Skip to content
Case Law
NL

Misbruik identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens.

Rechtbank

Rechtbank

Case Summary

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/268103-20 en 81/153730-21 (gev. ttz) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 27 maart 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1973] te [geboorteplaats] (Turkije), wonende aan [adres] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 februari 2025 (inhoudelijk), 11 februari 2025 (inhoudelijk) en 13 maart 2025 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Ariese en van de standpunten van verdachte en haar raadslieden, mr. J.L. L'Homme en mr. B.A. Deutz Ebeling, advocaten te Amsterdam. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de mr. H.J. Arnold, advocaat te Leiden namens de benadeelde partij Zilveren Kruis en van hetgeen de benadeelde partij [benadeelde 1] naar voren hebben gebracht. 2 TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 16/268103-20 feit 1: in de periode van 1 mei 2018 tot en met 31 mei 2018 in Utrecht (be)handelingen heeft verricht als huisarts zonder dat zij daartoe de bekwaamheid had en in het daartoe bestemde BIG register was ingeschreven, waardoor zij schade aan de patiënten heeft veroorzaakt of wist dat ze schade kon veroorzaken; feit 2: in de periode van 4 juni 2018 tot en met 20 juni 2018 in Utrecht de verklaringsvrijheid van getuige [getuige 1] heeft beïnvloed; feit 3: in de periode van 21 december 2018 tot en met 1 juni 2020 in Huizen in vereniging gebruik heeft gemaakt van identificerende persoonsgegevens van [benadeelde 1] op meerdere aanvraagformulieren en machtigingsaanvragen voor thuiszorg en wijkverpleging; feit 4: primair: in de periode van 21 december 2018 tot en met 1 juni 2020 in Huizen in vereniging meerdere indicatieformulieren, zorgplannen, aanvraagformulieren en machtigingsaanvragen voor thuiszorg en wijkverpleging valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken door de gegevens van [benadeelde 1] hierop te vermelden en te voorzien van een valse handtekening/paraaf van die [benadeelde 1] en deze geschriften ook heeft gebruikt door deze bij zorgverzekeraars in te dienen; subsidiair: in diezelfde periode in Huizen in vereniging aan Thuiszorg [naam 1] B.V. en/of Thuiszorg [naam 2] B.V. opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven tot het plegen van dit feit; feit 5: in de periode van 30 oktober 2020 tot en met 1 november 2020 in Blaricum en/of Huizen, geldbedragen van € 5.000,- en € 12.000,- van [naam 3] B.V. heeft verduisterd uit hoofde van haar dienstbetrekking als financieel directeur van dit bedrijf. 81/153730-21 feit 1: in de periode van 1 maart 2016 tot en met 1 juni 2016 in Blaricum en/of Utrecht in vereniging meermalen een offerte, twee facturen van [bedrijf 1] aan [naam 4] B.V. en twee bankgiro opdrachten valselijk heeft opgemaakt door hierin een fictief of te hoog bedrag op te nemen en in diezelfde periode in Blaricum, Utrecht en/of 's-Hertogenbosch in vereniging gebruik heeft gemaakt van deze geschriften door de offerte in het kader van een kredietaanvraag bij Van Lanschot Kempen N.V. te overleggen en de facturen en bankgiro opdrachten in het kader van betalingsverzoeken vanuit het bouwdepot bij Van Lanschot Kempen N.V. in te dienen; feit 2: in de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2017 in Blaricum in vereniging een koopovereenkomst tussen [VOF] V.O.F. en [bedrijf 2] B.V. valselijk heeft opgemaakt door hierin een koopsom met een onjuist bedrag op te nemen en in diezelfde periode in Blaricum, Utrecht en/of Delft in vereniging gebruik heeft gemaakt van deze valse koopovereenkomst door deze te verstrekken aan [bedrijf 3] B.V. voor het verkrijgen van een geldlening; feit 3: in de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 oktober 2020 in Blaricum en/of Utrecht in vereniging meermalen een factuur van [bedrijf 1] aan [naam 4] B.V., meerdere bankafschriften en een kwitantie van een contant ontvangen bedrag door [bedrijf 1] / [benadeelde 2] , valselijk heeft opgemaakt door hierin een fictief of te hoog bedrag op te nemen en in de periode van 1 februari 2019 tot en met 13 november 2020 in Blaricum, Utrecht en/of Amsterdam in vereniging gebruik heeft gemaakt van deze valse geschriften door deze te verstrekken aan de curator (van Medisch Centrum [naam 5] B.V.) G.M. Smink. 3 VOORVRAGEN 3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding van parketnummer 16/268103-20 partieel nietig dient te worden verklaard ten aanzien van de onder feit 1 opgenomen onderdeel ‘ en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(en )’, nu dit onvoldoende concreet is. Gelet op de vele in het dossier voorkomende personen kan de verdediging ten aanzien van de betreffende zinsnede geen adequate verdediging voeren. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie voert aan dat uit het dossier voldoende duidelijk blijkt ten aanzien van welke personen er zorghandelingen zijn verleend. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Uit het dossier blijkt dat er meer patiënten zijn die hebben verklaard over de gang van zaken bij [naam 4] B.V. dan de patiënten die met naam in de tenlastelegging zijn opgenomen. De namen van die patiënten blijken evenwel wel duidelijk uit het dossier. In de tenlastelegging zijn, naast de namen van de patiënten, ook de zorghandelingen geconcretiseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit de omschrijving van die zorghandelingen in combinatie met de verklaringen van de patiënten van [naam 4] zoals opgenomen in het dossier, voldoende duidelijk is wat de verdachte wordt verweten en waartegen zij zich dient te verdedigen. In zoverre voldoet de dagvaarding dan ook aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Gelet hierop verwerpt de rechtbank het beroep op partiële nietigheid van de dagvaarding. De dagvaarding van parketnummer 16/268103-20 is derhalve geldig. Ook de dagvaarding van parketnummer 81/153730-21 is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie 16/268103-20 De officier van justitie acht het onder feit 1 ten laste gelegde ten aanzien van de bij naam genoemde patiënten wettig en overtuigend te bewijzen, in die zin dat het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van de patiënten met zich meebracht. Niet is vast te stellen dat het handelen van verdachte daadwerkelijk tot schade of benadeling van de gezondheid van de patiënten heeft geleid. Het onder feiten 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde acht de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend te bewijzen. 