.) niet tijdig is gewist. Bepaalde gegevens van de klager moeten om financiële of belastingtechnische redenen echter langer worden bewaard en aan de leidende toezichthoudende autoriteit wordt bewijs daarvoor overlegd. De leidende toezichthoudende autoriteit verspreidt
daarom een ontwerpbesluit over de delen van de klacht waarvoor zij optreedt en gelast de verwerkingsverantwoordelijke om de overbodige informatie definitief te wissen. De verwerkingsverantwoordelijke wordt berispt, maar onder erkenning van het feit dat deze de resterende gegevens van rechtswege moet bewaren en met de vermelding dat de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend het daarop betrekking hebbende deel van de klacht moet verwerpen. Omdat er geen bezwaren worden ingediend, stelt de leidende toezichthoudende autoriteit een definitief nationaal besluit vast waarin de verwerkingsverantwoordelijke wordt opgedragen om het verzoek van de klager om de overbodige gegevens te wissen in te willigen. Zij stelt de verwerkingsverantwoordelijke in kennis van dit besluit en deelt dat mee aan de klager. De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend stelt een definitief nationaal besluit vast waarbij de klacht wordt verworpen voor wat betreft het verzoek tot het wissen van de noodzakelijke informatie. Zij stelt de klager in kennis van dit besluit en deelt dat mee aan de verwerkingsverantwoordelijke. Via het informatiesysteem van de EDPB doen de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit de andere toezichthoudende autoriteiten en het Comité een samenvatting van de relevante feiten en gronden toekomen. Elke autoriteit doet dit voor haar eigen definitieve nationale besluit.
ARTIKEL 60, LID 10 - MEEDELEN VAN DE DOOR DE VERWERKINGSVERANTWOORDELIJKE OF VERWERKER GETROFFEN MAATREGELEN AAN DE LEIDENDE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT OF BETROKKEN TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT(EN)
- Lid 10 gaat in op de situatie binnen het één-loketmechanisme nadat de leidende toezichthoudende autoriteit aan de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker een besluit heeft meegedeeld waarbij deze verplicht wordt tot het nemen van maatregelen naar aanleiding van de klacht.
- Het besluit wordt meegedeeld overeenkomstig artikel 60, lid 7, of - indien de leidende toezichthoudende autoriteit alleen optreedt naar aanleiding van enkele delen van de klacht tegen de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker - overeenkomstig artikel 60, lid 9.
- De eerste zin van artikel 60, lid 10, bevat de op de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker rustende verplichting om de nodige maatregelen te treffen teneinde de naleving van het besluit te waarborgen. Daartoe worden in het besluit de bij artikel 58, lid 2, verleende bevoegdheden ingeroepen.
- De verwerkingsverantwoordelijke of verwerker moet erop toezien dat die maatregelen worden uitgevoerd binnen al zijn vestigingen in de EER waar de bewuste verwerkingsactiviteiten plaatsvinden.
- Artikel 60, lid 10, tweede zin, bevat een tweede verplichting voor de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, namelijk om alle maatregelen die hij met het oog op de naleving van het besluit genomen heeft mee te delen aan de leidende toezichthoudende autoriteit, voor zover dat besluit corrigerende maatregelen bevatte. Door deze verplichting wordt de doeltreffendheid van de handhaving gegarandeerd. Verder vormt zij het aanknopingspunt voor eventueel benodigde vervolgmaatregelen
van de zijde van de leidende toezichthoudende autoriteit, wederom in samenwerking met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten 94 .
- De tweede zin van artikel 60, lid 10, bevat de verplichting voor de leidende toezichthoudende autoriteit om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in kennis te stellen van de maatregelen die de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker heeft getroffen met het oog op de naleving van het ten aanzien van hem genomen besluit. Hoewel er geen vaste termijn is waarbinnen de leidende toezichthoudende autoriteit deze informatie aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten moet verstrekken, moet deze informatie worden bekendgemaakt zodra de leidende toezichthoudende autoriteit deze informatie van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker heeft ontvangen.
Indien de leidende toezichthoudende autoriteit concludeert dat de getroffen maatregelen tekortschieten, moet zij overwegen om dit oordeel mee te delen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten wanneer zij hen van de maatregelen in kennis stelt, vooral om te bepalen of er vervolgstappen nodig zijn.
ARTIKEL 60, LID 11 - SPOEDPROCEDURE
- Artikel 60, lid 11, gaat in op de 'buitengewone omstandigheden' waaronder een toezichthoudende autoriteit lopende een artikel 60-procedure de spoedprocedure van artikel 66 kan inroepen.
- In deze richtsnoeren ligt de nadruk daarom primair op de formulering van artikel 60, lid 11, d.w.z. op de voorwaarden waaronder in de loop van een één-loketprocedure artikel 66 kan worden ingeroepen en op de gevolgen daarvan voor de lopende één-loketprocedure.
Voorwaarden voor het inroepen van artikel 66
- Wil een toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 60, lid 11, de spoedprocedure van artikel 66 kunnen inroepen, dan moet aan de volgende cumulatieve voorwaarden worden voldaan:
- GLYPH<UNKNOWN> de toezichthoudende autoriteit is een betrokken toezichthoudende autoriteit;
- GLYPH<UNKNOWN> er is sprake van buitengewone omstandigheden;
- GLYPH<UNKNOWN> de betrokken toezichthoudende autoriteit oordeelt dat dringend optreden geboden is; en
- GLYPH<UNKNOWN> dit dringende optreden dient ter bescherming van de belangen van betrokkenen.
Hieronder worden alle voorwaarden afzonderlijk toegelicht.
- In artikel 60, lid 11, wordt naar de betrokken toezichthoudende autoriteit verwezen in het kader van een artikel 60-procedure, d.w.z. naar een betrokken toezichthoudende autoriteit die deelneemt aan een één-loketprocedure 95 . Deze betrokken toezichthoudende autoriteit kan artikel 66 inroepen wanneer aan alle geldende voorwaarden is voldaan. Aangezien de leidende toezichthoudende
94 Zie deel 4.
95 Zie punt 22 e.v.
autoriteit volgens de definitie in artikel 4, punt 22, ook een betrokken toezichthoudende autoriteit is, kan ook zij, wanneer aan alle overige voorwaarden is voldaan, artikel 60, lid 11, inroepen.
- Van 'buitengewone omstandigheden' kan sprake zijn wanneer de spoedeisendheid van de situatie in kwestie een beletsel vormt voor het toepassen van de 'normale' samenwerkingsprocedure of het 'normale' coherentiemechanisme binnen een aangewezen termijn. De buitengewone aard van dergelijke omstandigheden noopt tot een restrictieve uitlegging. Dit geldt in het bijzonder wanneer de betrokken toezichthoudende autoriteit ondanks een lopende artikel 60-procedure de EDPB conform artikel 60, lid 11, wil verzoeken om overeenkomstig de voorwaarden van artikel 66, lid 3, een dringend advies of een dringend bindend besluit vast te stellen, dat wil zeggen wanneer geoordeeld wordt dat een bevoegde toezichthoudende autoriteit (hoogstwaarschijnlijk de leidende toezichthoudende autoriteit) 'geen passende maatregel heeft genomen' . Alle informele pogingen van een toezichthoudende autoriteit om de bevoegde toezichthoudende autoriteit tot optreden te bewegen, moeten vóór de spoedprocedure zijn ondernomen, hetgeen duidelijk strookt met het streven naar consensus dat ten grondslag ligt aan de artikel 60-procedure als geheel.
- Met betrekking tot de vraag wanneer 'dringend moet worden opgetreden' en op grond van welke criteria de betrokken toezichthoudende autoriteit de specifieke omstandigheden als dringend moet aanmerken, kan worden verwezen naar overweging 137, waar staat dat dit met name het geval is 'wanneer het gevaar bestaat dat de handhaving van een recht van een betrokkene aanzienlijk zou kunnen worden belemmerd' . Volgens de Europese jurisprudentie is het niet nodig dat met volstrekte zekerheid wordt aangetoond dat er onmiddellijk schade dreigt te ontstaan: het volstaat dat de schade met een zekere mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar is 96 .
