Artikel
Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie en voor doxing van twee politieambtenaren. Gedeeltelijk ontslag van alle rechtsvervolging omdat doxing ten tijde van plegen nog niet strafbaar was.
How it connects
Related across sources
Full text 23 paragraphs
Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. 359a Sv-verweer De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er bij het binnentreden en aantreffen van de wapens geen vormen zijn verzuimd. De verdachte is wegens eerdere veroordelingen voor de Wet Wapens en Munitie aangehouden door de Ondersteuningsgroep van de politie. Volgens protocol hebben zij de gehele woning veiliggesteld. Zij zijn bevoegd daarbij afgesloten deuren te openen. Na het forceren van de slaapkamerdeur zagen zij direct enkele wapens open en bloot in het zicht liggen in de slaapkamerkast, waarna een machtiging tot doorzoeking op grond van de Wet Wapens en Munitie is afgegeven.
Het standpunt van de verdediging 359a Sv-verweer De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van feit 1 en feit
Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 en feit 2 359a Sv-verweer Op 14 augustus 2024 is de politie de woning van de verdachte aan de [adresgegevens verdachte] binnengetreden ter aanhouding van de verdachte. De hulpofficier van justitie heeft daartoe op 12 augustus 2024 een machtiging tot binnentreden afgegeven. Uit het dossier blijkt tevens dat de verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie, waaronder een veroordeling voor vuurwapenbezit. Gelet hierop kon de aanhouding in redelijkheid als risicovol worden aangemerkt, waarbij naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar voor personen aanwezig was. De officier van justitie heeft daarop beslist dat voor het binnentreden ter fine van aanhouding de Ondersteuningsgroep Limburg zou worden ingezet. Bij het veiligstellen van de woning werd door de Ondersteuningsgroep – conform protocol – een slaapkamerdeur geforceerd. De schuifdeur van een kledingkast in deze slaapkamer stond open, en twee jachtwapens lagen open en bloot in het zicht. Pas na het aantreffen van deze - op het eerste gezicht strafbare - wapens werd een machtiging tot binnentreden afgegeven, waarna op basis van artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie de woning is doorzocht. Daarbij werden onder meer de tenlastegelegde wapens en munitie aangetroffen. Dit alles brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat geen vormen zijn verzuimd in de zin van artikel 359a Sv. Er bestaat derhalve geen aanleiding om de resultaten van de doorzoeking uit te sluiten van het bewijs. Bewijsmiddelen feit 1 en feit
Wet Wapens en Munitie. De verdachte heeft ter terechtzitting als volgt verklaard : Ik heb de pistolen in Duitsland gekocht. Ik heb er drie gekocht om er samen met vrienden op oudejaarsavond vuurwerk mee af te schieten. U, voorzitter, houdt mij voor dat er behoorlijk wat munitie is aangetroffen. Ik wist dat ik de munitie niet mocht hebben. Het is niet slim om die in huis te hebben, maar het is wel gebeurd. Alles lag boven in de kast op de eerste verdieping. Bewijsoverweging feit 1 en feit
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van wapens en munitie vereist is dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid hiervan. De bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie ervan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat als algemene ervaringsregel heeft te gelden dat een bewoner van een huis zich bewust moet zijn van hetgeen zich in zijn huis bevindt. Daarnaast is vereist dat het wapen en de munitie zich in de machtssfeer van de verdachte bevond. Daarvoor is het niet noodzakelijk dat deze zich in de directe nabijheid van de verdachte bevinden. Ten tijde van de inval stond de verdachte als enige ingeschreven op het adres [adresgegevens verdachte] . De verdachte was in de woning aanwezig toen de politie binnentrad, en de wapens en munitie zijn deels aangetroffen in een afgesloten kamer op de eerste verdieping. De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de wapens heeft gekocht in Duitsland en dat hij wist dat hij de munitie niet mocht hebben. Ten aanzien van de patroonmagazijnen overweegt de rechtbank dat deze zijn aangetroffen in dezelfde ruimte als de overige wapens en munitie. Niet is aannemelijk gemaakt of geworden dat iemand anders buiten verdachtes weten de patroonmagazijnen in de slaapkamer heeft neergelegd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte wist van hun aanwezigheid. Zij bevonden zich bovendien in zijn machtssfeer. Daarmee is voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor feit 1 en 2 in al hun onderdelen. Ten aanzien van feit
