Het gaat in deze zaak om de gegevensverwerking in het kader van het onderzoek dat werd ingesteld naar aanleiding van de...
Rechtbank
Case Summary
Het gaat in deze zaak om de gegevensverwerking in het kader van het onderzoek dat werd ingesteld naar aanleiding van de meldingen van ongewenst gedrag van voormalig Kamervoorzitter Arib. Hierover werden op 5 februari twee zaken gepubliceerd. Een verzoekschriftprocedure inzake de rechten van betrokkene (deze), en een dagvaardingsprocedure inzake de rechtmatigheid van het instellen van het onderzoek (hierna kort besproken). In deze zaak kwam ook de rechtmatigheid van de verwerking aan de orde, maar ging het met name om de uitoefening van de rechten van de betrokkene. Arib beriep zich op haar recht op inzage, wissing, beperking en bezwaar. In alle gevallen ving Arib bot. Het eerste probleem voor haar was dat ze had nagelaten eerst de verwerkingsverantwoordelijke Hoffmann (het onderzoeksbureau) te vragen om gevolg te geven aan haar rechten als betrokkene, terwijl dit een noodzakelijke voorwaarde voor de start van de procedure is, volgens art. 35(1) UAVG (r.o. 6.5). Het verzoek tot wissing (art. 17 AVG) is bij zowel het Presidium en de Griffie als het onderzoeksbureau niet gedaan, en strandt daarmee dus ook al (r.o. 6.10). Vervolgens kwam de vraag aan bod of het Presidium, de Griffier én het onderzoeksbureau gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke zijn. Ja, concludeert de rechtbank, en geeft een systematische onderbouwing in r.o. 7.9-7.14. Ook in deze zaak komt de rechtmatigheid van de verwerking aan de orde. De rechtbank overweegt dat de juiste grondslag hier niet wettelijke verplichting (c-grond) was, maar het gerechtvaardigd belang om als goed werkgever te handelen (f-grond) zoals voortvloeit uit onder meer