Skip to content
Case Law
NL

IVR en EVR registraties n.a.v. niet voldaan informatieverplichting ten tijde van aangaan hypotheekovereenkomst zijn rechtmatig

Rechtbank

Rechtbank

Case Summary

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/415198 / HZ ZA 23-46 Vonnis van 4 oktober 2023 in de zaak van [eiser] , te [plaats] . eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. R.H.J.M. Silvertand te Waalwijk tegen DE VOLKSBANK N.V., te Utrecht, gedaagde partij, hierna te noemen: Volksbank, advocaat: mr. M.H. Berrevoets te Utrecht. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 mei 2023, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 augustus 2023. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] , die in 2018 uit Indonesië kwam, wilde een baan zoeken en een woning kopen in Nederland. Op 19 juli 2018 heeft [eiser] een conceptkoopovereenkomst ontvangen voor een woning, gelegen aan de [adres+plaats] (hierna: de woning). Op diezelfde dag heeft zij, met het oog op de financiering van de woning en bijgestaan door een financieel dienstverlener, de heer [betrokkene 1] van [bedrijf 1] , een aanvraag ingediend ter verkrijging van een hypothecaire geldlening ter hoogte van in totaal € 475.000,- bij BLG Wonen, onderdeel van Volksbank. 2.2. Op 20 juli 2018 heeft Volksbank aan [eiser] een document genaamd "Hypotheek uitgangspunten" toegezonden, waarin informatie is verstrekt over de hypotheek. Daarbij heeft de Volksbank geëxpliciteerd welke documenten en gegevens zij nog nodig heeft om te beoordelen of [eiser] in aanmerking komt voor een offerte. In het document staat vermeld dat het geen offerte is en ook geen garantie dat er geld wordt geleend. Er wordt verwezen naar de Algemene voorwaarden Hypotheken versie [nummer] en de Algemene Bankvoorwaarden, welke voorwaarden als bijlagen zijn bijgevoegd en van toepassing zijn verklaard. 2.3. Op 25 juli 2018 heeft [eiser] de woning gekocht voor een koopsom van € 380.300,-. In de koopovereenkomst is een financieringsvoorbehoud opgenomen voor het geval [eiser] op uiterlijk 17 augustus niet over een bindend hypotheekaanbod zou beschikken. 2.4. Op 30 juli 2018 heeft [eiser] het document "Hypotheek uitgangspunten'' ondertekend. Ter verdere beoordeling door Volksbank heeft [eiser] onder meer een werkgeversverklaring van 27 juni 2018, loonstroken van juni en juli 2018 en een schenkingsovereenkomst tussen [eiser] en haar moeder aan Volksbank verstrekt. 2.5. In de werkgeversverklaring staat vermeld dat [eiser] op 1 juni 2018 voor onbepaalde tijd in vaste dienst is getreden bij [bedrijf 2] , zonder proeftijd en tegen een bruto jaarsalaris van € 84.000,00 exclusief vakantiegeld. 2.6. In de schenkingsovereenkomst van 3 augustus 2018 staat enerzijds dat een bedrag van € 33.000,00 is geschonken door de moeder van [eiser] aan [eiser] , anderzijds is vermeld dat uiterlijk op 19 augustus 2018 een bedrag van € 33.000,- zou worden overgemaakt op de bankrekening van [eiser] . 2.7. Op 9 augustus 2018 heeft Volksbank, in verband met de korte duur van het dienstverband, [eiser] verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken. De financieel dienstverlener [betrokkene 1] , heeft in een e-mail van 9 augustus 2018 aan [eiser] geschreven: “Hoi, Bank doet wat lastig over het korte dienstverband en geen proeftijd. Men wil graag een cv zien, heb je die? Heb je de jaren hiervoor in loondienst gewerkt? Dan is een uitdraai UWV wellicht voldoende. Tevens wil men de eigen middelen zien, ook van de schenking. Is het mogelijk dut je ouders een overzicht (vertrouwelijk) van de totale gelden sturen? Ik kan de extra lening niet gebruiken, pas als de lening rond is.” 2.8. Op 10 augustus 2018 heeft [betrokkene 1] in een e-mail aan [eiser] laten weten: “Voor de duidelijkheid: als dit door gaat zal je dus eerst ca 32/33000 moeten storten, later kunnen we de extra lening proberen, dat doe ik meteen na akkoord.” [eiser] heeft deze e-mail op 10 augustus 2018 als volgt beantwoord: “Het is geen optie om nog 20.000 euro nog extra van mijn ouders te krijgen met het risico dat ik het e niet terug kan geven…” en: “Ik dacht namelijk dat alleen een schenkingscontract voldoende was…” [betrokkene 1] heeft in reactie op de e-mail van [eiser] ook op 10 augustus 2018 het navolgende aan [eiser] geschreven: “Probleem is dat je bij passeren die 32000 moet hebben... ik denk nu even wachten op blg en dan vraag ik direct lening aan, uitstel is dan wel handig” 2.9. Op 13 augustus 2018 heeft Volksbank een hypotheekofferte aan [eiser] uitgebracht. 