81/153730-21 De officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen met uitzondering van het onder die feiten ten laste gelegde medeplegen. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken onder paragraaf 4.3. 4.2 Het standpunt van de verdediging 16/268103-20 De raadslieden bepleiten vrijspraak van het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 primair en subsidiair en feit 5 ten laste gelegde. 81/153730-21 De raadslieden bepleiten vrijspraak van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde. De standpunten van de verdediging worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken onder paragraaf 4.3. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis opgenomen in een bij dit vonnis gevoegde bijlage ( bijlage II ), en dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd. Bewijsoverwegingen Inleiding In de periode van 2015 tot en met 2020 heeft verdachte een rol/functie gehad in meerdere bedrijven die een rol spelen in de ten laste gelegde feiten. Voordat de rechtbank toekomt aan de bespreking van de ten laste gelegde feiten, stelt zij op basis van het dossier de volgende gebeurtenissen vast. [naam 4] B.V. In 2015 heeft verdachte plannen voor het starten van een gezondheidscentrum in Utrecht bestaande uit onder andere een huisartsenpraktijk en een apotheek. In december 2015 wordt de besloten vennootschap [naam 4] (verder: [naam 4] ) opgericht. Verdachte is met haar holding [holding 1] B.V. enig middellijk bestuurder en aandeelhouder van [naam 4] . Verdachte laat voor het gezondheidscentrum haar oog vallen op een pand aan de [adres] in Utrecht. Dit gebouw moet nog worden verbouwd tot een gezondheidscentrum. Voor de financiering van de verbouwing is verdachte in maart 2016 naar de Van Lanschot Bank in Zeist geweest om een geldlening af te sluiten. De verbouwing van het pand vindt plaats in 2016 en wordt uitgevoerd door [bedrijf 1] B.V. (verder ook wel aangeduid als: [bedrijf 1] ). Op 1 september 2016 opent het gezondheidscentrum haar deuren. Verdachte vervult de functie van (algemeen) directeur bij [naam 4] . In september 2017 start de Inspectiedienst Gezondheidszorg en Jeugd (verder: de IGJ) een onderzoek naar [naam 4] naar aanleiding van meerdere meldingen dat door onbevoegden medische zorg zou worden verleend. Inmiddels is gebleken dat de bedrijfsvoering van het gezondheidscentrum niet op orde is. Op 18 mei 2018 wordt de (huisartsen)praktijk tijdelijk gesloten op bevel van de IGJ. Op 3 augustus 2018 wordt de naam [naam 4] B.V. gewijzigd in Medisch Centrum [naam 5] B.V. Dit is ingegeven door de inmiddels slechte naam die [naam 4] heeft door de negatieve publiciteit. Op 6 november 2018 wordt Medisch Centrum [naam 5] B.V. in staat van faillissement verklaard, waarbij G.H. Smink als curator wordt aangesteld. Op 20 mei 2019 doet de IGJ aangifte van strafbare feiten. Op 20 oktober 2020 doet G.H. Smink melding bij het Centraal Meldpunt Faillissementsfraude van de FIOD van vermoedelijke faillissementsfraude en valsheid in geschrifte. Thuiszorg [naam 1] B.V. In de periode dat [naam 4] door de IGJ wordt onderzocht, wordt Thuiszorg [naam 1] B.V. actief. Dit bedrijf levert niet gecontracteerde thuiszorg en wijkverpleging. Thuiszorg [naam 1] wordt op 24 januari 2017 opgericht onder de naam Thuiszorg [naam 4] B.V. Enig bestuurder en aandeelhouder is [naam 4] . Op 3 augustus 2018 wordt de naam veranderd in Thuiszorg [naam 1] B.V. Gelijktijdig wordt de partner van verdachte, [A] , middels zijn holding [holding 2] B.V. middellijk bestuurder en aandeelhouder van Thuiszorg [naam 1] . Op 28 augustus 2019 wordt ook [B] in de Kamer van Koophandel (verder: KvK) ingeschreven als bestuurder van Thuiszorg [naam 1] B.V. [naam 3] B.V In 2019 maakt Thuiszorg [naam 1] een doorstart als het bedrijf [naam 3] B.V., met [B] als bestuurder. [bedrijf 2] B.V. Naast bovenstaande activiteiten op het gebied van de individuele gezondheidszorg, is verdachte ook betrokken bij de vennootschap [bedrijf 2] B.V. Deze vennootschap wordt op 28 september 2017 opgericht met het doel om de al bestaande supermarkt ‘ [VOF] ’ aan de [adres] in Utrecht over te nemen. Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. [VOF] wordt op 3 oktober 2017 door verdachte gekocht met behulp van een kredietverschaffing van [bedrijf 3] B.V. Op 18 januari 2018 wordt de supermarkt weer verkocht. Bewezenverklaring De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hieronder zal de rechtbank uitleggen waarom zij tot deze beslissingen komt en zal de rechtbank indien nodig ingaan op de verweren van de verdediging – voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen – en de standpunten van de officier van justitie. 