Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Case Summary

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/614767 / KG ZA 21/653 Vonnis in kort geding van 23 augustus 2021 in de zaak van [eiser] te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. P.M. Jongeling te Amsterdam, tegen: Stichting Waarborgfonds Motorverkeer te Rijswijk, gedaagde, advocaat mr. M.H. Pluymen te Deventer. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘het Waarborgfonds’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 juli 2021, met producties 1 tot en met 28; - de door gedaagde overgelegde producties, voor zover deze niet buiten beschouwing worden gelaten (zie hierna in randnummer 1.2.); - de op 9 augustus 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Op 6 augustus 2021 heeft de advocaat van [eiser] door middel van een e-mailbericht van 16.06 uur bezwaar gemaakt tegen de indiening van de door de advocaat van het Waarborgfonds aangekondigde producties, die op dat moment nog niet door [eiser] waren ontvangen en ook nog niet aan de voorzieningenrechter waren overgelegd. Op grond van artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie worden stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing gelaten. De stukken van het Waarborgfonds zijn te laat ingediend. Omdat de producties 1 tot en met 10 en 12 algemene informatie bevatten of informatie die bij [eiser] bekend is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] door de te late indiening van die stukken niet in zijn belangen wordt geschaad. Deze stukken worden dan ook aan het dossier toegevoegd. Dit is anders voor wat betreft productie 11, waarvan [eiser] de inhoud niet kent. Productie 11 wordt daarom buiten beschouwing gelaten. 1.3. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Op 29 juni 2020 heeft [eiser] bij het Waarborgfonds melding gemaakt van parkeerschade aan de op dat moment aan hem in eigendom toebehorende auto (merk Maserati) met kenteken [kenteken] , hierna ‘de auto’. [eiser] heeft daarbij – voor zover hier van belang – meegedeeld dat hij de auto op 26 juni 2020 om 23.59 uur heeft geparkeerd in de Faunabuurt in Almere, dat hij in de ochtend van 27 juni 2020 heeft ontdekt dat de auto schade had aan de linker voorhoek, het linker voorscherm, het linker achterportier en het linker achterscherm, bestaande uit krassen en deuken, dat hij een expert van de Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts (hierna ‘het NIVRE’) heeft ingeschakeld om de schadeoorzaak vast te stellen, dat hij op 29 juni 2020 aangifte heeft gedaan bij de politie en dat mevrouw [naam 1] als getuige kan verklaren over de schade aan de auto. 2.2. Op 29 juni 2020 heeft [eiser] aangifte gedaan bij de politie. In het proces-verbaal van aangifte is vermeld dat [eiser] heeft verklaard dat hij de auto op 26 juni 2020 om 23.59 uur onbeschadigd heeft achtergelaten en dat hij op 27 juni 2020 om 6.00 uur heeft geconstateerd dat de auto beschadigd is. 2.3. Bij brief van 30 juni 2020 heeft het Waarborgfonds de ontvangst van de schadeclaim aan [eiser] bevestigd, waarbij zij tevens heeft verzocht om verklaringen van personen die uit eigen waarneming iets kunnen zeggen over het voorval en om een kopie van het politierapport. 2.4. Vervolgens heeft [eiser] telefonisch aan het Waarborgfonds gevraagd of hij de schade aan de auto mocht laten repareren. In een e-mailbericht van 3 juli 2020 heeft het Waarborgfonds het telefoongesprek aan [eiser] bevestigd en meegedeeld dat hij de auto mag laten maken, omdat hij zelf een expert van het NIVRE heeft ingeschakeld die de schadeoorzaak heeft vastgesteld, maar dat dit geen garantie geeft dat het Waarborgfonds tot uitkering zal overgaan. 