Bewijsmiddelen Aangever [slachtoffer 4] heeft als volgt verklaard : Ik ben als wijkagent voor de gemeente Bergen werkzaam. Door meerdere mensen, zowel privé als zakelijk, werd ik erop geattendeerd dat [verdachte] , een inwoner van het dorp [plaats] , waar ik als wijkagent voor verantwoordelijk ben, twee berichten over mij op zijn Facebookpagina had geplaatst. Ik zag dat het eerste bericht geplaatst was op 7 juli 2024. Ik zag dat de letterlijke tekst van dit bericht was: “Nogmaals de vraag? Mag deze agente moedwillig op deze manier met mijn spullen omgaan en mijn ruiten beschadigen??? Delen wordt gewaardeerd. Maak haar beroemd..!!” Ik zag dat bij het bericht een video was geplaatst. Ik zag en herkende op deze video mijzelf, samen met enkele collega's, terwijl wij bezig waren met een doorzoeking in de woning van [verdachte] . Ik zag dat ik duidelijk herkenbaar in beeld was. Deze beelden zijn door [verdachte] al eens eerder geplaats, op 5 oktober 2023, met eenzelfde tekst erbij. Ik zag dat het tweede bericht geplaatst was op 9 juli 2024. Ik zag dat de letterlijke tekst van dit bericht was: “Wie hem het beste afmaakt krijgt een lekkere flesje drank..!! Kijk me dan staan. Ik ben zo stoer. Heel m'n dorp moet me niet. Ik heb geen.... een.... bij.... Uiteraard word delen gewaardeerd en mag iedereen mee doen..!!!!” Ik zag dat onder dit bericht een foto was geplaatst waarop ik in uniform bij de ingang van een feesttent sta. Ik zag dat mijn gezicht met groene kleur is weggewerkt, waardoor mijn gezicht niet zichtbaar is. Ik herken mijzelf op deze foto aan mijn houding, armen en vorm van mijn lichaam. Mensen die mij kennen zullen mij ook op deze foto herkennen, ook al is mijn gezicht niet zichtbaar. Meerdere mensen in mijn omgeving herkennen mij ook op deze foto. Ik zag dat [verdachte] op 1 juli 2024 zijn profielfoto van zijn Facebookpagina had gewijzigd. Ik zag dat zijn profielfoto nu een foto van een meisje met rood haar en sproeten was, met daarop de tekst: “Gingers do have souls A freckle for every soul they steal.” Vertaald vanuit het Engels naar het Nederlands betekent dit: “Gingers hebben zielen. Een sproet voor elke ziel die ze stelen.” ‘Ginger’ is een synoniem voor mensen met rood haar. Ik merk hierbij op dat ik rood haar en sproeten heb. Eerder gebruikte [verdachte] een foto van zichzelf als profielfoto. Ik zag verder dat [verdachte] de profielnaam van zijn Facebookpagina had veranderd van [verdachte] naar [verdachte] [slachtoffer 4] . Deze achternaam komt overeen met mijn achternaam. Deze berichten hebben alleen maar tot doel om op te ruien tot het plegen van enig strafbaar feit, namelijk het beledigen van mij. Door deze berichten worden mijn eer en goede naam aangerand. Ik word door het publiek aangesproken op deze berichten. Verder werd ik in mijn privé tijd er ook mee geconfronteerd. Ik ben meerdere malen door mensen uit mijn privé omgeving aangesproken over de berichten van [verdachte] . Ik ervaar hier hinder en overlast van in mijn privé en werksfeer. Aangever [slachtoffer 1] heeft als volgt verklaard : Ik werd door een collega geattendeerd op een Facebookpagina waar onder andere een foto van mij en mijn collega is geplaatst. Ik ben herkenbaar in beeld, in politie-uniform, waarbij opgeroepen wordt mijn naam te achterhalen. Het bericht werd op 9 juni 2023 geplaatst op Facebook, door een persoon die zich [verdachte] [slachtoffer 4] noemt. Een passage in de tekst naast de foto luidt: “Zal hun ook even lastig vallen zoals ze mij lastig vallen en bekend maken..!!!! als iemand hun namen weet heb ik ze graag aub want die wouden ze niet geven..!!!!” Door het trachten te achterhalen van mijn persoonsgegevens, wordt het persoonlijk gemaakt. Nu ik deze oproep tot achterhalen van mijn gegevens heb gezien, merk ik dat dit me onrustig maakt. Ik wens door de uitvoering van mijn werk, geen privé last te ervaren. Aangever [slachtoffer 3] heeft als volgt verklaard : Ik werd erop geattendeerd dat [verdachte] berichten over mij op zijn Facebookpagina had geplaatst. Het bericht is geplaatst op 9 juni 2023 . Ik zag dat bij het bericht foto's waren geplaatst. Ik zag en herkende op deze foto mijzelf. Door deze berichten worden mijn eer en goede naam aangetast. Door [verdachte] wordt