- Over de vierde voorwaarde moet worden opgemerkt dat, anders dan in artikel 66, in artikel 60, lid 11, niet worden verwezen naar 'de rechten en vrijheden van betrokkenen' maar meer in het algemeen naar hun 'belangen' . Omdat het bij de toe te passen procedure echter om de in 'de in artikel 66 bedoelde' procedure gaat, meent de EDPB dat die belangen samenvallen met de rechten en vrijheden van betrokkenen als bedoeld in artikel 66.
- Zoals hierboven is opgemerkt, zijn de voorwaarden cumulatief en is het de verantwoordelijkheid van de betrokken toezichthoudende autoriteit om 'met reden' aan te geven dat aan al die voorwaarden is voldaan, ongeacht de vraag of zij voornemens is om uit hoofde van artikel 66, lid 1, dringende maatregelen te treffen of de EDPB uit hoofde van artikel 66, lid 2 of lid 3, om een dringend advies of een dringend bindend besluit te verzoeken.
- Naast de in artikel 60, lid 11, geformuleerde voorwaarden moet een betrokken toezichthoudende autoriteit, alvorens zij tot deze stap overgaat, in haar afweging een aantal aanvullende punten meenemen, zoals:
- GLYPH<UNKNOWN> de gegevens die in het kader van de één-loketprocedure zijn verzameld;
- GLYPH<UNKNOWN> de uitwisselingen met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten (waaronder de leidende toezichthoudende autoriteit);
- GLYPH<UNKNOWN> de uitwisselingen betreffende de grensoverschrijdende verwerking in kwestie met de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker en, in voorkomend geval, de klager;
- GLYPH<UNKNOWN> het stadium waarin de artikel 60-procedure verkeert (en met name de vraag hoe lang de afronding daarvan en bijgevolg de handhavingsmaatregelen met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker nog op zich laten wachten).
- Bij het beantwoorden van de vraag of 'dringend moet worden opgetreden' , moet de betrokken toezichthoudende autoriteit vooral op dat laatste punt letten.
De wisselwerking met een lopende samenwerkingsprocedure van artikel 60
Vanwege haar uitzonderlijke karakter wijkt de spoedprocedure van artikel 66 af van de artikel 60procedure, maar zij laat die onverlet. Wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit dus overeenkomstig artikel 60, lid 11, een spoedprocedure inroept en aan alle relevante voorwaarden is voldaan, heeft dat niet tot gevolg dat de bestaande één-loketprocedure wordt gestaakt. In de éénloketprocedure moet daarom rekening worden gehouden met de gevolgen van de voorlopige maatregelen die de betrokken toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 66, lid 1, vaststelt en/of met het dringende advies of het dringende bindend besluit waarom de EDPB uit hoofde van artikel 66, lid 2 of lid 3, is verzocht.
Globaal gezien kan naar hun aard onderscheid tussen de beoogde dringende maatregelen worden aangebracht:
GLYPH<UNKNOWN> de door de betrokken toezichthoudende autoriteit vastgestelde maatregelen hebben een voorlopig karakter, een beperkte looptijd en gelden overeenkomstig artikel 66, lid 1, alleen voor haar eigen grondgebied. De autoriteit is niet voornemens de EDPB om definitieve maatregelen te verzoeken;
GLYPH<UNKNOWN> de betrokken toezichthoudende autoriteit heeft overeenkomstig artikel 66, lid 1, voorlopige maatregelen vastgesteld en streeft via toepassing van artikel 66, lid 2, naar definitieve maatregelen, of zij streeft op rechtstreekse wijze naar definitieve maatregelen via toepassing van artikel 66, lid 3.
Wanneer artikel 66, lid 1, wordt toegepast, kan onder aansturing van de leidende toezichthoudende autoriteit de één-loketprocedure worden voortgezet om definitieve maatregelen vast te stellen, zonder dat de één-loketprocedure enige specifieke invloed van de voorlopige maatregelen van de betrokken toezichthoudende autoriteit ondervindt. In het scenario waarin artikel 66, lid 2 of lid 3, wordt toegepast, hebben de dringende maatregelen waarom de EDPB door de betrokken toezichthoudende autoriteit is verzocht een definitief karakter. In dat scenario staat vast dat het door de EDPB vastgestelde dringende advies of dringende bindende besluit gevolgen zal hebben voor de lopende één-loketprocedure, in het bijzonder vanwege het feit dat de leidende toezichthoudende autoriteit dat advies of besluit onverwijld moet uitvoeren. Hangende de uitvaardiging van dat dringende bindende besluit of dringende advies moeten de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten de behandeling van de zaak daarom opschorten.
Nadat de EDPB het dringende advies of dringende bindende besluit heeft uitgevaardigd, kan de éénloketprocedure worden hervat en moeten de consequenties van de spoedprocedure in de éénloketprocedure worden meegenomen. Hierbij moet echter worden bedacht dat de leidende toezichthoudende autoriteit haar door het dringende advies of het dringende bindende besluit van de EDPB ingegeven definitieve besluit moet vaststellen binnen een uiterst strakke termijn (van bv. twee weken of een maand) die door de EDPB per geval wordt bepaald, juist vanwege het door de EDPB erkende spoedeisende karakter van de zaak.
De leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zijn het beste in staat om te beoordelen of het definitieve besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit, dat wordt vastgesteld op basis van het dringende advies of het dringende bindende besluit van de EDPB, ten volle alle kwesties bestrijkt die in de lopende één-loketprocedure aan de orde komen of dat er nog openstaande kwesties zijn.
In het eerste geval komt de één-loketprocedure ten einde nadat de leidende toezichthoudende autoriteit het definitieve besluit heeft vastgesteld, waarna naargelang het geval de bij artikel 60, leden 7 tot en met 9, geregelde procedurele stappen volgen. Omdat de zaak is afgesloten, kan dit betekenen dat de leidende toezichthoudende autoriteit geen ontwerpbesluit overeenkomstig artikel 60, lid 3, verspreidt 97 . Als er naast de kwesties die aan bod zijn gekomen in het dringende advies of het dringende bindende besluit nog andere kwesties spelen die om een oplossing vragen, moet de leidende toezichthoudende autoriteit duidelijk aangeven welke onder het ontwerpbesluit vallende kwesties nog binnen de huidige één-loketprocedure moeten worden opgelost en welke kwesties dankzij het dringende advies of het dringende bindende besluit van de EDPB zijn weggenomen. In dat geval wordt de huidige artikel 60-procedure hervat nadat de leidende toezichthoudende autoriteit haar definitieve besluit heeft vastgesteld en meegedeeld, en wel vanaf het stadium waarin de procedure zich bevond toen deze vanwege de spoedprocedure werd opgeschort.
97 De standpunten van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zijn al in het dringende bindende besluit of het dringende advies van de EDPB naar voren gebracht.
BEKNOPTE LEIDRAAD
I. INLEIDING
Deze bijlage is gebaseerd op de AVG en de artikel 60-richtsnoeren van de EDPB en moet bij vragen aangaande juridische uitlegging worden gelezen in samenhang met de relevante delen daarvan.
Dit document dient als beknopte leidraad inzake de procedures voor samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in gevallen van grensoverschrijdende verwerking. Om die reden sluit de opbouw van dit document aan bij de volgorde van de stappen die in een artikel 60-procedure moeten worden gezet en wordt de aandacht gevestigd op zowel de juridische verplichtingen als de in de genoemde GDL beschreven gemeenschappelijke beste praktijken.
Voor de fase die voorafgaat aan het begin van een artikel 60-procedure, en met name wanneer het gaat om het bepalen van de leidende toezichthoudende autoriteit en het vooronderzoek naar zaken, wordt verwezen naar WP 244 rev.01 en naar de overige relevante richtsnoeren.