2.10. Op 15 augustus 2018 heeft [eiser] de hypotheekofferte voor akkoord ondertekend. In deze offerte is – onder meer – opgenomen: “Heeft u een doorlopend krediet of persoonlijke lening? Doordat u hier maandelijks een bedrag voor betaalt om af te lossen, blijft er minder geld over om te wonen. Bij het bepalen van het bedrag dat u kunt lenen voor uw woning, wegen we daarom de totaalsom van uw doorlopend krediet of persoonlijke lening mee als verplichting.” (…) “Let op: sluit voordat u uw hypotheekakte ondertekent geen nieuwe leningen zonder onze toestemming. (…).” en: “G. Waar gaat u mee akkoord?” (…) “De volgende voorwaarden zijn van toepassing:  De voorwaarden in deze offerte  De algemene bankvoorwaarden  De algemene voorwaarden BLG Wonen Hypotheken versie [nummer] .” (…) “ Juistheid en volledige informatie U zegt dat de gegevens die we van u hebben ontvangen en nog gaan ontvangen kloppen en volledig zijn.” 2.11. In artikel 2 lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden is het volgende bepaald: “U bent zorgvuldig tegenover ons en houdt zo goed mogelijk rekening met onze belangen. U werkt eraan mee dat wij onze dienstverlening correct kunnen uitvoeren en aan onze verplichtingen kunnen voldoen. Hiermee bedoelen wij niet alleen onze verplichtingen tegenover u, maar bijvoorbeeld ook verplichtingen tegenover toezichthouders of fiscale of andere (nationale, internationale of supranationale) autoriteiten. U geeft ons, als wij daarom vragen, de informatie en documentatie die wij daarvoor nodig hebben. Als het u duidelijk moet zijn dat wij die informatie of documentatie nodig hebben, geeft u die uit uzelf. U mag onze diensten of producten alleen gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld en hiervan geen misbruik (laten) maken. Denkt u bijvoorbeeld aan strafbare feiten of activiteiten die schadelijk zijn voor ons of onze reputatie of die de werking en betrouwbaarheid van het financiële stelsel kunnen schaden.” 2.12. In artikel 3 van de Algemene Bankvoorwaarden is opgenomen: “1. Banken hebben een sleutelrol in het nationale en internationale financiële stelsel. Helaas wordt onze dienstverlening soms misbruikt, bijvoorbeeld voor het witwassen van geld. Wij willen misbruik voorkomen en moeten dit volgens de wet ook doen. Wij hebben hiervoor intonatie van u nodig. De informatie kan bijvoorbeeld ook nodig zijn voor de beoordeling van onze risico’s of het goede verloop van onze dienstverlening. Daarom informeert u ons, als wij dat vragen, in ieder geval over: a) uw activiteiten en doeleinden b) waarom u een product of dienst van ons afneemt of wilt afnemen c) Hoe u bent gekomen aan geld, waardepapieren of andere zaken die u bij ons of via ons onderbrengt. (…) 2. U werkt eraan mee dat wij de informatie kunnen controleren. Bij gebruik van de informatie houden wij ons aan de geldende privacyregelgeving.” 2.13. In de artikelen 11 en 12 van de algemene voorwaarden BLG Wonen Hypotheken versie [nummer] (hierna: de algemene voorwaarden BLG) is bepaald in welke gevallen de klant de bank moet informeren en in welke gevallen de bank de lening kan opeisen: “In de volgende gevallen moet u zelf meteen contact met ons opnemen  Als er iets gebeurt waardoor u de hypotheek misschien niet of niet op tijd kunt betalen.” “ U heeft ons onjuiste gegevens gegeven die voor het geven van de lening belangrijk zijn verzwegen. Dat geldt ook als de lening al ingegaan is.” en: “ Wij vinden dat onze relatie met u een gevaar is of kan zijn voor de integriteit of de reputatie van de financiële sector of ons. Bijvoorbeeld als we vermoeden dat u fraudeert of als onze goede naam of die van andere financiële instellingen worden aangetast of kan worden aangetast.” 2.14. Op 23 augustus 2018 heeft DEF AM, een kredietverstrekker, een door [eiser] aangevraagde geldlening ter hoogte van € 20.000,- aan haar uitbetaald. 2.15. Op 6 september 2018 is gelijktijdig met de levering van de woning de hypotheekakte gepasseerd op grond waarvan Volksbank een recht van hypotheek heeft gekregen op de woning van [eiser] . 