in het bericht aangegeven dat hij mij zal lastigvallen en bekend wil gaan maken. Het politieteam in Gennep is een klein team en ik ervaar hier hinder en overlast van in de werksfeer. Deze ongefundeerde berichten raken mij persoonlijk en in de werksfeer ook mijn netwerkpartners. Ik merk ook dat dit wat doet met het veiligheidsgevoel. Dat ook netwerkpartners en collega's mij hierover aanspreken zorgt voor hinder en verstoring van mijn werkzaamheden. Aangever [slachtoffer 2] heeft als volgt verklaard : [verdachte] verspreidde beelden van mij met het oogmerk mij ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen of mij in de uitoefening van mijn ambt of beroep ernstig te hinderen dan wel ernstig te laten hinderen. Ik zag dat mijn collega het Facebook-bericht dat [verdachte] postte toonde en ik zag dat het bericht dat [verdachte] postte op woensdag 5 juni 2024 werd gepost. De beelden waar ik op stond die op het openbare Facebook-account van [verdachte] stonden, waren opgenomen vanuit een van de beveiligingscamera's bij de voordeur van [verdachte] . Het betroffen twee beelden, van zowel mijn bezoek in burger als in uniform. Het bericht dat [verdachte] op woensdag 5 juni 2024 postte luidde als volgt: ‘Zoek de verschillen?? Glasvezel/politie Zn rooie oortjes zijn hetzelfde. Delen is lief.’ De verdachte heeft ter terechtzitting als volgt verklaard : Het klopt dat ik op 7 juli 2024 een bericht over [slachtoffer 4] op Facebook heb geplaatst. Ze heeft me die dag aangehouden en lastiggevallen. Ik was boos en heb dat uit onmacht geplaatst. Op 9 juli 2024 heb ik een tekst met foto geplaatst. Ik was zo boos en verdrietig dat ik dat op Facebook had gezet, dat was dom. Achteraf realiseer ik me dat het vervelend is. Ik heb de berichten geplaatst zodat ik met rust gelaten word. Ik heb 9 juni 2023 een bericht met een filmpje geplaatst waarop twee politieambtenaren te zien waren. Ik wilde aangifte tegen ze doen, dus ik heb bij het filmpje gevraagd of iemand de naam van de agenten wist. Ik kan me achteraf voorstellen dat zij hierdoor hinder en overlast hebben ervaren. Bewijsoverweging De rechtbank overweegt als volgt. ‘Doxing’ is sinds 1 januari 2024 strafbaar gesteld in artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Met de strafbaarstelling van ‘doxing’ wordt de norm gesteld dat het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander voor intimiderende doeleinden, zoals vrees aan (laten) jagen en/of ernstige overlast aan (laten) doen, onacceptabel is en daarom is het onder de reikwijdte van het Wetboek van Strafrecht gebracht. Het doel van de strafbaarstelling is de persoonlijke vrijheid van (potentiële) slachtoffers beschermen. Voor strafbaarheid van doxing is vereist dat degene die zich de persoonlijke gegevens verschaft, deze verspreidt of anderszins ter beschikking stelt (hierna samen aan te duiden als: verspreiden). Dat zijn gedragingen die opzet impliceren. Het verspreiden moet zijn gedaan met het oogmerk om een ander vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of ernstig te hinderen in zijn beroepsuitoefening. Aan het oogmerkvereiste, wat de zwaarste opzetvorm is, is voldaan als de verdachte op het moment van die gedraging die bedoeling heeft dan wel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat het noodzakelijke gevolg van zijn handeling is, dat het slachtoffer vrees zal worden aangejaagd, ernstige overlast zal worden aangedaan of in de uitoefening van zijn ambt of beroep zal worden gehinderd. Op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in een periode van ruim één jaar op meerdere tijdstippen persoonsgegevens en foto’s en video’s van meerdere politieambtenaren heeft gedeeld op zijn (deels) openbare Facebookprofiel, voorzien van begeleidende berichten. In deze berichten staan nare teksten over hen geschreven, worden gegevens vermeld die naar hen herleidbaar zijn en wordt opgeroepen tot het delen van het bericht en/of de persoonsgegevens. De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de gebruiker was van het betreffende Facebookprofiel. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de berichten heeft geplaatst omdat hij boos en wanhopig was en hij rust wilde. Het kan niet anders zijn dan dat de verdachte bij het plaatsen van de berichten heeft beseft dat zijn handelen de betrokkenen vrees zou aanjagen, ernstige overlast zou veroorzaken of in de uitoefening van hun ambt ernstig zou hinderen. Daarmee is voldaan aan het oogmerkvereiste.