Hieronder worden de belangrijkste fasen van een één-loketprocedure beschreven:
FASE I: relevante informatie uitwisselen en onderzoek
FASE O: bepalen wie de leidende toezichthoudende autoriteit is
FASE III: besluit vaststellen
Artikel 60, lid 1
Dit heeft te maken met de vaststelling dat er sprake is van grensoverschrijdende verwerking en met het vaststellen van de
Artikel 60, leden 6 tot en met 10
plaats van de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordeliike of verwerker (artikel 56)
FASE 0: bepalen wie de leidende toezichthoudende autoriteit is
Dit heeft te maken met de vaststelling dat er sprake is van grensoverschrijdende verwerking en met het vaststellen van de plaats van de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker (artikel 56)
Artikel 60, lid 1
FASE I: relevante informatie uitwisselen en onderzoek
Artikel 60, lid 1
Eventueel artikel 60, lid 2:
wederzijdse bijstand en gezamenlijke werkzaamheden
Artikel 60, leden 3 tot en met 5
FASE II: besluit opstellen
Artikel 60, leden 3 tot en met 5
Artikel 60, leden 6 tot en met 10
FASE III: besluit vaststellen
Artikel 60, leden 6 tot en met 10
EDPB- informatiesyst
eem
Artikel 60, lid 12
EDPBinformatiesyst lid 12
eem Artikel 60,
II. STAPSGEWIJZE PROCEDURE
Fase I: informatie uitwisselen en onderzoek
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | EDPB-informatiesysteem (IMI) | |
|---|---|---|---|---|
| 1a | Artikel 60, lid 1 -Deleidende toezichthoudende autoriteit werkt samen met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten […] teneinde tot een consensus proberen te komen. [...] | Wie : de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit in gelijke mate Wanneer : gedurende de gehele samenwerkingsprocedure Wat : - verplichte samenwerking - actieve samenwerking (eerlijk en constructief)om te proberen tot een consensus te komen en zo geschillen te voorkomen (42) | - De toezichthoudende autoriteiten stellen alles in het werk om aan de wettelijke plicht tot het bereiken van een consensus te voldoen (39) - Op consensus gebaseerd optreden hoort de norm te zijn (41) - Zet alle mogelijke middelen in om tot een consensus te komen (40, 42) - Kies de samenwerkingsvorm die voor de zaak in kwestie het meest geschikt is (43) - Stel elkaar in de gelegenheid om standpunten naar voren te brengen (42) - Houd rekening met elkaars standpunten (42, 127) | |
| 1b | Artikel 60, lid 1 -[...] De leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten wisselen alle relevante informatie met elkaar uit. | Wie : de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit in gelijke mate Wanneer : tijdig en gedurende de gehele samenwerkingsprocedure Wat : | - Wissel alle informatie uit (feiten en juridische motivering) die nodig isom consensus over de zaak te bereiken (46) - Informele informatie-uitwisselingen tussen toezichthoudende autoriteiten in voorafgaande fasen en het op de agenda plaatsen van mogelijke problemen alvorens over te gaan tot formele stappen, zodat de | Artikel 60 Informele raadpleging |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | EDPB-informatiesysteem (IMI) | |
|---|---|---|---|---|
| - verplichte uitwisseling van alle relevante informatie over de aangelegenheid in kwestie - uitwisseling van de benodigde documenten en standpunten alvorens het ontwerpbesluit wordt voorgelegd | kans op consensus zo groot mogelijk is (55-57) - De informatie-uitwisselingen moeten een passend en evenredig karakter hebben, zodat de toezichthoudende autoriteiten hun rol goed kunnen vervullen (47) - Voor de leidende toezichthoudende autoriteit: relevante informatie in contacten met de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker (bevindingen, verslagen, uitwisselingen met de organisatie) (48-50) - Voor de betrokken toezichthoudende autoriteit: relevante informatie over de zaak (klacht, nadere correspondentie, melding van gegevenslek, eventuele verdere bevindingen enz. (50) - Wissel alleen persoonsgegevens uit wanneer de behandeling van de zaak daartoe noopt (51) - Merk bepaalde onderwerpen aan als vertrouwelijk om aan de nationale wettelijke voorschriften te voldoen (52) | |||
| 2 | Artikel 60, lid 2 -Deleidende toezichthoudende autoriteit kan | Wie : Leidende toezichthoudende autoriteit | - Verzoeken kunnen betrekking hebben op: aanvullende gegevens | Artikel 61 Wederzijdse bijstand |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | EDPB-informatiesysteem (IMI) | |
|---|---|---|---|---|
| te allen tijde andere betrokken toezichthoudende autoriteiten verzoeken wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 61 te verlenen [...], in het bijzonder voor het uitvoeren van onderzoeken [...]. Wanneer : op elk moment vóór voorlegging van het Wat : - mogelijkheidom één of betrokken autoriteiten te wederzijdse bijstand lopende zaak te onderzoeken - bij dit soort verzoeken de voorschriften van opgevolgd (redenen verzoek, - antwoord van de toezichthoudende | de ontwerpbesluit meer toezichthoudende verzoekenom enom een grensoverschrijdende worden artikel 61 voor het reactietermijnen). betrokken autoriteiten onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek | van de zijde van de klager; feiten die moeten worden geverifieerd; bewijsmateriaal dat moet worden verzameld; controles die bij de vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker moeten worden uitgevoerd (70-73) | Artikel 61 Vrijwillige wederzijdse bijstand | |
| 3 | Artikel 60, lid 2 -Deleidende toezichthoudende autoriteit […] kan gezamenlijke werkzaamheden ondernemen overeenkomstig artikel 62, in het bijzonder voor het uitvoeren van onderzoeken [...]. | Wie : Leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer : op elk moment vóór de voorlegging van het ontwerpbesluit Wat : | - De gezamenlijke werkzaamheden kunnen bij de leidende toezichthoudende autoriteit plaatsvinden of kunnen door de leidende toezichthoudende autoriteit worden georganiseerd en plaatsvinden in één of meer lidstaten met voor de concrete zaak relevante | Artikel 60 Informele raadpleging Artikel 62 Gezamenlijke werkzaamheden |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | EDPB-informatiesysteem (IMI) |
|---|---|---|---|
| - mogelijkheid tot het opzetten van gezamenlijke werkzaamheden teneinde onderzoek te doen naar een in een andere lidstaat gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker - voor deze gezamenlijke werkzaamheden gelden de voorschriften van artikel 62 | vestigingen van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker (79-80) OPMERKING: Voor het uitvoeren van controles uit hoofde van artikel 60, lid 10, kan ook na afloop van de één- loketprocedure een beroep worden gedaan op artikel 60, lid 2, (zie hieronder) (74, 80) |
Fase II: besluit opstellen
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| 1a | Artikel 60, lid 3 -Deleidende toezichthoudende autoriteit deelt onverwijld alle relevante informatie over de aangelegenheid mee aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. | Wie : Leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer : onverwijld Wat : - aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten alle relevante informatie over de zaak in kwestie meedelen | - De informatie moet snel aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten worden verstrekt, overeenkomstig de omstandigheden van de specifieke zaak (87-88) - De leidende toezichthoudende autoriteit moet overwegenom proactief en snel een tijdschema te verspreiden met daarin de stappen die vóór het voorleggen van het ontwerpbesluit ondernomen moeten worden (89-90, 102) - Na afronding van het onderzoek moet de leidende toezichthoudende autoriteit de betrokken toezichthoudende autoriteiten een samenvatting van de resultaten sturen waarop zij binnen een korte maar redelijke termijn feedback kunnen geven De leidende toezichthoudende autoriteit deelt mee hoe zij tegen de ontvangen feedback aankijkt (94) - Onder 'relevante informatie' vallen eventuele extra wisselingen over controversiële onderwerpen of afwijkende standpunten, overeenkomstig het streven naar consensus (93-95); | Artikel 60 Informele raadpleging |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI |
|---|---|---|---|