2.16. Bij “beëindigingsovereenkomst dienstverband”, op 14 september 2018 ondertekend door [eiser] en haar werkgever, is de arbeidsovereenkomst van [eiser] met wederzijds goedvinden met terugwerkende kracht tegen 1 augustus 2018 beëindigd. In artikel 4.5. van de beëindigingsovereenkomst is – onder meer – opgenomen: “De werkgever stelt uiterlijk 1 oktober 2018 de financiële eindafrekening van het dienstverband op.” 2.17. Bij brief van 25 juli 2022 heeft Volksbank [eiser] medegedeeld dat zij in het kader van onderzoek naar haar risicoprofiel stukken wenste te ontvangen, waaronder kopieën van haar UWV-verzekeringsbericht, stukken met betrekking tot het dienstverband bij [bedrijf 2] en van haar salarisspecificaties vanaf 1 juni 2018. 2.18. Nadat [eiser] in reactie op de brief van 25 juli 2022 informatie aan Volksbank had verstrekt, heeft Volksbank haar bij brief van 15 augustus 2022 – onder meer – als volgt bericht: “Uit het door u aangeleverde UWV Verzekeringsbericht is gebleken dat u in de periode 1 juni 2018 t/m 31 juli 2018 werkzaam bent geweest bij [bedrijf 3] (waartoe [bedrijf 2] behoort). Uit uw UWV Verzekeringsbericht blijkt dat u na 1 augustus 2018 tot 5 november 2018 geen inkomsten heeft gehad uit loondienst. Uit uw UWV Verzekeringsbericht blijkt dat u vanaf 5 november 2018 een aanzienlijk lager inkomen heeft dan het inkomen dat u opgegeven heeft bij uw hypotheekaanvraag. (…) Graag ontvang ik van u een verklaring/uitleg met betrekking tot het niet doorgeven van uw werk- en inkomenssituatie (uitdiensttreding bij [bedrijf 2] ) per 1 augustus 2018 bij het tekenen van de hypotheekofferte op 15 augustus 2018 en hypotheekakte op 6 september 2018. Als wij dit hadden geweten hadden wij u de hypotheek niet verstrekt.” 2.19. Bij brief van 5 oktober 2022 heeft de afdeling Compliance, Veiligheidszaken & Operationeel Risico Management van Volksbank geschreven dat zij na onderzoek te hebben gedaan naar de situatie van [eiser] zich op basis daarvan op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] relevante informatie heeft verzwegen. In deze brief heeft Volksbank – onder meer – aan [eiser] medegedeeld: “Het gaat er in di onderzoek niet om of u, conform de door u getekende overeenkomst, uw maandelijkse lasten heeft voldaan en/of uw woning aan de [adres+plaats] een overwaarde heeft. Het gaat er hierom of er door u relevantie informatie is verzwegen en dat de Bank moet voldoen aan haar Zorgplicht en de Gedragscode Hypothecaire Financieringen van het Contractorgaan Hypothecaire Financieringen ter voorkoming van overkreditering: (…) U heeft van BLG Wonen 12 brieven ontvangen met betrekking tot betalingsachterstanden van 1 maand, 3 brieven met aanmaningen met betrekking tot betalingsachterstanden van 2 maanden en 2 brieven met sommaties met betrekking tot betalingsachterstanden van 3 maanden. (…) Totaal zijn er 17 brieven met betrekking tot betalingsachterstanden verstuurd en heeft u 10x aanmaningskosten moeten betalen wegens het niet tijdig voldoen van uw betalingsverplichting. (…) U heeft geen melding gemaakt van het feit dat uw dienstverband bij [bedrijf 2] per 31-07-2018 is beëindigd. Uitgaande van uw inkomstensituatie die per 01-08-2018 van toepassing was en het krediet dat u bij DEFAM heeft afgesloten had BLG Wonen u de hypotheek niet verstrekt. Door verwijzing van het einde van uw dienstverband bij [bedrijf 2] en de kredietaanvraag bij DEFAM heeft u relevante informatie achtergehouden die er anders toe had geleid dat BLG Wonen de hypothecaire geldlening niet aan u zou verstrekken. Gezien de verwijzing van het einde van uw dienstverband heeft u in strijd gehandeld met uw Zorgplicht conform de Algemene Bankvoorwaarden en de Algemene Voorwaarden Hypotheken BLG Wonen en is ons advies aan de afdeling Bijzonder Beheer om uw hypothecaire geldlening op te eisen en de klantrelatie te beëindigen. (…) Om reden van genoemde verwijzing zullen wij uw persoonsgegevens opnemen in het Externe Verwijzingsregister.” 