De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte T.a.v. feit 1: op 14 augustus 2024 in de gemeente Bergen (L) wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer vuurwapens: - een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 1 en 2), - een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 3 t/m 6), - een schietbeker (zijnde een loop) voor een gaspistool met inscriptie PTB 1064 (foto 3 en 6), - een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 7 t/m 10), - een schietbeker (zijnde een loop) voor een gaspistool met inscriptie PTB 1064 (foto 10), - een patroonmagazijn, merk Zoraki (foto nr. 17) - 2 patroonmagazijnen geschikt voor kalibers 5.56X45 millimeter Navo en .223 (foto 23), - een patroonmagazijn geschikt voor kalibers 5.56X45 millimeter Navo en .223 (foto 24), telkens zijnde (onderdelen van) vuurwapens in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad; T.a.v. feit 2: op 14 augustus 2024 in de gemeente Bergen (L) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer patronen: - 14 hagelpatronen in het kaliber
Ga (foto 16), - 50 kogelpatronen in het kaliber .32 (foto 18), - 6 kogelpatronen in het kaliber .38-40 (foto’s 19 en 20), - 4 hagelpatronen in het kaliber
Ga (foto 33), voorhanden heeft gehad; T.a.v. feit 3 primair: op tijdstippen in de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 juli 2024 in de gemeente Bergen (L) persoonsgegevens van een ander, te weten namen, foto’s en video’s van een ander, te weten - [slachtoffer 4] , - [slachtoffer 1] , - [slachtoffer 3] en - [slachtoffer 2] heeft verspreid en/of ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , - vrees aan te (laten) jagen - ernstige overlast aan te (laten) doen en - in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen, terwijl dit feit werd gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van de verdachte Afwezigheid van alle schuld (AVAS) De raadsvrouw heeft bepleit om de verdachte ten aanzien van de drie gaspistolen te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS). De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling was dat hij (niet strafbare) alarmpistolen had gekocht. De verdachte heeft de wapens legaal in Duitsland gekocht. Hij wist niet dat zij in Nederland strafbaar waren en ontkent dat met deze wapens gaspatronen verschoten konden worden. Daarnaast verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat deze wapens reeds bij een eerdere doorzoeking in beslag waren genomen en aan hem waren teruggegeven. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op AVAS slechts kan slagen als iemand daadwerkelijk niet weet dat hij strafbaar handelt. Op het moment dat de verdachte de wapens in Duitsland kocht, lag het op zijn weg om te onderzoeken of hij deze ook in Nederland voorhanden mocht hebben. De verdachte was zich volledig bewust van de aanwezigheid van de wapens en had kunnen weten dat het in Nederland strafbaar wapenbezit betreft. De rechtbank overweegt dat voor het slagen van een beroep op AVAS wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit daadwerkelijk in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was. Naar het oordeel van de rechtbank komt verdachte geen beroep op verontschuldigbare dwaling toe. De Wet Wapens en Munitie strekt tot het bevorderen van de veiligheid in de samenleving door strafbaarstelling van het bezit van vuurwapens. Degene die desondanks toch een vuurwapen wenst te bezitten, zal de nodige voorzichtigheid dienen te betrachten omtrent de geoorloofdheid van dit bezit. Nu uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte omtrent de strafbaarheid van het aanwezig hebben van deze voorwerpen inlichtingen en/of advies heeft ingewonnen van enige op het terrein van vuurwapens gezaghebbende bron, zoals de politie, kan hij zich niet beroepen op verontschuldigbare dwaling toe ten aanzien van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Dat hij de wapens in Duitsland heeft gekocht en dat ze daar wel zijn toegestaan, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om hem van de op hem rustende onderzoeksplicht te ontslaan. Bovendien had de verdachte, gelet op zijn eerdere veroordelingen ten aanzien van de Wet Wapens en Munitie, beter moeten weten. Verdachtes verklaring dat met de wapens geen gaspatronen konden worden afgeschoten, wordt weerlegd door de bevindingen van de wapenexperts. De verdachte komt gelet op het voorgaande geen beroep toe op afwezigheid van alle schuld. De verdachte is strafbaar aangezien ook anderszins geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De straf en/of de maatregel