| - De leidende toezichthoudende autoriteit kan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten inlichten over de omvang en de hoofdconclusies van het ontwerpbesluit alvorens dat formeel voor te leggen, zodat de betrokken toezichthoudende autoriteiten een bijdrage aan de algemene procedure kunnen leveren (57, 93) - Bij het opstellen van het ontwerpbesluit moet de leidende toezichthoudende autoriteit rekening houden met de voorlopige standpunten van de betrokken toezichthoudende autoriteiten (93- 94) - In eenvoudige zaken waarvoor geldt dat het ontwerpbesluit voor zich spreekt en/of er geen of bijzonder weinig informatie hoeft te worden uitgewisseld, kan die relevante informatie samen met het ontwerpbesluit worden verspreid (104) OPMERKING: Zie fase 1, stap 1b |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| 1b | Artikel 60, lid 3 -Zij legt de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten onverwijld te hunner beoordeling een ontwerpbesluit voor [...]. | Wie : Leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer : zo snel mogelijk nadat alle feiten zijn verzameld en met de betrokken toezichthoudende autoriteiten informatie en standpunten zijn uitgewisseld, afhankelijk van de complexiteit en bijzonderheden van de zaak Wat : - verplichting tot het voorleggen van een ontwerpbesluit aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten in alle artikel 60- zaken, voor raadplegingsdoeleinden | - Bij alle één-loketprocedures moet een ontwerpbesluit worden voorgelegd, ook in gevallen waarin: de klacht tijdens een lopende artikel 60-procedure wordt ingetrokken; er een minnelijke schikking wordt getroffen; een einde aan de inbreuk wordt gemaakt; de zaak moet worden gesloten; tegen de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker geen maatregelen worden overwogen; of wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit het definitieve besluit niet uitvaardigt (97-100) - Het ontwerpbesluit moet qua vorm en inhoud stroken met het besluit dat in de zaak in kwestie moet worden vastgesteld en aan alle voorwaarden van een juridisch bindende handeling voldoen (109- 110, 114-117) - Het ontwerpbesluit moet schriftelijk worden opgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig zijn geformuleerd, met vermelding van de toezichthoudende autoriteit van afgifte, de datum van afgifte, ondertekend zijn door een gemachtigd lid van de toezichthoudende autoriteit en naar | Artikel 60 Ontwerpbesluit |
| 1b | Artikel 60, lid 3 -Zij legt de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten onverwijld te hunner beoordeling een ontwerpbesluit voor [...]. | UITZONDERING: bij nieuwe gebeurtenissen, zoals opmerkingen van betrokken toezichthoudende | - Bij alle één-loketprocedures moet een ontwerpbesluit worden voorgelegd, ook in gevallen waarin: de klacht tijdens een lopende artikel 60-procedure wordt ingetrokken; er een minnelijke schikking wordt getroffen; een einde aan de inbreuk wordt gemaakt; de zaak moet worden gesloten; tegen de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker geen maatregelen worden overwogen; of wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit het definitieve besluit niet uitvaardigt (97-100) - Het ontwerpbesluit moet qua vorm en inhoud stroken met het besluit dat in de zaak in kwestie moet worden vastgesteld en aan alle voorwaarden van een juridisch bindende handeling voldoen (109- 110, 114-117) - Het ontwerpbesluit moet schriftelijk worden opgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig zijn geformuleerd, met vermelding van de toezichthoudende autoriteit van afgifte, de datum van afgifte, ondertekend zijn door een gemachtigd lid van de toezichthoudende autoriteit en naar | Artikel 60 Ontwerpbesluit |
| 1b | Artikel 60, lid 3 -Zij legt de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten onverwijld te hunner beoordeling een ontwerpbesluit voor [...]. | autoriteiten of nadere inbreng door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, kan de leidende toezichthoudende autoriteit binnen de bij artikel 60, lid 4, voorziene raadplegingstermijn van vier weken onder duidelijke opgaaf van redenen haar ontwerpbesluit intrekken, waarna | - Bij alle één-loketprocedures moet een ontwerpbesluit worden voorgelegd, ook in gevallen waarin: de klacht tijdens een lopende artikel 60-procedure wordt ingetrokken; er een minnelijke schikking wordt getroffen; een einde aan de inbreuk wordt gemaakt; de zaak moet worden gesloten; tegen de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker geen maatregelen worden overwogen; of wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit het definitieve besluit niet uitvaardigt (97-100) - Het ontwerpbesluit moet qua vorm en inhoud stroken met het besluit dat in de zaak in kwestie moet worden vastgesteld en aan alle voorwaarden van een juridisch bindende handeling voldoen (109- 110, 114-117) - Het ontwerpbesluit moet schriftelijk worden opgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig zijn geformuleerd, met vermelding van de toezichthoudende autoriteit van afgifte, de datum van afgifte, ondertekend zijn door een gemachtigd lid van de toezichthoudende autoriteit en naar | Artikel 60 Ontwerpbesluit |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI |
|---|---|---|---|
| zij de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) zo snel mogelijk een nieuw ontwerpbesluit voorlegt en een nieuwe termijn ingaat (163) | het recht op een doeltreffende voorziening in rechte verwijzen (109) - Verder moet het ontwerpbesluit een beschrijving van de relevante feiten, een deugdelijke motivering en een gedegen juridische beoordeling bevatten, zodat de conclusies ervan voor de betrokken toezichthoudende autoriteiten geheel inzichtelijk zijn (104, 111, 113) - In het ontwerpbesluit moet duidelijk staan aangegeven of afgifte op grond van artikel 60, lid 7, lid 8, dan wel lid 9 wordt beoogd. In het geval van artikel 60, lid 9, moet duidelijk zijn welk deel de leidende toezichthoudende autoriteit voor haar rekening neemt en welk deel de toezichthoudende autoriteit(en) waarbij de klacht is ingediend (227) - De termijn van vier weken gaat in op het moment waarop het ontwerpbesluit wordt voorgelegd (103, 135) - De leidende toezichthoudende autoriteit moet erop toezien dat de werkstroom alleen op werkdagen in gang wordt gezet en dat de termijn niet op een Europese feestdag afloopt (138) |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| - De leidende toezichthoudende autoriteit moet erop toezien dat het ontwerpbesluit in alle opzichten voldoet aan de nationale voorschriften met betrekking tot het recht om te worden gehoord en dat de stappen die dienaangaande worden gezet in het ontwerpbesluit worden vermeld (105). | ||||
| 1c | Artikel 60, lid 3 -[De leidende toezichthoudende autoriteit] houdt naar behoren rekening met hun standpunten | Wie : Leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer : zo snel mogelijk Wat : - rekening houden met de standpunten van de betrokken toezichthoudende autoriteiten over het ontwerpbesluit, zodat een consensus kan worden bereikt | - De leidende toezichthoudende autoriteit moet reageren op de standpunten van alle betrokken toezichthoudende autoriteiten (129) - De leidende toezichthoudende autoriteit moet toelichten op welke wijze zij naar behoren rekening met die standpunten wil houden en welke standpunten wel en niet gehonoreerd zullen worden, bijvoorbeeld omdat zij onderling tegenstrijdig zijn (129) - De leidende toezichthoudende autoriteit moet verregaand rekening houden met het standpunt van de betrokken toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, aangezien deze fungeert als het aanspreekpunt voor de klager en zij mogelijk een besluit |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| moet vaststellen en verdedigen (130) OPMERKING: zie fase I, stap 1a, over het bereiken van consensus en fase II, stap 1a, over het opstellen van het ontwerpbesluit | ||||
| 2a | Artikel 60, lid 4 -Indien één van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten binnen een termijn van vier weken na te zijn geraadpleegd [...] een relevant en gemotiveerd bezwaar tegen het ontwerpbesluit indient [...]. | Wie : de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) met een erkende rol in de één-loketprocedure Wanneer : binnen een termijn van vier weken nadat de leidende toezichthoudende autoriteit het ontwerpbesluit heeft voorgelegd Wat : mogelijkheid tot het indienen van relevante en gemotiveerde bezwaren tegen het ontwerpbesluit OPMERKING : zie EDPB, Richtsnoeren 9/2020 over het begrip 'relevant en gemotiveerd bezwaar' | - Het bereiken van consensus heeft voorrang boven het inschakelen van de geschillenbeslechtingsprocedure en daarom moeten de voorgaande stappen nauwkeurig worden opgevolgd (133) - De betrokken toezichthoudende autoriteit moet haar bezwaren in één keer indienen, maar wel onderscheid tussen de verschillende bezwaren aanbrengen (139) - Tijdens de termijn van vier weken kan de betrokken toezichthoudende autoriteit haar inbreng desgewenst nog wijzigen. Daartoe verwijdert zij de vorige versie van haar inbreng en uploadt zij de nieuwe versie naar het IMI (139) - Het steunen van of verwijzen naar een bezwaar van een andere betrokken toezichthoudende autoriteit vormt geen relevant en gemotiveerd bezwaar. Alle betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten hun eigen | Artikel 60 Ontwerpbesluit |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| bezwaren indienen en die behoren te voldoen aan de richtsnoeren voor relevante en gemotiveerde bezwaren (142-145) | ||||