2.5. In een e-mailbericht van 6 juli 2020 heeft [eiser] voor zover hier van belang het volgende aan het Waarborgfonds meegedeeld: “Ik zie alleen dat er in de aangifte en ook bij uw stukken vermoed ik een dag later is gerekend, het is de nacht van 25 op 26 geweest.” 2.6. Op 19 juli 2020 heeft [eiser] een getuigenverklaring van mevrouw [naam 1] aan het Waarborgfonds toegezonden, waarin zij verklaart dat de schade is veroorzaakt in de nacht van 25 op 26 juni 2020 tussen 23.45 en 6.00 uur en waarin zij bevestigt dat de auto onbeschadigd is geparkeerd en de volgende ochtend beschadigd is aangetroffen. 2.7. Verder heeft [eiser] een op 17 juli 2020 door [naam 2] (hierna ‘ [naam 2] ’) van ‘ [bedrijf] ’ (hierna ‘ [bedrijf] ’) opgestelde rapportage aan het Waarborgfonds toegezonden. In de rapportage is vermeld dat de schadedatum 26 juni 2020 is, dat [eiser] [bedrijf] op zaterdag 27 juni 2020 heeft ingeschakeld en dat [naam 2] op 29 en 30 juni 2020 onderzoek heeft gedaan naar de schade aan de auto. Daarnaast is in het rapport vermeld dat er schade is aangetroffen aan de voorbumper, de linker koplamp, het linker voorscherm, de linker voorvelg/-band, het stuurhuis, het linker middendakdeel, het linker achterportier, de linker dorpelbekleding, het linker achterscherm en de linker achtervelg/-band. De rapportage bevat zeven detailfoto’s van schade aan de auto. [naam 2] komt in het rapport tot de volgende conclusie: “Het aangrijpingspunt waar de schade is ontstaan is de linker voorzijde en heeft zich via het linker voorwiel doorgezet naar de middenstijl/dak en vervolgens naar het linker achterportier en linker achterscherm. Dat het in aanhef omschreven voertuig stilstond op het moment van de aanrijding is door [bedrijf] technisch vastgesteld. De onderbouwing c.q. de vaststelling van het technisch onderzoek zijn de schadesporen op/aan de velgen/banden welke alleen in stilstaande situatie kan/kon ontstaan. Het schadebeeld aan de velgen/banden lopen in rechte lijn met de carrosserieschade. Aan de zijkant van de band, behorende bij het linker achterwiel, is in de genoemde lijn een stuk rubber afgesneden. Met zekerheid kan worden gesteld dat de schade zoals boven en onder is beschreven is veroorzaakt door een motorvoertuig.” [naam 2] heeft de totale schade aan de auto begroot op € 16.957,18, inclusief btw. 2.8. Het Waarborgfonds heeft de ontvangst van de in 2.6. en 2.7. genoemde stukken op 27 augustus 2020 aan [eiser] bevestigd. Daarbij heeft zij nogmaals om toezending van het politierapport verzocht. Hierop heeft [eiser] het proces-verbaal van aangifte bij politie nog dezelfde dag per e-mail aan het Waarborgfonds toegezonden. 2.9. Op 28 augustus 2020 heeft het Waarborgfonds aan [eiser] meegedeeld dat zij zijn claim heeft beoordeeld en dat zij behoefte heeft aan meer informatie omdat (samengevat) gebleken is dat [eiser] de auto heeft geïmporteerd en het Waarborgfonds geen standaard expertiserapport heeft ontvangen. Het Waarborgfonds heeft [eiser] daarom verzocht om het rapport van import toe te sturen en om een aantal aanvullende vragen aan [bedrijf] voor te leggen. 2.10. [naam 2] heeft de aanvullende vragen van het Waarborgfonds op 11 september 2020 als volgt schriftelijk beantwoord: “Vraag: Is uw schadeopstelling gemaakt aan de hand van een Audatex-rapportage? Zo ja, dan ontvangen wij die graag van u. Antwoord: Nee, wel is getracht middels een Fantoom de schadebegroting te controleren. Vraag: Heeft u meer foto’s gemaakt en kunt u die aan ons toesturen? Antwoord: De foto’s zijn aan het rapport toegevoegd. Vraag: Heeft u met een meetlat gewerkt? Zo ja, heeft u daar foto’s van en kunt u die aan ons toesturen? Antwoord: Als u goed naar de foto’s kijkt die in het rapport zijn toegevoegd ziet u geen duimstok geen meetlat en geen rolmaatje. [bedrijf] heeft als technisch expert zijn eigen methoden om een schade vast te stellen en te beoordelen. Daarom bestaat de technisch