De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging 359a verweren: het verweer strekkende tot strafvermindering De raadsvrouw heeft ten aanzien van de binnentreding ter fine van aanhouding aangevoerd dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert dat (subsidiair) met toepassing van artikel 359a Sv tot strafvermindering moet leiden. De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat bij de aanhouding van de verdachte excessief politiegeweld is toegepast, waardoor de verdachte aanzienlijk letsel heeft opgelopen. Buitensporig politiegeweld levert een schending op van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit vormverzuim dient eveneens tot strafvermindering te leiden. Inhoudelijk strafmaatverweer De raadsvrouw heeft bepleit om bij een strafoplegging verder rekening te houden met de duur van het voorarrest en met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank 359a verweer: Het verweer strekkende tot strafvermindering De rechtbank heeft hierboven (onder 3.4) reeds uiteengezet dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot aanhouding van de verdachte door de Ondersteuningsgroep van de politie, en dat het binnentreden in dat kader (een ‘versnelde instap’) niet onrechtmatig is geweest. De Ondersteuningsgroep heeft bij de aanhouding van de verdachte conform protocol gehandeld en de veiligheid voorop gesteld. Ofschoon de rechtbank niet uitsluit dat de verdachte daarbij hardhandig is aangepakt, zoals hij heeft verklaard, is niet gebleken dat de verdachte daarbij zodanig letsel heeft opgelopen dat artikel 3 van het EVRM hierdoor zou zijn geschonden. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen vormen verzuimd in de zin van artikel 359a Sv waarmee de rechtbank rekening moet houden bij het bepalen van de op te leggen straf. Ernst van de feiten Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft in zijn woning meerdere wapens en ongeveer 1000 patronen voorhanden gehad. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doxing van twee ambtenaren van politie. Het illegaal voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie zijn ernstige delicten waartegen streng wordt opgetreden, mede gelet op het gevaar en de dreiging die van dergelijke wapens uitgaan en het steeds verder toenemende bezit en gebruik daarvan in de burgermaatschappij. Het voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen brengt een volstrekt onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen in de samenleving met zich mee. De rechtbank heeft oog voor de maatschappelijke problematiek die de laatste jaren op het gebied van vuurwapengebruik speelt. Tegen die achtergrond dient het onbevoegd bezit van vuurwapens en munitie krachtig te worden bestreden. Daarnaast heeft de verdachte de integriteit van meerdere politieambtenaren aangetast door het delen van foto’s en/of video’s waarop zij herkenbaar in beeld zijn, vergezeld van belastende teksten. Uit de schriftelijke toelichting van [slachtoffer 2] blijkt dat hij zich in zijn werk gehinderd voelt door het handelen van de verdachte. Hij maakt zich regelmatig zorgen over de gevolgen en is alerter dan voorheen. De impact van het handelen van de verdachte op [slachtoffer 4] is nog groter. Uit haar schriftelijke verklaring blijkt dat de aanhoudende ongefundeerde beledigingen van de verdachte haar privéleven enorm raken. Het veiligheidsgevoel van haar en haar familie is aangetast en er heersen gevoelens van angst en onveiligheid in haar gezin. Dat de verdachte zijn profielnaam op Facebook in ‘ [slachtoffer 4] ’ heeft veranderd, heeft zij als een grote inbreuk op haar privacy ervaren. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld met de kennelijke bedoeling om de betrokkenen te schaden, en zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Persoon van de verdachte Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor smaad, belediging en mishandeling van een politieambtenaar. Hij liep ter zake van deze feiten nog in een proeftijd. De verdachte is ook eerder veroordeeld voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Daarnaast is op basis van de stukken in het dossier gebleken dat de verdachte niet heeft willen meewerken aan een consult van een psycholoog. Ook aan de reclassering heeft de verdachte te kennen gegeven niet mee te willen werken aan enig contact. De rechtbank heeft door deze weigering van contact met instanties slechts beperkt zicht gekregen op de persoon van de verdachte. Ofschoon bij de verdachte geen psychische problematiek is vastgesteld, heeft de verdachte wel zorgelijk gedrag laten zien. De rechtbank wijst in het bijzonder op de verontrustende berichten in de telefoon van de verdachte, de jerrycansmet brandbare vloeistof die zijn aangetroffen in de woning van de verdachte en de stelligheid waarmee de verdachte verklaart over zijn beleving van gebeurtenissen die geen steun vindt in het dossier. Conclusie Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur hiervan de heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, aanleiding om naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De verdachte lijkt wrok te koesteren jegens de politie en stelt zich wantrouwend op naar instanties. De goederen die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen, in samenhang met de verontrustende berichten in zijn telefoon, maken dat de rechtbank zich zorgen maakt over de veiligheid van personen en meer in het bijzonder politiemensen. Een fors voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte te weerhouden van verdere strafbare feiten. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel
Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.