| 2b | [...] de leidende toezichthoudende autoriteit, indien zij het relevante en gemotiveerde bezwaar afwijst of het niet relevant of niet gemotiveerd acht, [onderwerpt] de aangelegenheid aan het [...] coherentiemechanisme. | Wie : Leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer : zo snel mogelijk na het verstrijken van de raadplegingstermijn van vier weken voor het ontwerpbesluit Wat: - verplichte voorlegging van de aangelegenheid aan de EDPB op grond van artikel 65, lid 1, punt a), indien de leidende toezichthoudende autoriteit een relevant en gemotiveerd bezwaar niet honoreert of een bezwaar niet als een relevant en gemotiveerd bezwaar aanmerkt OPMERKING: zie EDPB, Richtsnoeren 9/2020 over het begrip 'relevant en gemotiveerd bezwaar' | - Het bereiken van consensus heeft voorrang boven het inschakelen van de geschillenbeslechtingsprocedure en daarom moeten de voorgaande stappen nauwkeurig worden opgevolgd (133,149) - In haar reactie op relevante en gemotiveerde bezwaren moet de leidende toezichthoudende autoriteit een eerste beoordeling geven en aangeven welke relevante en gemotiveerde bezwaren zij voornemens is te honoreren, en in hoeverre, en welke zij naast zich neer wil leggen. Daarbij licht zij haar standpunt toe en stelt zij de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) in de gelegenheid om haar/hun bezwaren verder te verduidelijken (146-149) - Deze aanvullende samenwerking kan verschillende vormen aannemen, zoals vergaderingen of informele raadplegingsprocedures (146, 159) - Na de toelichting door de leidende toezichthoudende autoriteit kan/kunnen de betrokken | Artikel65- Geschillenbeslechting door het Comité |
| Wettelijke bepalingen | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI |
|---|---|---|
| toezichthoudende autoriteit(en) overwegenom -als het meningsverschil minimaal is-de relevante en gemotiveerde bezwaren in te trekken. In dat geval moet de betrokken toezichthoudende autoriteit uitdrukkelijk verklaren dat zij haar relevante en gemotiveerde bezwaar intrekt (147-149) - De leidende toezichthoudende autoriteit moet de intrekking van het bezwaar registreren en de andere betrokken toezichthoudende autoriteit(en) daar onverwijld van in kennis stellen (148) - Wanneer geen consensus wordt bereikt, moet de leidende toezichthoudende autoriteit de aangelegenheid zo spoedig mogelijk voorleggen aan de EDPB (151-153, 174, 181) OPMERKING: in situaties waarin de leidende toezichthoudende autoriteit sommige bezwaren wil honoreren maar andere wil afwijzen en/of deze niet relevant en/of niet gemotiveerd acht, moet de leidende toezichthoudende autoriteit krachtens artikel 60, lid 5, een herzien ontwerpbesluit |
| Wettelijke bepalingen | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI |
|---|---|---|
| aan de procedure onderwerpen en wel overeenkomstig het volgende punt. De leidende toezichthoudende autoriteit moet in informele contacten duidelijk aangeven welke bezwaren zij in het herziene ontwerpbesluit wil honoreren en op welke wijze zij voornemens is dat te doen. Voorts moet de leidende toezichthoudende autoriteit duidelijk aangeven welke bezwaren later eventueel zullen worden onderworpen aan de geschillenbeslechting van artikel 65, lid 1, punt a) (154) |
| 3a | Artikel 60, lid 5 -Indien de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens is het ingediende relevante en gemotiveerde bezwaar te honoreren, legt zij de overige betrokken toezichthoudende autoriteiten te hunner beoordeling een herzien ontwerpbesluit voor. | Wie : Leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer : zo snel mogelijk (beginsel van behoorlijk bestuur) Wat : - verplichte voorlegging van een herzien ontwerpbesluit aan de betrokken toezichthoudende autoriteit(en), alleen in gevallen waarin de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens isom een relevant en gemotiveerd bezwaar te honoreren OPMERKING: zie fase II, stap 1b, over het voorleggen van het ontwerpbesluit | - De leidende toezichthoudende autoriteit mag niet uitsluitend naar aanleiding van kanttekeningen of andere opmerkingen een herzien ontwerpbesluit voorleggen (162- 163 en EDPB, Richtsnoeren 9/2020) - Na de relevante en gemotiveerde bezwaren te hebben beoordeeld, moet de leidende toezichthoudende autoriteit alle betrokken toezichthoudende autoriteiten duidelijk maken dat zij voornemens is om een herzien ontwerpbesluit voor te leggen (169-170) - Tussen indiening van de relevante en gemotiveerde bezwaren en het voorleggen van een herzien ontwerpbesluit dient zo min mogelijk tijd te zitten, maar wel voldoende tijdom recht te doen aan de één-loketprocedure (167- 168) - De leidende toezichthoudende autoriteit, kan, voordat zij een herzien ontwerpbesluit formeel voorlegt, voor informeel overleg een voorlopige versie verspreiden zodat overeenstemming ontstaat over de doorgevoerde wijzigingen en consensus kan worden bereikt (170) - In het herziene ontwerpbesluit moeten de risico's die het | Artikel 60 Herzien ontwerpbesluit |
|---|
| ontwerpbesluit volgens de relevante en gemotiveerde bezwaren inhield voor de grondrechten en fundamentele vrijheden van betrokkenen volledig zijn weggenomen (158) |
|---|
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| 3b | Artikel 60, lid 5 -[...] Dat herziene ontwerpbesluit wordt binnen een termijn van twee weken aan de in lid 4 bedoelde procedure onderworpen. | Wie : de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) met een erkende rol in de één- loketprocedure Wanneer: zie stap 2a/2b van fase II Wat: zie stap 2a/2b van fase II OPMERKING : in gevallen waarin geen relevante en gemotiveerde bezwaren worden ingediend, is artikel 60, lid 6, van toepassing | - Het herziene ontwerpbesluit moet worden gezien als een ander juridisch instrument dan het krachtens artikel 60, lid 4, voorgelegde ontwerpbesluit (183) - Ook wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit geen bezwaar tegen het ontwerpbesluit had gemaakt, kan zij een relevant en gemotiveerd bezwaar tegen het herziene ontwerpbesluit indienen (183-184) - Een betrokken toezichthoudende autoriteit mag geen relevant en gemotiveerd bezwaar inbrengen tegen een herzien ontwerpbesluit indien tegen het punt in kwestie eerder geen relevant en gemotiveerd bezwaar was ingebracht en de leidende toezichthoudende autoriteit het ontwerpbesluit op dat punt niet heeft herzien (186) OPMERKING: zie fase II, stap 2a/2b, over het indienen van relevante en gemotiveerde bezwaren | Artikel 60 Herzien ontwerpbesluit |
| 3b | Artikel 60, lid 5 -[...] Dat herziene ontwerpbesluit wordt binnen een termijn van twee weken aan de in lid 4 bedoelde procedure onderworpen. | Wie : de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) met een erkende rol in de één- loketprocedure Wanneer: zie stap 2a/2b van fase II Wat: zie stap 2a/2b van fase II OPMERKING : in gevallen waarin geen relevante en gemotiveerde bezwaren worden ingediend, is artikel 60, lid 6, van toepassing | UITZONDERING: als er zich buitengewone omstandigheden voordoen die niet eerder zijn opgetreden en de leidende | Artikel 60 Herzien ontwerpbesluit |
| Wettelijke bepalingen | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI |
|---|---|---|
| toezichthoudende autoriteit na rijp beraad een relevant en gemotiveerd bezwaar wil honoreren dat tijdens de laatste raadplegingstermijn is ingebracht om aldus een consensus te bewerkstelligen en te voorkomen dat de aangelegenheid aan de EDPB moet worden voorgelegd ofschoon er niet langer sprake is van een geschil dat moet worden beslecht, kan de leidende toezichthoudende autoriteit een (nogmaals) herzien ontwerpbesluit voorleggen (176- 180) |
Fase III: vaststelling van het definitieve besluit