expert van [bedrijf] al ca 38 jaar. Vraag: Door wat voor motorvoertuig denkt u dat de schade is veroorzaakt? Antwoord: U stelt de vraag goed, het moet een motorvoertuig zijn geweest. Als u een deskundige bent, en deze vraag heeft verzonnen, dan vraag ik mij af wat voor antwoord u verwacht. Nee dus, het kan een motorfiets, motorvoertuig, vrachtauto, bus etc. zijn geweest. Vraag: Hoe heeft u vastgesteld dat de auto stilstond op het moment van het ontstaan van de schade? Kunt u ons daarvan uw bevindingen sturen? Antwoord: Uw vraag staat uitgebreid omschreven in het rapport van [bedrijf] . Vraag: Is alle schade tijdens 1 evenement ontstaan? Antwoord: Uw vraag staat uitgebreid omschreven in het rapport van [bedrijf] . Waargenomen schaden die niet zijn ontstaan door het omschreven object worden door een technisch expert niet in een begroting opgenomen.” 2.11. [eiser] heeft op 14 september 2020 een kopie van de aangifte BPM, het taxatierapport ten behoeve van het bepalen van de BPM van 11 mei 2020 (hierna ‘het taxatierapport’) en de reactie van [naam 2] op de door het Waarborgfonds gestelde aanvullende vragen aan het Waarborgfonds toegestuurd. 2.12. In het taxatierapport is voor zover hier van belang vermeld dat de auto rondom schade heeft, dat de velgen zwaar beschadigd zijn, dat het dak meerdere deuken heeft en dat de auto rondom aan meerdere onderdelen beschadigingen en/of deukjes heeft. De totale schade rondom is daarbij vastgesteld op € 24.634,93 inclusief btw en de waarde van de auto is getaxeerd op € 2.500,--, inclusief de aanwezige schade. 2.13. Vervolgens heeft het Waarborgfonds schade expert Ongevallen Analyse Nederland (hierna ‘OAN’) gevraagd om onderzoek te verrichten naar de toedracht van de schade aan de linkerzijde van de auto. Op 2 november 2020 heeft OAN geprobeerd om [eiser] telefonisch te benaderen. Omdat dit niet lukte heeft zij [eiser] in een WhatsAppbericht verzocht telefonisch contact met OAN op te nemen om een afspraak te maken voor het uitlezen van de auto. Hierop heeft [eiser] dezelfde dag via Whatsapp aan OAN meegedeeld dat dit niet kon omdat hij de auto inmiddels had verkocht. 2.14. In een e-mailbericht van 2 november 2020 heeft het Waarborgfonds aan [eiser] verzocht om gehoor te geven aan het verzoek van OAN om de auto te laten uitlezen. 2.15. In de daarop volgende correspondentie tussen [eiser] en het Waarborgfonds heeft [eiser] zijn ongenoegen over de gang van zaken geuit en heeft hij aan het Waarborgfonds meegedeeld dat de nieuwe eigenaar van de auto hem geen toestemming heeft gegeven om zijn persoonsgegevens aan het Waarborgfonds te verstrekken. 2.16. Op 10 november 2020 heeft OAN [naam 2] verzocht om alle door hem van de schade aan de auto gemaakte foto’s aan haar te verstrekken. [naam 2] heeft hierop aan OAN meegedeeld dat hij deze foto’s niet zonder toestemming van [eiser] kon verstrekken en dat hij [eiser] om toestemming zou vragen. Op 18 november 2020 heeft het Waarborgfonds [eiser] geïnformeerd over het verzoek van OAN aan [naam 2] en op 30 november 2020 heeft het Waarborgfonds [eiser] nogmaals gevraagd om mee te werken aan het onderzoek aan de auto, bijvoorbeeld door de nieuwe eigenaar van de auto te vragen om de auto ter beschikking te stellen, zodat deze kan worden uitgelezen. [eiser] heeft hierop in een e-mailbericht van dezelfde datum aan het Waarborgfonds meegedeeld dat de nieuwe eigenaar zijn gegevens niet aan het Waarborgfonds wil verstrekken. Op 1 december 2020 heeft het Waarborgfonds [eiser] gevraagd of hij aan de nieuwe eigenaar wil vragen of het Waarborgfonds de auto mag uitlezen en of de nieuwe eigenaar daarover contact met OAN of het Waarborgfonds zou willen opnemen. Op 2 december 2020 heeft [eiser] het Waarborgfonds meegedeeld dat de nieuwe eigenaar daar uitdrukkelijk geen toestemming voor geeft en met rust wil worden gelaten. Een poging van het Waarborgfonds om de nieuwe eigenaar zelf te benaderen is mislukt. 