16/268103-20 Feit 1 De verdenking onder feit 1 is dat verdachte onbevoegd meerdere patiënten van het gezondheidscentrum heeft behandeld als ware zij huisarts. Wat is er gebeurd? De IGJ start in 2017 een onderzoek naar de kwaliteit van zorg verleend door [naam 4] . Uit het onderzoek komt naar voren dat verdachte onbevoegd zorg zou verlenen aan patiënten. In 2019 doet de IGJ aangifte tegen verdachte. De politie start een onderzoek, waarbij veel medewerkers en patiënten van [naam 4] worden gehoord. Meerdere patiënten verklaren dat verdachte hen als huisarts heeft behandeld bij [naam 4] . Ook werknemers verklaren dat verdachte patiënten heeft gezien en dat zij zich presenteerde en gedroeg als huisarts. Gebruik van de verklaring van getuige [getuige 2] De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verdediging geen effectief en adequaat ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen ten aanzien van getuige [getuige 2] en dat de belastende verklaring bij de politie daarom niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Het verzoek tot het horen van getuige [getuige 2] is toegewezen op grond van artikel 182 Sv. De rechter-commissaris heeft tot vier keer toe de getuige via zijn inschrijfadres opgeroepen voor het getuigenverhoor. De getuige is echter niet verschenen. De rechter-commissaris heeft de bekende telefoonnummers en het mailadres van de getuige geprobeerd, echter zonder succes. Ook heeft de rechter-commissaris een eethuis benaderd waar volgens Google een persoon met de naam van getuige werkzaamheden heeft verricht. De mevrouw die de telefoon van het eethuis opnam kende de getuige [getuige 2] en heeft toegezegd hem te vragen contact op te nemen met de rechter-commissaris. Ook dit heeft echter niet tot contact met de getuige geleid. Bij proces-verbaal van 13 juli 2022 heeft de rechter-commissaris laten weten dat zij, gelet op het belang voor de zaak en het belang van de getuige, niet van plan is een bevel medebrenging te geven. Getuige [getuige 2] is daarom niet gehoord bij de rechter-commissaris. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de verdediging bij deze stand van zaken (ondanks een consequent en herhaald verzoek tot het horen van de getuige) geen behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad. De vervolgvraag is of de verklaring alsnog gebruikt kan worden voor het bewijs. Onder verwijzing naar de (post-) Keskin-jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad , dient de rechtbank bij de beoordeling van dit verweer de volgende toets toe te passen. Indien de verdediging – ondanks het nodige initiatief daartoe – geen behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad, kan een getuigenverklaring toch voor het bewijs worden gebruikt indien is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. Dat houdt in het bijzonder in dat (i) de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel (indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd) (ii) het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van getuige [getuige 2] evenwel niet ‘sole or decisive’ en niet ‘determinative for the outcome of the case’ . Hetgeen door de rechtbank bewezen is verklaard, vindt meer dan voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Getuige [getuige 2] is slechts één van de zes (tenlastegelegde) patiënten die verklaren dat zij op huisartsconsult zijn geweest bij verdachte. De verklaring van getuige [getuige 2] vindt daarnaast steun in andere bewijsmiddelen. Zo wordt zijn verklaring dat hij op 3 mei 2018 bij [naam 4] een consult heeft gehad bevestigt door informatie uit het Huisarts Informatie Systeem (HIS-systeem) van [naam 4] . Dat [getuige 2] door verdachte (zich voordoende als huisarts) is ontvangen, vindt ook indirect steun in de vastlegging van het consult in het HIS-systeem. Daarin staat immers dat huisarts [huisarts 1] het consult heeft gedaan terwijl [huisarts 1] toen al langere tijd niet meer werkzaam was voor [naam 4] , zo bevestigde verdachte zelf ook op zitting. Het registeren van onjuiste namen van huisartsen in het HIS-systeem is ook gebeurd bij meerdere tenlastegelegde consults met andere patiënten. De bewezenverklaring rust, gelet op voorgaande, in belangrijke mate op de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Gelet hierop zijn compenserende factoren voor het niet kunnen horen van getuige [getuige 2] niet noodzakelijk. Een en ander afwegende is de rechtbank van oordeel dat, ondanks het ontbreken van de mogelijkheid de getuige te horen, voldaan is aan de eisen van een eerlijk proces. De verklaring van getuige [getuige 2] kan daarom worden gebruikt voor het bewijs. Betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van getuigen [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 2] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] niet betrouwbaar zijn. De naam en foto van verdachte waren ten tijde van het verhoor al veelvuldig in de media geweest waardoor de getuigen over voorkennis beschikte. Voordat de getuigen bij de politie zijn gehoord, waren zij bovendien in het kader van het onderzoek van de IGJ al benaderd en heeft de IGJ hen informatie over verdachte gevoed. Door de verdediging is niet meer te achterhalen welke informatie, omdat er geen verslagen van de gesprekken door de IGJ zijn gemaakt. De getuigen hebben later bij de politie en bij de rechter-commissaris daarom niet uit eigen wetenschap verklaard, aldus de verdediging. De rechtbank verwerpt dit verweer en acht de in de bewijsmiddelen opgenomen getuigenverklaringen van [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 2] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] betrouwbaar. Dat aan de getuigen tijdens het onderzoek van de IGJ informatie zou zijn verschaft zoals de datum van het consult en kenbaar is gemaakt dat het onderzoek zich op de directrice richtte, maakt niet dat getuigen daarna niet meer uit eigen wetenschap zouden hebben verklaard. De meeste getuigen herkennen verdachte op een foto als de persoon die hen als huisarts heeft behandeld. Het merendeel van de getuigen is ook bij de rechter-commissaris gehoord. De verdediging heeft daar de mogelijkheid gehad om de getuigen kritisch te bevragen en de betrouwbaarheid van deze verklaringen te toetsen. De verklaringen die de getuigen hebben afgelegd bij de rechter-commissaris komen in de kern overeen met de eerder afgelegde verklaringen bij de politie. De getuigenverklaringen worden verder ook ondersteund door de rest van het dossier, in het bijzonder de HIS-systeem registraties en de verklaringen van medewerkers van [naam 4] . De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen. De verklaringen kunnen voor het bewijs worden gebruikt. Bewezenverklaring en partiële vrijspraak Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte onbevoegd medische (be)handelingen ten aanzien van de zes patiënten genoemd in de tenlastelegging heeft verricht. Zij was geen huisarts en beschikte niet over de hiervoor vereiste BIG-registratie. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de volgende in de tenlastelegging opgenomen handelingen: het autoriseren van een receptenbuffer en het muteren van data in het HIS-systeem, nu dit onvoldoende uit het dossier blijkt. Op basis van het dossier is ook niet vast te stellen dat de handelingen van verdachte daadwerkelijk tot schade aan de gezondheid van patiënten heeft geleid. Verdachte zal daarom ook van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Feit 2 Onder feit 2 wordt aan verdachte ten laste gelegd dat zij getuige [getuige 1] in zijn verklaringsvrijheid heeft beïnvloed. Wat is er gebeurd? Tijdens het onderzoek van de IGJ naar [naam 4] worden door de IGJ meerdere getuigen benaderd, waaronder ook (oud) werknemers. De IGJ probeert te achterhalen welke huisartsen op welke dagen hebben gewerkt voor het gezondheidscentrum. Zo wordt ook getuige [getuige 1] door de IGJ benaderd. Hij verklaart aanvankelijk dat hij op 4, 11 en 14 mei 2018 heeft gewerkt als waarnemer bij [naam 4] , maar al snel geeft hij aan niet werkzaam te zijn geweest op deze data. [getuige 1] geeft aan dat verdachte aan hem heeft gevraagd om te verklaren dat hij wel werkzaam is geweest voor [naam 4] op deze data. Beïnvloeden getuige [getuige 1] Verdachte heeft [getuige 1] benaderd in de periode dat er vanuit de IGJ een bevel stillegging voor het gezondheidscentrum lag, omdat de achtervang van huisartsen niet op orde was. Uit de verklaring van [getuige 1] en de sms-berichten tussen verdachte en [getuige 1] blijkt dat verdachte getuige [getuige 1] heeft verzocht om mee werken aan het schetsen van een beeld richting de IGJ dat getuige op 4, 11 en 18 mei 2018 als huisarts werkzaam is geweest bij [naam 4] . In een bericht van 20 juni 2019 vraagt verdachte [getuige 1] gericht om te verklaren dat hij heeft gewerkt als hij gebeld wordt. [getuige 1] is, zo verklaarde hij, ook daadwerkelijk gebeld door de IGJ. [getuige 1] is aanvankelijk meegegaan in de suggestie van verdachte dat hij op 3 dagen in mei 2018 voor [naam 4] werkzaam is geweest, maar heeft later verklaard in het geheel geen werkzaamheden te hebben verricht voor [naam 4] . De verdediging voert aan dat verdachte geen opzet had op het beïnvloeden van de verklaringsvrijheid van [getuige 1] . Verdachte heeft ter terechtzitting van 10 februari 2025 (voor het eerst) verklaard dat ze het organiseren van de achterwacht had uitbesteed aan een bureau genaamd [bureau] , en dat zij daarom niet wist of [getuige 1] op die dagen als achterwacht had gewerkt. Haar sms-berichten aan [getuige 1] moeten zo worden begrepen dat zij alleen naging of [getuige 1] daadwerkelijk als achterwacht had gefungeerd op die data. Ter onderbouwing hiervan heeft verdachte op zitting WhatsAppgesprekken met contactpersoon [contactpersoon] van [bureau] overgelegd. De rechtbank stelt voorop dat deze Whatsappberichten eindigen op 13 februari 2018 en niet gaan over het regelen van achterwacht op de genoemde 4, 11 en 18 mei 2018. Ook de inhoud van de berichten bieden geen ondersteuning voor de stelling van verdachte dat zij het regelen van achterwacht van huisartsen voor [naam 4] helemaal had uitbesteed. In deze WhatsAppberichten leest de rechtbank namelijk dat verdachte verantwoordelijk was voor de inzet van de (waarnemend) huisartsen en dat zij ook door [contactpersoon] werd gevraagd te bepalen op welke dagen de waarnemers moesten werken. De verklaring van verdachte dat ze [getuige 1] alleen had benaderd om te vragen of hij op die dagen in mei had gewerkt, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig. De rechtbank acht bewezen dat verdachte getuige [getuige 1] heeft gevraagd om tegenover een ambtenaar van de IGJ in strijd met de waarheid te verklaren dat hij op 4, 11 en 18 mei 2018 voor [naam 4] had gewerkt. De uitlatingen van verdachte waren er kennelijk op gericht de verklaringsvrijheid van [getuige 1] te beïnvloeden. De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Feit 3 en feit 4 Onder feit 3 wordt verdachte verweten dat zij misbruik heeft gemaakt van de identificerende gegevens van [benadeelde 1] door deze in te vullen op de indicatiestellingen, zorgplannen, machtigingsaanvragen en aanvraagformulieren. Onder feit 4 wordt verdachte verweten dat zij, door dit te doen, deze geschriften vals heeft opgemaakt en vervolgens ook heeft gebruikt door deze bij de zorgverzekeraars in te dienen, dan wel dat zij feitelijk leiding heeft gegeven aan Thuiszorg [naam 1] B.V. tot het plegen van deze strafbare gedragingen. Wat is er gebeurd? In 2018 wordt de organisatie Thuiszorg [naam 1] B.V. (verder: Thuiszorg [naam 1] ) actief. Het bedrijf levert niet-gecontracteerde thuiszorg en wijkverpleging. Voordat deze kan worden geleverd wordt door een HBO niveau 5 verpleegkundige een zorgindicatie/zorgplan opgesteld, waarin uiteen wordt gezet welke zorg een cliënt nodig heeft. Vervolgens wordt via een machtigingsaanvraag of aanvraagformulier toestemming gevraagd bij de zorgverzekeraar voor (de bekostiging van) de niet-gecontracteerde thuiszorg. Ook deze machtigingen moeten door een HBO niveau 5 verpleegkundige worden ondertekend. [benadeelde 1] wordt half december 2018 door verdachte benaderd om als HBO niveau 5 verpleegkundige, via haar eigen onderneming ZZP Ondersteuning Nederland B.V., indicatiestellingen en machtigingen voor Thuiszorg [naam 1] te gaan verzorgen. Op 27 maart 2019 stelt [benadeelde 1] haar laatste indicatie, waarna ze in april 2019 stopt met haar werkzaamheden voor Thuiszorg [naam 1] . Achteraf blijkt dat ook in de periode daarna bij zorgverzekeraars CZ, ONVZ en Zilveren Kruis meerdere indicatiestellingen, zorgplannen, machtigingsaanvragen en aanvraagformulieren (verder ook wel aangeduid als ‘geschriften’ ) vanuit Thuiszorg [naam 1] zijn binnengekomen waarop de gegevens en een handtekening van [benadeelde 1] zijn genoteerd. Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat op een groot aantal geschriften valselijk de gegevens en handtekening/paraaf van [benadeelde 1] zijn ingevuld en deze geschriften vervolgens zijn ingediend bij zorgverzekeraars. Dat gaat om de geschriften die zien op de periode vanaf 1 april 2019. De vraag die voorligt, is welke rol verdachte hierin heeft gehad. De rol van verdachte in Thuiszorg [naam 1] Verdachte was in de tenlastegelegde periode geen statutair bestuurder van Thuiszorg [naam 1] . Verdachte stelt dat haar partner [A] , die ook als middellijk bestuurder staat ingeschreven in de KvK, algemeen directeur was en dat hij de leiding had bij Thuiszorg [naam 1] . Verdachte zou alleen als tolk en adviseur voor haar partner hebben gefungeerd en zich zelf alleen hebben beziggehouden met het opmaken van een convenantcode en een kwaliteitshandboek. Op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank evenwel vast dat verdachte feitelijk directeur was van Thuiszorg [naam 1] . Verdachte was procuratiehouder van de bankrekening van Thuiszorg [naam 1] en had de beschikking over de bankpas. Getuige [getuige 8] , die werkzaam is geweest bij Thuiszorg [naam 1] , verklaart dat verdachte zich als directeur van het bedrijf aan hem had voorgesteld. Ook getuigen [B] en [getuige 9] verklaren dat verdachte feitelijk directeur was en dat zij het aanspreekpunt was binnen het bedrijf. Zij verklaren verder dat verdachte zich bezighield met indicatiestellingen en het contact met de zorgverzekeraars. Uit de getuigenverklaringen blijkt ook dat [A] geen rol had binnen het bedrijf, dat hij vrijwel nooit aanwezig was op kantoor, dat hij de Nederlandse taal niet machtig was en dat verdachte uit naam van [A] e-mails verzond naar werknemers. Dat [A] de leiding had binnen Thuiszorg [naam 1] en verdachte alleen fungeerde als zijn tolk en adviseur acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte feitelijk directeur was en ook het e-mailadres van Thuiszorg [naam 1] beheerde. Feit 3: Misbruik persoonsgegevens van [benadeelde 1] De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen van een aantal in de tenlastelegging opgenomen geschriften vaststellen dat verdachte persoonlijk een rol heeft gehad in het opmaken hiervan, dan wel indienen van deze geschriften bij de zorgverzekeraars, terwijl verdachte wist dat [benadeelde 1] niet meer werkzaam was voor Thuiszorg [naam 1] . Verdachte heeft in haar verhoor bij de politie op 29 maart 2021 verklaard dat het klopt dat ze op meerdere formulieren met de gegevens van [benadeelde 1] haar handschrift herkent. Specifiek gaat dit om aanvraagformulieren van verzekerde [verzekerde 1] bij CZ en [verzekerde 2] bij Zilveren Kruis. Daarnaast volgt uit de bij de aangifte van ONVZ gevoegde e-mailberichten dat een aantal aanvraagformulieren is ingediend vanuit het e-mailadres en met vermelding van de naam van [A] . Dit zijn specifiek de aanvraagformulieren/indicatiestellingen van verzekerden [verzekerde 3] , [verzekerde 4] en [verzekerde 5] . Zoals hiervoor al is overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte als feitelijk directeur het e-mailadres van Thuiszorg [naam 1] beheerde en e-mails verzond ondertekend met de naam van [A] . De rechtbank acht het in deze gevallen bewezen dat verdachte de formulieren zelf heeft ingevuld, dan wel ingediend. Ten aanzien van deze in totaal 5 geschriften stelt de rechtbank vast dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de identificerende gegevens van [benadeelde 1] en acht feit 3 voor zover het die geschriften betreft wettig en overtuigend bewezen. Feit 4: Feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrifte gepleegd door Thuiszorg [naam 1] Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank bewezen dat een groot aantal geschriften valselijk zijn opgemaakt, door hierin in strijd met de waarheid de gegevens van [benadeelde 1] te vermelden, en dat vervolgens ook gebruik is gemaakt van deze geschriften door deze bij de zorgverzekeraars in te dienen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte voor deze strafbare gedragingen als (gewoon) pleger dan wel als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Van verreweg het grootste aantal geschriften, met uitzondering van de 5 hiervoor genoemde, kan niet worden vastgesteld dat verdachte die zelf heeft ingevuld of ingediend. Het primair tenlastegelegde kan daarom niet tot een (volledige) veroordeling leiden. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo, dat de opsteller in zo’n situatie aan de rechtbank wenst voor te leggen of verdachte wel als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (de subsidiaire variant). Dat zal de rechtbank hierna beoordelen. Als eerste moet de rechtbank bekijken of het opstellen en indienen van de geschriften kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon Thuiszorg [naam 1] . Een belangrijk oriëntatiepunt hiervoor is of de gedragingen hebben plaatsgevonden, dan wel zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Dergelijke gedragingen kunnen in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de geschriften zijn opgesteld door (medewerkers van) Thuiszorg [naam 1] . De geschriften zijn vervolgens namens Thuiszorg [naam 1] ingediend bij zorgverzekeraars, teneinde de door haar te leveren thuiszorg vergoed te krijgen. Het opstellen en indienen van zorgindicaties, zorgplannen, machtigingsaanvragen en aanvraagformulieren past daarmee binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en zijn het bedrijf dienstig geweest. De gedragingen zijn aldus verricht in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen daarom in redelijkheid aan Thuiszorg [naam 1] worden toegerekend. De rechtbank kijkt vervolgens of verdachte aan de gedragingen van Thuiszorg [naam 1] feitelijk leiding heeft gegeven. Bij de beoordeling daarvan speelt naast een (mogelijk) juridische positie ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon een rol. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag, maar kan ook aan de orde zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte gevoerde beleid. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol van de verdachte tot feitelijke leidinggeven leiden. In het bijzonder kan dat het geval zijn bij de verdachte die, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, geen maatregelen heeft getroffen om verboden gedragingen te voorkomen of te beëindigen. Zoals hiervoor uiteengezet, vervulde verdachte feitelijk de rol van algemeen directeur van Thuiszorg [naam 1] . Zij hield zich bezig met de dagelijkse bedrijfsvoering en financiële administratie, was verantwoordelijk voor de indicatiestellingen en contacten met de zorgverzekeraars en presenteerde zich zowel intern als extern (onder andere richting werknemers en zorgverzekeraars) als directeur van het bedrijf. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte meerdere aanvraagformulieren/indicatiestellingen zelf heeft ingevuld dan wel heeft ingediend bij de zorgverzekeraars, waarbij misbruik is gemaakt van de identificerende gegevens van [benadeelde 1] . Verdachte had derhalve wetenschap van en opzet op de door de rechtspersoon begane strafbare feiten. Voor de geschriften die verdachten niet zelf heeft opgesteld of ingediend, geldt dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die strafbare gedragingen zouden plaatsvinden. Zij was immers verantwoordelijk voor het inschakelen van een HBO niveau 5 verpleegkundige, voor de administratieve verwerking van de door de verpleegkundige gemaakte zorgplannen/indicaties en aanvragen bij de zorgverzekeraars en voor de financiële afwikkeling daarvan. Daarmee kan het niet anders dan dat verdachte heeft geweten dat er aanvragen bij zorgverzekeraars werden gedaan terwijl de onderliggende zorgindicaties/plannen door niet bevoegde personen zijn opgemaakt. Zij heeft daarmee een actieve en effectieve rol gespeeld bij de door de rechtspersoon opgestelde en gebruikte valse geschriften. Dit opzet van verdachte kan, gezien haar positie en rol binnen Thuiszorg [naam 1] , bovendien worden toegerekend aan de rechtspersoon. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de onder feit 4 ten laste gelegde gedragingen bestaande uit het valselijk opmaken en gebruiken van indicatieformulieren, zorgplannen, machtigingsaanvragen en aanvraagformulieren. Het aantal valse indicatiestellingen, zorgplannen, machtigingsaanvragen en aanvraagformulieren De officier van justitie heeft ter terechtzitting geconstateerd dat de bij de door ONVZ verstrekte aanvragen twee aanvragen zijn opgenomen waarop niet de identificerende gegevens van [benadeelde 1] zijn gebruikt, maar die van [verzekerde 6] . Eén van de door Zilveren Kruis verstrekte aanvragen is niet vervalst omdat [benadeelde 1] hiervan heeft aangegeven dat de gegevens hiervan juist zijn. Het gaat om de aanvraag inzake [verzekerde 7] (pagina 149-151 van het proces-verbaal aanvraagformulieren ingekomen 28 mei 2024). In totaal zou het volgens de officier van justitie dan gaan om 62 valse aanvraagformulieren met de gegevens van [benadeelde 1] die bij de zorgverzekeraar zijn ingediend: 6 aanvraagformulieren bij ONVZ, 52 aanvraagformulieren/indicaties bij Zilveren Kruis en 4 aanvraagformulieren bij CZ. De rechtbank zal deze aantallen overnemen, en houdt verder nog rekening met het volgende. In de aanvraagformulieren die Zilveren Kruis bij de aangifte heeft gevoegd zitten vijf aanvraagformulieren waarop de gegevens van [verzekerde 8] zijn ingevuld, en niet die van [benadeelde 1] . Het totaal aantal valse indicatiestellingen, zorgplannen, machtigingsaanvragen en aanvraagformulieren met de gegevens van [benadeelde 1] die bij Zilveren Kruis zijn ingediend komt dan uit op 47. CZ heeft bij haar verzoek tot schadevergoeding een vonnis van de kantonrechter te Midden-Nederland van 10 mei 2023 gevoegd, waar door de kantonrechter reeds is beslist op de valsheid van de bij CZ ingediende geschriften. In dit vonnis leest de rechtbank dat uit de in dat geding gebrachte stukken volgt dat de indicatiestelling van verzekerde [verzekerde 9] geldig waren, nu [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij inderdaad deze indicatiestelling heeft verricht. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat op die indicatie niet valselijk de gegevens van [benadeelde 1] zijn gebruikt. Hiervan zal verdachte dan ook worden vrijgesproken. Daarnaast is het aanvraagformulier voor verzekerde [verzekerde 10] op 15 maart 2019 ingediend, in de periode dat [benadeelde 1] nog indicatiestellingen verzorgde voor Thuiszorg [naam 1] , zodat ook daar vrijspraak moet volgen. Het aantal valse formulieren bij CZ komt daarmee uit op twee. Bij de door ONVZ aangeleverde stukken zitten een aantal formulieren die vanuit het bedrijf Thuiszorg [naam 2] zijn ingediend. Het dossier bevat te weinig informatie over (de rol van verdachte in) het bedrijf Thuiszorg [naam 2] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het feitelijk leidinggeven aan het opmaken van valse indicaties/formulieren met de gegevens van [benadeelde 1] bij dit bedrijf. Het gaat hierbij om twee formulieren, waardoor het totaal aan valse formulieren bij ONVZ uitkomt op vier. In totaal acht de rechtbank bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opmaken en indienen van in totaal 53 indicatiestellingen, zorgplannen, machtigingsaanvragen en aanvraagformulieren waarop valselijk de gegevens en handtekening van [benadeelde 1] zijn gebruikt. Van het overige wordt verdachte vrijgesproken. Partiele vrijspraak medeplegen Uit het dossier volgt niet dat Thuiszorg [naam 1] de hierboven beschreven gedragingen in nauwe en bewuste samenwerking met één of meer andere (rechts)personen heeft begaan, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Feit 5 Onder feit 5 wordt verdachte verweten dat zij als financieel directeur in totaal € 17.000,- heeft verduisterd van [naam 3] B.V. Wat is er gebeurd? Toen bleek dat het niet goed ging met Thuiszorg [naam 1] , gaf [B] bij verdachte aan dat zij graag de cliënten van het bedrijf zou willen overnemen. In 2019 wordt om die reden het bedrijf [naam 3] B.V. (verder: [naam 3] ) opgericht, met [B] als bestuurder. Op 30 oktober 2020 wordt er door het Ministerie WVS een bedrag van € 23.150,- onder vermelding van ‘ aanvraag bonus voor zorgprofessionals ’ op de rekening van [naam 3] gestort. Dat gaat om de zogenoemde coronabonus voor zorgpersoneel. Diezelfde dag wordt € 5.000,- euro van de rekening van [naam 3] overgemaakt naar de persoonlijke rekening van verdachte onder de vermelding van ‘ aflossing lening ’. Op 1 november 2020 wordt nog eens € 12.000,- van de rekening van [naam 3] overgemaakt naar de persoonlijke rekening van verdachte. Verduistering in dienstbetrekking De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van de overboekingen financieel directeur bij [naam 3] was, zo volgt uit de verklaring van [B] , de door haar ondertekende werkgeversverklaring en salarisbetalingen. Ook staat vast dat verdachte ten tijde van de overboekingen op haar privé rekeningen op de hoogte was van die betalingen. De vraag doet zich voor of verdachte zich de gelden ook wederrechtelijk heeft toegeëigend, zoals aangeefster [B] verklaarde. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Gelet op de timing van beide overboekingen, namelijk vlak na ontvangst van een coronabonus voor het zorgpersoneel, de hoogte van beide overboekingen en het gegeven dat verdachte ook reguliere salarisbetalingen van [naam 3] ontving, heeft verdachte zich de € 17.000 opzettelijk en wederrechtelijk toegeëigend. Het geld was bedoeld voor het zorgpersoneel, en daar is het vanwege de overboekingen naar de privérekening van verdachte nooit terechtgekomen. De verdediging heeft nog aangevoerd dat het om een terugbetaling ging van gelden die [B] haar verschuldigd was na de overname van (cliënten van) Thuiszorg [naam 1] door [naam 3] . De rechtbank volgt de verdediging niet in het door haar geschetste scenario. Verdachte heeft bij haar verhoor bij de politie en op de terechtzitting van 10 februari 2025 twee totaal verschillende verklaringen afgelegd over de overboekingen. Bij de politie bekent verdachte dat zij zelf de bedragen heeft overgemaakt van de rekening van [naam 3] naar haar eigen rekening. Zij verklaart dat zij dacht dat de op de rekening van [naam 3] gestorte coronabonus een uitbetaling van een NOW regeling (tijdelijke noodmaatregel overbrugging corona) was, die nog te maken had met de bedrijven [naam 4] en Thuiszorg [naam 1] . Ze heeft het bedrag daarom naar zichzelf overgemaakt omdat dit haar toekwam. Ter terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat het [B] was die de betalingen deed. Zij zou op de telefoon van verdachte hebben ingelogd in de internetbankier-omgeving van [naam 3] en vervolgens twee bedragen naar de rekening van verdachte hebben overgemaakt. Dit was een afbetaling van de goodwill die [B] verdachte nog verschuldigd was na de overname van (cliënten van) Thuiszorg [naam 1] . De rechtbank gaat daarom voorbij aan het op zitting geschetste scenario, nu verdachte in eerste instantie een geheel andere verklaring heeft gegeven voor de overboekingen én het scenario evenmin aannemelijk is geworden. De rechtbank hecht geen waarde aan de door verdachte op zitting overgelegde stukken (overeenkomst van praktijkoverdracht) ter onderbouwing van een afgesproken overnamesom die zou zijn omgezet in een lening. Uit de verklaring van [B] blijkt dat dit stuk door verdachte in het kader van een civiele procedure is overgelegd en zij stelt dit document nooit te hebben gezien of ondertekend. De slotsom is dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte in haar functie als financieel directeur bij [naam 3] € 17.000 heeft verduisterd. 81/153730-21 Feit 1 De verdenking is dat verdachte een offerte van [bedrijf 1] , twee facturen en twee bankgiro opdrachten van overboekingen van de privérekening van verdachte naar de rekening van [bedrijf 1] vals heeft opgemaakt of heeft vervalst en deze geschriften vervolgens heeft gebruikt. [benadeelde 2] is eigenaar en enig personeelslid van [bedrijf 1] . Wat is er gebeurd? Voor de financiering van de verbouwing van het pand aan de [adres] in Utrecht voor [naam 4] trekt verdachte financiering aan via de Van Lanschot Bank. Tijdens het financieringsgesprek met Van Lanschot heeft verdachte onder andere een offerte van [bedrijf 1] voor een bedrag van € 165.830,50 (hierna: offerte 1 ) overgelegd aan Van Lanschot Bank voor het verkrijgen van een kredietfaciliteit van € 337.500, bestaande uit € 100.000 rekening courant, € 175.000 Bouwdepot 1 en € 62.500 Bouwdepot 2. Op 23 mei 2016 zijn vervolgens meerdere geschriften ingediend bij Van Lanschot bank om een uitbetaling te krijgen vanuit het eerste bouwdepot. Het gaat om twee facturen van € 89.500,- en € 35.800,- op briefpapier van [bedrijf 1] en gericht aan [naam 4] en twee bankgiro opdrachten van overboekingen van diezelfde bedragen van de privérekening van verdachte naar de rekening van [bedrijf 1] . Na het faillissement van [naam 4] wordt op 19 april 2021 door de FIOD bij de curator G.H. Smink een tweede, qua werkzaamheden identieke, offerte van [bedrijf 1] voor de verbouwing van de [adres] in beslag genomen. De aanneemsom in deze offerte bedraagt echter slechts € 79.000,- (hierna: offerte 2 ). Offerte van [bedrijf 1] aan [naam 4] van € 165.830,50 Valsheid van het geschrift Verdachte heeft verklaard dat offerte 1 niet vals is. Door beide partijen zouden er namelijk twee offertes zijn opgesteld die beiden juist zijn. De verklaring van verdachte wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Uit de e-mailberichten tussen verdachte en [benadeelde 2] blijkt bovendien dat het voor verdachte evident was dat de werkelijke offerteprijs € 79.000,- bedroeg, nu zij zelf schrijft dat ze een bedrag van € 79.000,- hebben afgesproken voor de werkzaamheden en het materiaal. De rechtbank acht onder verwijzing naar de bewijsmiddelen bewezen dat offerte 1 valselijk is opgemaakt doordat hierin een te hoog offertebedrag is opgenomen. Partiele vrijspraak – valselijk opmaken offerte De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte de valse offerte zelf heeft opgemaakt of laten opmaken. Verdachte zal daarom van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Gebruik van de valse offerte Niet ter discussie staat dat offerte 1 door verdachte is ingediend bij Van Lanschot Bank in het kader van het verkrijgen van financiering. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de lening bij Van Lanschot Bank hoe dan ook zou zijn verstrekt, ongeacht welke offerte zou zijn ingediend. Verdachte zou met het indienen van offerte 1 geen oogmerk op opzettelijke misleiding hebben gehad. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘ oogmerk op gebruik van het geschrift als het ware echt en onvervalst ’ is niet vereist dat er een causaal verband bestaat tussen het gebruik van de geschriften door verdachte en de verlening van de financiering door Van Lanschot Bank. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat offerte 1 door verdachte doelbewust is ingediend bij Van Lanschot Bank in het kader van het verkrijgen van een lening, terwijl verdachte wist dat de offerte vals was. Het oogmerk op het gebruik van deze offerte als echt en onvervalst is daarmee gegeven. Twee facturen en twee bankgiro opdrachten, t.w.v. € 89.500 en € 35.800 Valsheid van de geschriften Verdachte heeft aangevoerd dat de facturen niet vals zijn en dat zij deze deels contant heeft betaald aan [benadeelde 2] . Dat verdachte contante betalingen heeft gedaan aan [benadeelde 2] is niet aannemelijk geworden en op geen enkele manier onderbouwd. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat dergelijke grote bedragen contant worden betaald zonder dat van deze betaling een kwitantie wordt opgemaakt. Daarnaast wordt de stelling van verdachte weersproken door de door haar verzonden e-mailberichten waarin zij expliciet schrijft over termijnbetalingen aan [benadeelde 2] van in totaal € 79.000,-, het bedrag van offerte 2. Ook zijn de facturen van 4 april 2016, terwijl de ondertekende offerte door verdachte van meer dan een maand later dateert. Hoe dat kan heeft verdachte niet kunnen uitleggen. Tot slot constateren verbalisanten verschillen tussen de bij Van Lanschot ingediende (hoge) facturen en de (lage) facturen die zij van [bedrijf 1] hebben verkregen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de facturen vals zijn. Uit de analyse van de bankgegevens van de privé rekening van verdachte blijkt dat de overschrijvingen zoals genoemd op de twee aan Van Lanschot Bank overgelegde bankgiro opdrachten nooit hebben plaatsgevonden. Uit deze analyse blijkt wel dat op 12 mei 2016 een bedrag van € 0,89 en € 0,35 is overgemaakt van haar persoonlijke rekening naar de rekening van [bedrijf 1] . Deze bedragen zijn vervolgens op 13 mei 2016 weer teruggeboekt naar de rekening van verdachte. De bedragen € 0,89 en € 0,35 corresponderen met de eerste cijfers van de bedragen die op de bankgiro opdrachten staan (89.500 en 35.800). De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat de originele bankgiro opdrachten van € 0,89 en € 0,35 zijn aangepast naar € 89.500,- en € 35.800,- en dus zijn vervalst. Valselijk opmaken van de facturen en de bankgiro opdrachten Aangezien het gaat om overboekingen van de privérekening van verdachte kan het niet anders dan dat verdachte zelf de bankgiro opdrachten heeft vervalst. Dat [C] toegang had tot de persoonlijke bankrekening van verdachte, zoals zij verklaarde, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht het ook onaannemelijk dat verdachte haar zakelijk adviseur toegang heeft gegeven tot haar privé bankrekening. Gelet op het feit dat de bedragen op de twee facturen overeenkomen met die op de bankgiro opdrachten, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte deze facturen ook zelf valselijk heeft opgemaakt. Gebruik van de valse facturen en vervalste bankgiro opdrachten De valse geschriften zijn door verdachte ingediend bij Van Lanschot Bank ten behoeve van het verkrijgen van een uitbetaling van het bouwdepot. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de valse/vervalste geschriften. Partiele vrijspraak – medeplegen De rechtbank ziet in het dossier geen bewijs dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. Feit 2 De verdenking is dat verdachte een koopovereenkomst tussen [VOF] V.O.F. (verder ook: [VOF] ) en [bedrijf 2] B.V. (verder ook: [bedrijf 2] ) heeft vervalst en dit geschrift vervolgens ook heeft gebruikt. Wat is er gebeurd? Verdachte heeft als bestuurder en eigenaar van [bedrijf 2] B.V. de supermarkt ‘ [VOF] ’ gekocht van [D] en [E] . Voor de koop van de supermarkt heeft verdachte bij crowdfundingsplatsform [bedrijf 3] B.V. een geldlening aangetrokken. Ten grondslag aan deze lening lag een koopovereenkomst tussen [VOF] V.O.F. en [bedrijf 2] B.V. die is getekend op 3 oktober 2017 met een koopsom van € 100.000, (hierna: koopovereenkomst 1 ). Na het faillissement van [naam 4] B.V. wordt op 19 april 2021 door de FIOD bij de curator G.H. Smink naast koopovereenkomst 1 ook een op 3 oktober 2017 getekende koopovereenkomst tussen [VOF] V.O.F. en [bedrijf 2] B.V. met een koopsom van € 30.000,- in beslag genomen (hierna: koopovereenkomst 2 ). Vervalsen van de koopovereenkomst en het gebruik hiervan Verdachte heeft over de twee koopovereenkomsten verschillende verklaringen afgelegd. Tijdens haar verhoor bij de FIOD op 13 september 2021 verklaart verdachte dat koopovereenkomst 1 een oude koopovereenkomst was, waarbij de inventaris van [VOF] zou worden overgenomen. Later is er discussie ontstaan tussen haar en [D] en [E] en is een bedrag van € 30.000,- afgesproken, omdat de inventaris toch niet zou worden overgenomen. Dat laatste bedrag is door verdachte betaald en zij heeft ook tijdig aan [bedrijf 3] B.V. doorgeven dat de koopsom is aangepast naar € 30.000,-. Ter terechtzitting van 10 februari 2025 heeft verdachte verklaard dat beide koopovereenkomsten kloppen. [D] en [E] wilden € 30.000,- via de bank ontvangen en de rest van de koopsom contant. In totaal heeft verdachte € 110.000,- aan [D] en [E] betaald voor de koop van [VOF] . Ter onderbouwing van haar verklaring op zitting heeft verdachte gewezen op de door haar aangeleverde WhatsAppgesprekken met [D] die zij heeft overgelegd tijdens diens verhoor bij de rechter-commissaris. De rechtbank ziet hierin echter geen onderbouwing voor de stelling van verdachte dat een deel van de koopsom contant aan [D] is betaald. Ten eerste wijkt het bedrag waarov