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Artikel 60, lid 6 - Indien geen enkele andere betrokken toezichthoudende autoriteit binnen de in de leden 4 en 5 bedoelde termijn bezwaar heeft gemaakt tegen het door de leidende toezichthoudende autoriteit voorgelegde ontwerpbesluit, worden de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten geacht met dat ontwerpbesluit in te stemmenenzijn zij daaraan gebonden . | Wie : de betrokken toezichthoudende autoriteit(en) met een erkende rol in de één-loketprocedure Wanneer : vier weken nadat het ontwerpbesluit is voorgelegd (artikel 60, lid 4) of twee weken nadat het (laatste) herziene ontwerpbesluit is voorgelegd (artikel 60, lid 5) Wat : - overeenstemming tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit over het (herziene) ontwerpbesluit, wanneer er geen relevante en gemotiveerde bezwaren zijn ingediend - het (herziene) ontwerpbesluit is bindend voor de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten het kan, buitengewone omstandigheden daargelaten, niet meer worden ingetrokken of gewijzigd (187 191) | - Geen noodzaak tot handelen: het ontbreken van relevante en gemotiveerde bezwaren impliceert dat er overeenstemming bestaat (stilzwijgende overeenstemming) (188) - Het nationale definitieve besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit of betrokken toezichthoudende autoriteit (zie 2a/2b) mag niet afwijken van het bindende (herziene) ontwerpbesluit (189-191) - De bindende werking geldt alleen voor de specifieke zaak in kwestie (196) - Een betrokken toezichthoudende autoriteit die zich in dit stadium bij de procedure wil aansluiten, moet overwegenom een aparte één- loketprocedure te beginnen (anders is zij automatisch aan het (herziene) ontwerpbesluit gebonden). (192- 195) - De tekst en conclusies van een bindend (herzien) ontwerpbesluit kunnen in latere één- loketprocedures opnieuw worden |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| gebruikt (dezelfde of een andere verwerkingsverantwoordelijke, dezelfde inbreuk) indien dat de behandeling van de zaak bespoedigt (197-198) | ||||
| 2a | Artikel 60, lid 7 (1e zin) -De leidende toezichthoudende autoriteit stelt het besluit vast en deelt het mee aan de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, naargelang het geval, en stelt de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, alsmede het Comité in kennis van het besluit in kwestie, voorzien van een samenvatting van de relevante | Wie: de leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer: zo snel mogelijk nadat het besluit op grond van artikel 60, lid 6, bindend is geworden (beginsel van behoorlijk bestuur) (206) / OPMERKING: binnen één maand na het bindend besluit van de EDPB overeenkomstig artikel 65, lid 1, punt a) (206) | - De verwerkingsverantwoordelijke of verwerker voorzien van een volledig afschrift van het nationale definitieve besluit (overeenkomstig het nationale recht) (210) - De verwerkingsverantwoordelijke of verwerker ook in kennis stellen van diens verplichtingen op grond van artikel 60, lid 10 (214) - Gebruik binnen IMI de velden 'Definitief besluit' om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de EDPB in kennis te stellen van het nationale definitieve besluit (211-212) - Gebruik binnen IMI de velden 'Definitief besluit' om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de EDPB te voorzien van een samenvatting van de relevante feiten en gronden (215- 216) - Het verdient aanbeveling om de betrokken toezichthoudende autoriteiten tevens een Engelstalig afschrift van het nationale | Artikel 60 Definitief besluit |
| 2a | feiten en gronden. | UITZONDERING: als er tijdens deze termijn beperkende factoren optreden (bv. relevante EU-rechtspraak of - wetgeving), kan de leidende toezichthoudende autoriteit genoodzaakt zijnom af te zien van een nationaal definitief besluit en om aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten een nieuw ontwerpbesluit voor te leggen, nadat zij hen daarvan in kennis heeft gesteld (207) | - De verwerkingsverantwoordelijke of verwerker voorzien van een volledig afschrift van het nationale definitieve besluit (overeenkomstig het nationale recht) (210) - De verwerkingsverantwoordelijke of verwerker ook in kennis stellen van diens verplichtingen op grond van artikel 60, lid 10 (214) - Gebruik binnen IMI de velden 'Definitief besluit' om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de EDPB in kennis te stellen van het nationale definitieve besluit (211-212) - Gebruik binnen IMI de velden 'Definitief besluit' om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de EDPB te voorzien van een samenvatting van de relevante feiten en gronden (215- 216) - Het verdient aanbeveling om de betrokken toezichthoudende autoriteiten tevens een Engelstalig afschrift van het nationale | Artikel 60 Definitief besluit |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| Wat: - vaststelling van het nationale definitieve besluit (203-205, 230-235) - mededeling van het nationale definitieve besluit aan de vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker (krachtens het nationale recht) (208-209) - inkennisstelling van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en het Comité van het nationale definitieve besluit - samenvatting van de feiten en | definitieve besluit te doen toekomen, via IMI (217) | |||
| 2b | Artikel 60, lid 7 (2e zin) -De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt de klager in kennis van het besluit. | gronden van het besluit Wie: de betrokken toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend waarop het overeenkomstig artikel 60, lid 6, of artikel 65, lid 1, punt a), bindende besluit betrekking heeft en waarbij de leidende toezichthoudende autoriteit maatregelen neemt naar aanleiding van die klacht Wanneer: zo snel mogelijk (beginsel van behoorlijk bestuur) nadat de leidende toezichthoudende autoriteit de | - De informatievoorziening aan de klager moet beantwoorden aan de nationale wetgeving en praktijken (213) - De klager moet erop worden gewezen dat het recht van verhaal (eventueel) in de lidstaat van de leidende toezichthoudende autoriteit moet worden uitgeoefend (nationale wetgeving) (213) | Artikel 60 Definitief besluit |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| inkennisstelling van het nationale definitieve besluit heeft verricht Wat: de klager in kennis stellen van het door de leidende toezichthoudende autoriteit vastgestelde nationale definitieve besluit | ||||
| 3 | Artikel 60, lid 8 -Ingeval een klacht is afgewezen of verworpen, stelt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, in afwijking van lid 7, het besluit vast en deelt zij het mee aan de klager en stelt zij de verwerkingsverantwoordelijke ervan in kennis. | Wie: de betrokken toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend waarop het overeenkomstig artikel 60, lid 6, of artikel 65, lid 1, punt a), bindende besluit betrekking heeft, indien de klacht wordt afgewezen of verworpen (218-219, 236-238) Wanneer: zo snel mogelijk (beginsel van behoorlijk bestuur) nadat het besluit uit hoofde van artikel 60, lid 6, bindend is geworden/binnen één maand nadat het besluit uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), bindend is geworden Wat: - vaststelling van een nationaal definitief besluit waarbij een klacht wordt afgewezen of | - Voor het meedelen van informatie over het nationale definitieve besluit aan de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker kan de betrokken toezichthoudende autoriteit een beroep doen op de leidende toezichthoudende autoriteit (239) - Gebruik binnen IMI de velden 'Definitief besluit' om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de EDPB in kennis te stellen van het nationale definitieve besluit (240) - Gebruik binnen IMI de velden 'Definitief besluit' om de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de EDPB te voorzien van een samenvatting van de relevante feiten en gronden (240) - De verwerkingsverantwoordelijke of verwerker moet erop worden gewezen dat het recht van verhaal | Artikel 60 Definitief besluit |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| verworpen (nationale wetgeving) (221-225 228-229) - mededeling van een nationaal definitief besluit aan de klager (nationale wetgeving) (219, 226) - inkennisstelling van de verwerkingsverantwoordelijke van het nationale definitieve besluit (nationale wetgeving) (220) - inkennisstelling van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en het Comité van het nationale definitieve besluit - samenvatting van de feiten en gronden van het besluit | (eventueel) in de lidstaat van de leidende toezichthoudende autoriteit moet worden uitgeoefend (nationale wetgeving) (239) - Via IMI kan ook aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten een Engelstalig afschrift van het nationale definitieve besluit worden verstrekt (240) | |||