2.17. In reactie op een verzoek van [eiser] aan [naam 2] om grotere foto’s van de auto heeft [naam 2] op 27 december 2020 schriftelijk laten weten dat [bedrijf] geen foto’s apart houdt, dat de beschikbare foto’s zijn bijgevoegd bij de rapportage van 17 juli 2020 en dat als het verzoek om grotere foto’s eerder door het Waarborgfonds zou zijn gedaan, [bedrijf] deze wellicht nog had kunnen verstrekken omdat zij deze maximaal vier weken na het aanleveren van de rapportage bewaart. 2.18. Omdat OAN/het Waarborgfonds geen onderzoek aan de auto heeft kunnen doen, is het schadebeeld aan de linkerzijde van de auto op basis van de ter beschikking staande foto’s, die aan de rapportage van [bedrijf] waren aangehecht, geanalyseerd. In een rapport van 3 maart 2021 heeft OAN (samengevat) geconcludeerd dat de schade aan de auto niet is ontstaan doordat een ander motorvoertuig tegen de auto is aangereden, maar door een botsing van de auto met een vast object. OAN heeft de volgende bevindingen aan deze conclusie ten grondslag gelegd: OAN heeft geconstateerd dat de linker voorvelg op vier plaatsen is beschadigd. Omdat de geconstateerde schade met de ronding van de velg meeloopt, komt OAN tot de conclusie dat de schade is ontstaan terwijl er met de auto werd gereden en niet in parkeerstand; de schade aan het linker zijportier en aan het achterzijpaneel is niet ontstaan doordat een ander motorvoertuig tegen de auto is gereden. Er is immers geen lakschade van dit motorvoertuig achtergebleven op de auto, de schade zit te laag om door een ander motorvoertuig te zijn veroorzaakt en ook de schade aan het dak kan niet zijn ontstaan door een aanrijding met een ander motorvoertuig en de contactsporen komen niet overeen met contact met een ander motorvoertuig; het is ongebruikelijk dat bij een aanrijding met een ander motorvoertuig een groot stuk rubber uit een band wordt geslagen; de diepte van de krassen duidt op een botsing met kracht met een stijve/harde botspartner van grove structuur en ook de schade aan de band wijst op een aanrijding met een vast object. 2.19. Op grond van het rapport van OAN heeft het Waarborgfonds geconcludeerd dat [eiser] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met als doel het Waarborgfonds te bewegen aan hem een schadevergoeding toe te kennen waarop hij geen recht heeft, dat hij frauduleus heeft gehandeld en het Waarborgfonds opzettelijk heeft misleid. Het Waarborgfonds heeft dit standpunt op 7 mei 2021 schriftelijk aan [eiser] kenbaar gemaakt. Daarbij is de door [eiser] geclaimde schade aan de auto afgewezen en is aan [eiser] meegedeeld dat zijn persoonsgegevens voor een periode van drie jaar worden opgenomen in het incidentenregister en in het Extern Verwijzingsregister (EVR) en dat het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude (CBV) van de registraties op de hoogte zal worden gebracht. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – het Waarborgfonds te gebieden om de opnames in het incidentenregister en het verwijzingsregister binnen twee dagen ongedaan te maken en om de melding bij het CBV (toevoeging voorzieningenrechter: bedoeld is het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit) binnen twee dagen in te trekken, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van het Waarborgfonds in de proceskosten en de nakosten. 3.2. Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Omdat [eiser] in juni 2020 schade aan zijn auto heeft geconstateerd die is veroorzaakt door een onbekende derde, heeft hij zich tot het Waarborgfonds gewend om zijn schade vergoed te krijgen. Het Waarborgfonds heeft de schadeclaim echter afgewezen omdat [eiser] het Waarborgfonds zou hebben misleid en frauduleus zou hebben gehandeld. Het Waarborgfonds geeft daarvoor als reden dat [eiser] onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar de schade, dat de koper van de auto evenmin aan een onderzoek aan de auto heeft willen meewerken en dat [naam 2] geen originele foto’s heeft verstrekt en een andere mening is toegedaan dan OAN. [eiser] heeft echter steeds meegewerkt aan het onderzoek en de overige door het Waarborgfonds genoemde redenen maken [eiser] geen fraudeur. Het Waarborgfonds heeft dan ook ten onrechte de conclusie getrokken dat het handelen van [eiser] frauduleus is. Als gevolg van die conclusie zijn de persoonsgegevens van [eiser] opgenomen in het incidentenregister en in het extern verwijzingsregister, waardoor [eiser] op dit moment wordt beperkt in zijn mogelijkheden om zaken te doen. Hij kan geen verzekeringen meer afsluiten en kan de benodigde financiering voor een door hem aangekochte kerk niet rond krijgen. [eiser] heeft daarom belang bij de door hem gevraagde voorziening. 3.3. Het Waarborgfonds voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Tussen partijen is in geschil of het Waarborgfonds de persoonsgegevens van [eiser] op goede gronden in het Incidentenregister en in het EVR heeft opgenomen. 4.2. Ten tijde van de registratie van de persoonsgegevens van [eiser] door het Waarborgfonds was het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013 (hierna ‘het Protocol’) van toepassing. In het Protocol wordt onder incident verstaan “een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding”. 4.3. Verder is in het Protocol (samengevat en toegespitst op de onderhavige zaak) bepaald dat een Deelnemer, in dit geval het Waarborgfonds, een Incidentenregister heeft, waarin gegevens van personen worden vastgelegd naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) incident en dat aan dit Incidentenregister een EVR is gekoppeld. De criteria voor opname van persoonsgegevens in het EVR luiden, samengevat weergegeven, dat (a) sprake is van gedragingen die een bedreiging (kunnen) vormen voor de (financiële) belangen van (cliënten en/of medewerkers van) een financiële instelling of voor de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector; dat (b) in voldoende mate vast staat dat de betreffende persoon betrokken is bij die gedragingen, waarbij die vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar en dat (c) is onderzocht of de externe registratie door de bijzondere omstandigheden van het concrete geval onevenredig hard zou zijn (proportionaliteitstoets). 4.4. Voor de opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het (interne) incidentenregister is, anders dan [eiser] kennelijk meent, niet nodig dat door het Waarborgfonds is vastgesteld dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude, maar is voldoende dat sprake is van een incident. Het Waarborgfonds heeft naar oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de gang van zaken rondom de melding van de schade aan de auto door [eiser] moet worden aangemerkt als een incident. Het Waarborgfonds heeft immers onder meer aangevoerd: dat [eiser] op 6 juli 2020 plotseling zijn standpunt heeft gewijzigd met betrekking tot de datum waarop de schade aan de auto is ontstaan (zie hiervoor in 2.5.); dat het ongebruikelijk is dat in het weekend een expert van het NIVRE wordt benaderd ter vaststelling van de schade; dat [eiser] heeft nagelaten te vermelden dat de auto bij import al forse schade had; dat gebleken is dat [eiser] de auto heeft verkocht aan de heer [naam 3] , die een goede bekende van hem is en die bij een eerdere door [eiser] bij het Waarborgfonds ingediende en toegewezen claim van vergelijkbare parkeerschade aan een andere geïmporteerde auto een getuigenverklaring voor hem heeft afgelegd; dat [eiser] heeft geweigerd om de