De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen van de benadeelde partijen De volgende slachtoffers hebben zich in de strafzaken gevoegd als benadeelde partij en verzocht om schadevergoeding: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] vorderen ten aanzien van feit 3 ieder afzonderlijk een bedrag van € 569,00, bestaande uit immateriële schade. [slachtoffer 4] vordert ten aanzien van feit 3 een bedrag van € 1.350,00, bestaande uit € 449,00 aan materiële schade en € 901,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen hebben tevens verzocht om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van [slachtoffer 2] . Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] vraagt de officier van justitie toewijzing van de immateriële schade en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde in de vordering van de materiële kosten. De officier van justitie vordert over de toe te wijzen bedragen, vermeerderd met de wettelijke renten, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Gelet op het ontbreken van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] is de officier van justitie van oordeel dat zij in hun vorderingen niet kunnen worden ontvangen.
Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich volledig aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 3. bewezenverklaarde strafbare feit schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de vordering gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 2] in zijn goede naam en eer is aangetast en dat hij door toedoen van de verdachte hinder heeft ondervonden. Het betreft één bericht, dat beperkt bekeken is. De rechtbank schat de schade die de benadeelde hierdoor heeft geleden, in redelijkheid op € 250,00 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 5 juni 2024. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het meer gevorderde afwijzen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van het onder 3. bewezenverklaarde strafbare feit schade heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is de gevorderde immateriële schade volledig voor toewijzing vatbaar. De verdachte heeft herhaaldelijk acties gericht tegen [slachtoffer 4] en heeft obsessief en onberekenbaar gehandeld. De rechtbank acht derhalve het gevorderde bedrag van € 901,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 9 juli 2024, voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade, namelijk het camerasysteem, is de rechtbank van oordeel dat ook deze kosten voor toewijzing in aanmerking komen. Op grond van de bewijsmiddelen is immers komen vast te staan dat de verdachte obsessief en gericht meerdere acties tegen de benadeelde partij heeft ondernomen, waaruit volgt dat de verdachte op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De benadeelde heeft onderbouwd naar voren gebracht dat haar veiligheidsgevoel in hoge mate is aangetast. De verdachte weet bovendien waar zij woont. Om die reden staat de aanschaf van een camerasysteem naar het oordeel van de rechtbank in zodanig verband tot het bewezen verklaarde feit dat deze schadepost aan de verdachte als een gevolg hiervan kan worden toegerekend. De rechtbank acht derhalve het gevorderde bedrag van € 449,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf de aanschafdatum, 30 augustus 2024, voor toewijzing vatbaar. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] Hoewel de rechtbank van oordeel is dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde feit (feit 3) schade hebben geleden, zal de rechtbank de benadeelden in hun vordering niet-ontvankelijk verklaren. Doxing is in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld per 1 januari 2024. De verdachte heeft het feit jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] op 9 juni 2023 begaan, derhalve op een tijdstip waarop het feit niet strafbaar was. De rechtbank ziet ten aanzien van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
De vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van 5 juli 2022 van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 76 dagen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Nu is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf op zijn plaats is. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelasten.
Het beslag De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen wapens en munitie zullen worden onttrokken aan het verkeer, nu deze aan de verdachte toebehoren en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De inbeslaggenomen nabootsing van de handgranaat (G1730152) zal worden geretourneerd aan de verdachte nu met dit voorwerp geen strafbaar feit is gepleegd en het bezit daarvan niet strafbaar is gesteld.
De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57 en 285d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.