| 4a | Artikel 60, lid 9 (1e zin) - Indien de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten het erover eens zijn delen van een klacht af te wijzen of te verwerpen en voor andere delen van die klacht op te treden, wordt voor elk van die laatstgenoemde delen een afzonderlijk besluit vastgesteld. | Wie: de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit moeten op basis van instemming (conform artikel 60, lid 6) of op basis van het besluit (conform artikel 65, lid 1, punt a), een deel van de klacht afwijzen of verwerpen en naar aanleiding van een deel van de klacht maatregelen nemen (241-242) |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| Wanneer: zo snel mogelijk (beginsel van behoorlijk bestuur) nadat het besluit uit hoofde van artikel 60, lid 6, bindend is geworden/binnen één maand nadat het besluit uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), bindend is geworden Wat: - vaststelling van afzonderlijke nationale definitieve besluiten door de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit met betrekking tot verschillende uitkomsten aangaande dezelfde klacht (242) | ||||
| 4b | Artikel 60, lid 9 (2e zin) -De leidende toezichthoudende autoriteit stelt het besluit vast voor het deel betreffende de maatregelen inzake de verwerkingsverantwoordelijke, en deelt het mee aan de hoofdvestiging of de enige vestiging van de | Wie: de leidende toezichthoudende autoriteit die met betrekking tot de verwerkingsverantwoordelijke maatregelen vaststelt voor een deel van de klacht Wanneer/wat: Zie stap 2a voor wat de leidende toezichthoudende autoriteit betreft | Zie stap 2a voor wat de leidende toezichthoudende autoriteit betreft OPMERKING: voor het meedelen van informatie over het nationale definitieve besluit aan de klager kan de leidende toezichthoudende autoriteit een beroep doen op de betrokken toezichthoudende autoriteit ( 243 ) | Artikel 60 Definitief besluit |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker op het grondgebied van haar lidstaat, en stelt de klager daarvan in kennis. | OPMERKING: de leidende toezichthoudende autoriteit moet de klager in kennis stellen van het nationale definitieve besluit dat zij heeft vastgesteld (243) | |||
| 4c | Artikel 60, lid 9 (3e zin) -Voor het deel waarvoor de klacht in kwestie is afgewezen of verworpen, wordt het besluit vastgesteld door de toezichthoudende autoriteit van de klager, en door haar aan die klager medegedeeld, en wordt de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker daarvan in kennis gesteld. | Wie: de betrokken toezichthoudende autoriteit die een deel van de klacht afwijst of verwerpt Wanneer/wat: zie stap 3 voor wat de betrokken toezichthoudende autoriteit betreft | zie stap 3 voor wat de betrokken toezichthoudende autoriteit betreft | Artikel 60 Definitief besluit |
| 5a | Artikel 60, lid 10 (1e zin) -De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker treft, na in kennis te zijn gesteld van het besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig de leden 7 en 9, de nodige maatregelen teneinde het besluit wat betreft de verwerkingsactiviteiten binnen al zijn vestigingen binnen de Unie te doen naleven | Wie: de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker Wanneer: na de inkennisstelling door de leidende toezichthoudende autoriteit van het nationale definitieve besluit overeenkomstig artikel 60, lid 7, of artikel 60, lid 9 (244-245) |
| Wettelijke bepalingen | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| 5b | Artikel 60, lid 10 (1e helft van de 2e zin) -De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker deelt de door hem met het oog op de naleving van het besluit getroffen maatregelen mee aan de leidende toezichthoudende autoriteit [...]. | Wat: treffen en meedelen van maatregelenom ervoor te zorgen dat het nationale definitieve besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit wordt nageleefd (243, 246-248) | ||
| 5c | Artikel 60, lid 10 (2e helft van de 2e zin) -[de leidende toezichthoudende autoriteit], die de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten ervan in kennis stelt . | Wie: de leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer: zo snel mogelijk na de mededeling door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker (249) Wat: de betrokken toezichthoudende autoriteiten in kennis stellen van de door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker genomen maatregelen | - De leidende toezichthoudende autoriteit moet overwegenom de betrokken toezichthoudende autoriteiten te voorzien van haar oordeel over de door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker genomen maatregelen (249) - Op grond van artikel 60, lid 2, kan de leidende toezichthoudende autoriteit de betrokken toezichthoudende autoriteiten verzoeken wederzijdse bijstand te verlenen om te controleren of de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker binnen de betreffende vestigingen de maatregelen uitvoert (62, 69, 74, 80) |
ARTIKEL 60, LID 11 - SPOEDPROCEDURE
| Wettelijke voorschriften | Wie, wanneer en wat | Aanbevelingen en beste praktijken | IMI | |
|---|---|---|---|---|
| U | Artikel 11 -Indien, in buitengewone omstandigheden, een betrokken toezichthoudende autoriteit het met reden dringend noodzakelijk acht dat in het belang van bescherming van de belangen van betrokkenen wordt opgetreden, is de in artikel 66 bedoelde spoedprocedure van toepassing. | Wie: betrokken toezichthoudende autoriteiten en de leidende toezichthoudende autoriteit Wanneer: op elk moment waarop er gedurende een één- loketprocedure sprake is van buitengewone omstandigheden Wat: toepassing van de spoedprocedure van artikel 66 OPMERKING : een bindend besluit van de EDPB in een spoedprocedure op grond van artikel 66, lid 3, kan betekenen dat er zonder (herzien) ontwerpbesluit een nationaal definitief besluit wordt vastgesteld (265) | - Voordat de toezichthoudende autoriteiten overgaan tot dringend optreden, moeten zij op diverse aspecten letten, en met name op het stadium waarin de één-loketprocedure zich bevindt (252-259) - De betrokken toezichthoudende autoriteiten en leidende toezichthoudende autoriteit moeten samen bekijken op welke wijze de uitkomst van de artikel 66-procedure het beste in de lopende één-loketprocedure kan worden meegenomen (260- 265) | Artikel 66 Vastgestelde voorlopige maatregelen Artikel 66 Dringend advies/besluit van de EDPB |
Footnotes
Zie ook: Advies nr. 8/2019 over de competentie van de toezichthoudende autoriteit in het geval van een wijziging in de omstandigheden betreffende de hoofdvestiging of de enige vestiging.
Zie ook artikel 17 van het reglement van orde van de EDPB.
Zie ook: WP 244 Richtlijnen voor het bepalen van de leidende toezichthoudende autoriteit van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker.
Zie voor meer informatie over deze kwestie tevens: WP 244 rev.01: 'Richtlijnen voor het bepalen van de leidende toezichthoudende autoriteit van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker'
Zie EDPB, Richtsnoeren 3/2018, blz. 6-8, voor meer informatie over de term 'vestiging' en Richtsnoeren 3/2018, blz. 8-10, over de formulering 'in het kader van de activiteiten van'.
Zie ook: WP 244 Richtlijnen voor het bepalen van de leidende toezichthoudende autoriteit van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, blz. 11.
Zaak C-518/07, punt 25 [ECLI:EU:C:2010:125], zie ook zaak C-362/14, punt 41.
Zie met betrekking tot het één-loketmechanisme: zaak 645/19, punt 53. 'De toepassing van het 'éénloketmechanisme' vereist dus, zoals overweging 13 van verordening 2016/679 bevestigt, een loyale en doeltreffende samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.'
Zie ook: HvJ-EU: zaak C-215/83, punt 19; C-94/87, punt 12; C-280/13, punt 37.
Zie ook: zaak C -645/19, punt 51, '[...] de leidende toezichthoudende autoriteit [moet] met name proberen tot een consensus te komen .'
Zie ook: Richtsnoeren 9/2020 inzake relevant en gemotiveerd bezwaar overeenkomstig Verordening 2016/679, punt 9.