naam van de koper van de auto aan het Waarborgfonds kenbaar te maken en dat hij ook overigens onvoldoende heeft gedaan om te bewerkstelligen dat de auto door het Waarborgfonds kon worden uitgelezen; dat [naam 2] de foto’s van de schade aan de auto niet heeft bewaard, terwijl hem al op 1 september 2020 was gevraagd om die foto’s aan het Waarborgfonds toe te sturen; dat de rapportage van [bedrijf] op diverse onderdelen gemotiveerd door OAN wordt weerlegd en dat het Waarborgfonds er daarom van uit gaat dat de schade, anders dan [eiser] heeft gesteld, niet is ontstaan doordat er een ander motorvoertuig tegen de auto is gereden. De voorzieningenrechter acht het op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet onbegrijpelijk dat bij het Waarborgfonds twijfel is ontstaan met betrekking tot de door [eiser] ingediende schadeclaim en dat zij deze heeft aangemerkt als een incident in de zin van het Protocol. Het Waarborgfonds heeft dan ook op goede gronden kunnen overgaan tot opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het incidentenregister. Het gevorderde gebod tot het ongedaan maken van die opname wordt daarom afgewezen. 4.5. Een en ander betekent echter niet dat daarmee zonder meer is voldaan aan de hiervoor in 4.3. vermelde zware vereisten voor opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het EVR. Omdat vermelding van persoonsgegevens in het EVR verstrekkende gevolgen kan hebben voor de betrokkene, zoals weigering van verzekeraars of financiële instellingen om hun diensten aan de betrokkene te verlenen, mag immers niet lichtvaardig worden overgegaan tot een dergelijke vermelding. De hiervoor in 4.4. omschreven twijfel is naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende ter rechtvaardiging van het oordeel dat in voldoende mate vast staat dat [eiser] bij fraude betrokken is. Dat de koper van de auto naar zeggen van [eiser] niet aan een onderzoek aan de auto heeft willen meewerken en dat [naam 2] geen originele foto’s heeft verstrekt en tot een andere conclusie is gekomen dan OAN, maakt dit niet anders. Of en zo ja in hoeverre [eiser] ter zake een negatieve rol heeft gespeeld, dan wel of die omstandigheden anderszins aan [eiser] kunnen worden toegerekend, kan in dit kort geding niet worden beoordeeld. Daarvoor is nader onderzoek en/of bewijslevering nodig, waarvoor in kort geding geen plaats is. Daar komt nog bij dat niet gebleken is dat het Waarborgfonds aangifte heeft gedaan van frauduleus handelen door [eiser] . Het voorgaande betekent dat het Waarborgfonds naar het oordeel van de voorzieningenrechter momenteel onvoldoende gronden heeft om te kunnen overgaan tot opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het EVR. Zij is dan ook gehouden die opname ongedaan te maken. Nu het Waarborgfonds ter zitting voldoende heeft toegelicht dat het ongedaan maken van de registratie in het EVR automatisch tot gevolg heeft dat de daaraan gekoppelde melding bij het CBV wordt ingetrokken, valt niet in te zien welk belang [eiser] heeft bij een afzonderlijk gebod tot het intrekken van die melding. De vordering wordt daarom toegewezen op de hierna in het dictum vermelde wijze. 4.6. Anders dan [eiser] ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding dit gebod te versterken met een dwangsom. Het Waarborgfonds heeft immers tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk verklaard dat zij aan een opgelegd bevel tot verwijdering van de registratie gehoor zal geven. 4.7. In de omstandigheid dat beide partijen gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. gebiedt het Waarborgfonds de opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het Extern Verwijzingsregister binnen twee dagen na de datum van dit vonnis ongedaan te maken; 5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2021. mvt