Zie ook: overweging 138, die luidt: 'In andere grensoverschrijdende gevallen dient de procedure voor samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit te worden toegepast [...] zonder dat zulks aanleiding geeft tot toepassing van het coherentiemechanisme' .
Zie ook: Conclusie van de advocaat-generaal in zaak C-645/19, punt 87.
Zie ook: EDPB, Besluit 01/2020 over het geschil dat is ontstaan over een ontwerpbesluit op grond van artikel 65, lid 1, onder a), van de AVG, punten 134-136.
Zie de punten 36 en 189 e.v. over de bindende werking van het ontwerpbesluit.
Zie HvJ-EU, gevoegde zaken 11/66 ( 'verbindend rechtsgevolg' ); HvJ-EU, C-317/19 P ( 'hun klacht met de nodige nauwkeurigheid te onderzoeken en [...] toereikend te motiveren' ), HvJ-EU, gevoegde zaken 8 tot 11/66 ( 'deze beschikking motiveren met een voldoende duidelijkheid' ); HvJ-EU, C-24/62 ( 'de belangrijkste juridische en feitelijke overwegingen [...] waarop zij berust' ).
In dit stadium moet worden aangegeven of het besluit definitief wordt op de wijze van lid 7, lid 8 of lid 9 van artikel 60. Zie punt 227.
Opgemerkt moet worden dat de EDPB in Richtsnoeren 9/2020 inzake relevant en gemotiveerd bezwaar heeft erkend dat het nodig is om een consensus te bereiken over de reikwijdte van het onderzoek in concrete gevallen (zie punt 27): 'Bij procedures naar aanleiding van een klacht of een melding van een inbreuk door een betrokken toezichthoudende autoriteit wordt de reikwijdte van de procedure (d.w.z. de aspecten van de gegevensverwerking die een schending kunnen vormen) bepaald door de inhoud van de klacht of de melding door de betrokken toezichthoudende autoriteit: met andere woorden, door de aspecten die in de klacht of de melding worden vermeld. Bij onderzoeken uit eigen beweging moeten de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten tot een consensus proberen te komen over de reikwijdte van de procedure (d.w.z. de aspecten van de gegevensverwerking die worden onderzocht) voordat de procedure formeel wordt opgestart.'
Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden. In artikel 40 van het reglement van orde wordt bevestigd dat voor 'de berekening van de in de AVG en in dit reglement van orde vermelde termijnen en aanvangs- en vervaltijden [...] Verordening (EEG) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden van toepassing' is.
Deze worden jaarlijks bij besluit van de Commissie geactualiseerd. Zie voor 2021: Besluit van de Commissie van 2 maart 2020 betreffende de lijst van vrije dagen in 2021, 2020/C 69/05 (https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/?uri=CELEX:32020D0303(01)); met uitzondering van de nationale feestdagen in België en Luxemburg.
EDPB, Richtsnoeren 9/2020 inzake relevant en gemotiveerd bezwaar overeenkomstig Verordening 2016/679, te raadplegen op: https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guidelines/guidelines-092020relevant-and-reasoned-objection-under\_nl
Volgens Richtsnoeren 9/2020 inzake relevant en gemotiveerd bezwaar overeenkomstig Verordening 2016/679 van de EDPB wordt een verwijzing naar een ander bezwaar niet geacht te voldoen aan de eis van artikel 4, punt 24. In punt 7 van die richtsnoeren wordt verduidelijkt dat '[...] een betrokken toezichthoudende autoriteit in beginsel uitdrukkelijk elk element van de definitie met betrekking tot elk specifiek bezwaar [moet] vermelden' . Voort is in punt 8 van die richtsnoeren bepaald dat 'de norm 'relevant en gemotiveerd bezwaar' [bijgevolg is] gebaseerd op de veronderstelling dat de leidende toezichthoudende autoriteit heeft voldaan aan haar verplichting om alle relevante informatie uit te wisselen, zodat de betrokken toezichthoudende autoriteit of autoriteiten een diepgaand inzicht hebben in de zaak en bijgevolg een robuust en terdege gemotiveerd bezwaar kunnen indienen' .
Zie punt 17 van EDPB, Richtsnoeren 03/2021 over de toepassing van artikel 65, lid 1, punt a), AVG (Engelstalige versie voor openbare raadpleging).
Zie ook overweging 129, vierde en vijfde zin.
Zie tevens EDPB, Richtsnoeren 03/2021 over de toepassing van artikel 65, lid 1, punt a).
Zie voor nadere informatie: EDPB, Richtsnoeren 9/2020 inzake relevant en gemotiveerd bezwaar, punten 6-8.
Zie deel 5.2.4 hierboven over ' houdt naar behoren rekening '.
Zie de opmerking in overweging 129 met betrekking tot bijvoorbeeld een redelijke termijn voor het behandelen van klachten.
Zie deel 5.2.3 hierboven over artikel 60, lid 3, tweede zin, en het tijdschema van voorlegging.
Zie deel 5.2.2 hierboven alwaar de term 'ontwerpbesluit' wordt gepreciseerd.
Zie tevens punt 159 over informele uitwisselingen voordat een herzien ontwerpbesluit wordt voorgelegd.
Zie deel 6.2.1 hierboven voor de berekening van de termijn.
Zie EDPB, Richtsnoeren 9/2020 inzake relevant en gemotiveerd bezwaar overeenkomstig Verordening 2016/679, punt 7.
In bepaalde bij wet geregelde uitzonderingsgevallen kunnen wijzigingen of intrekkingen nog wel noodzakelijk zijn. Zie punt 207.
Zie punt 114 en punt 192. Zie ook punt 50 van EDPB, Richtsnoeren 03/2021 over de toepassing van artikel 65, lid 1, punt a), AVG (Engelstalige versie voor openbare raadpleging).
Zie voor meer hierover zaak C-6/72, gevoegde zaken T-121/96 en T-151/96, punt 40, en gevoegde zaken C-115 en 116/81, punt 13.
Zie ook punt 55 van EDPB, Richtsnoeren 03/2021 over de toepassing van artikel 65, lid 1, punt a), AVG alsmede artikel 78 en overweging 143 AVG.
Zie tevens deel 5.2.2 over de term 'ontwerpbesluit' voor wat betreft de formele voorschriften hieromtrent.
Zie bijvoorbeeld de velden 'Beschrijving van de zaak waarin wordt samengewerkt' en 'Juridische verwijzing AVG'.
Zie bv. zaak C-617/15, Hummel Holding, punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-14788-2014-REV-1/en/pdf. De bepaling in die (Engelstalige) versie luidt: ' Indien het gezamenlijk overeengekomen besluit betrekking heeft op een klacht en voor zover het een voor de klager bezwarend besluit betreft, in het bijzonder indien de klacht wordt verworpen, afgewezen of slechts ten dele gegrond wordt verklaard, stellen alle toezichthoudende autoriteiten waarbij die klacht is ingediend één enkel besluit over die klacht vast en betekenen dit aan de klager ', blz. 36.
Zie tevens de conclusie van de advocaat-generaal in zaak C-645/19, Facebook. Punt 105 van die conclusie luidt: 'Deze mechanismen waarbij de competentie om besluiten vast te stellen verschuift, en waarbij indien nodig besluiten op twee niveaus kunnen worden vastgesteld (de LTA ten overstaan van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, en de lokale autoriteit ten overstaan van de klager), lijken er specifiek toe te strekken om te voorkomen dat de betrokkenen de rechtszalen van de Europese Unie moeten 'aflopen' om een vordering in te stellen tegen stilzittende toezichthoudende autoriteiten.'
Zie overweging 141: 'het recht om [...] een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen overeenkomstig artikel 47 van het Handvest [...] indien de toezichthoudende autoriteit [...] een klacht gedeeltelijk of geheel verwerpt of afwijst [...]' .
Zie deel 10.4 over het verschil tussen 'meedelen' en 'in kennis stellen'.
Zie deel 10.2. De betekenis van deze begrippen is in beide punten gelijk.
Zie het arrest in zaak T-346/06 R, IMS/Commissie, 2007, Jurispr. blz. II-1781, punten 121 en 123.