2.20. Bij afzonderlijke brief van 5 oktober 2022 heeft de afdeling Veiligheidszaken van Volksbank aan [eiser] medegedeeld dat haar persoonsgegeven zijn opgenomen in de gebeurtenissenadministratie, het daaraan gekoppelde intern verwijzingsregister, het Incidentenregister (IVR) en het daaraan gekoppelde extern verwijzingsregister (EVR) van Volksbank met een toelichting op de inhoud van deze administratie/registers en de consequenties daarvan voor [eiser] . 2.21. In de begrippenlijst van artikel 2 van het Protocol Incidenten- waarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2013 (hierna: PIFI) is opgenomen dat een incident een gebeurtenis is die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota's, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding. 2.22. In artikel 3.1.1. PIFI is bepaald: “Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister. In het Incidentenregister worden door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen vastgesteld ten behoeve van het in artikel 4.1. Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) incident.” 2.23. In artikel 4.1.1 is het doel van het Incidentenregister opgenomen en daarin is bepaald: “Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren: Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:  op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers:” (…) 2.24. In artikel 5.2.1. PIFI is het navolgende bepaald: “De deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister. a. De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector. In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar. Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijke nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.” 2.25. In het kader van deze gerechtelijke procedure hebben Volksbank en [eiser] procesafspraken gemaakt die inhouden dat Volksbank gedurende de looptijd van deze procedure niet over zal gaan tot opzegging van de hypotheekovereenkomst, maar Volksbank heeft verklaard voornemens te zijn tot opzegging over te gaan. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. artikel 12 van de Algemene Voorwaarden BLG Wonen vernietigt op de voet van artikel 3:40 BW, althans op de voet van artikel 6:233 BW vanwege strijd met artikel 7:125 BW, II. Volksbank verbiedt de overeenkomst te beëindigen vanwege onjuiste en onvolledige informatie met betrekking tot de kredietwaardigheid indien en voor zover die informatie eerst na de totstandkoming van de kredietovereenkomst bekend is geworden, III. Volksbank beveelt de registratie van [eiser] in het incidentenregister, het IVR en het EVR te schrappen en geschrapt te houden, IV. voor recht verklaart dat Volksbank onrechtmatig heeft gehandeld, althans misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door het combineren van een fraudeonderzoek en een Wwft-onderzoek en het mengen van de onderzoeksresultaten in die beide onderzoeken, V. voor recht verklaart dat Volksbank onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij haar onderzoek heeft uitgevoerd in strijd met de zorgvuldigheid zoals neergelegd in de Gedragscode, VI. Volksbank beveelt om binnen 7 dagen na heden alle gegevens die zij ten aanzien van [eiser] heeft verzameld in het kader van het gecombineerde Wwft/ 7:125 BW onderzoek te wissen en gewist te houden, althans Volksbank beveelt dat zij de gegevens die zij in het kader van het fraudeonderzoek heeft verzameld op een dergelijke wijze bewaart en administreert dat die niet beschikbaar komen voor de nationale politie indien die een verzoek ex. artikel 17 Wwft aan Volksbank richten ten aanzien van [eiser] , VII. Volksbank in de proceskosten veroordeelt. 3.2. [eiser] legt aan de vordering tot vernietiging van artikel 12 van de algemene voorwaarden BLG ten grondslag dat dit artikel in strijd is met de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 7:125 BW, dan wel dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Aan haar tweede vordering legt [eiser] ten grondslag dat Volksbank gehouden is de hypotheekovereenkomst na te komen, nu van een tekortkoming aan de zijde van [eiser] niet is gebleken. Omdat door haar bij het aangaan van de hypotheekovereenkomst geen onjuiste informatie is verstrekt of informatie is verzwegen, komt Volksbank geen opzeggingsbevoegdheid toe. Opzeggen zou bovendien een onrechtmatige daad opleveren jegens [eiser] en haar kinderen. Registratie van de NAW-gegevens in het incidentenregister, het IVR en het EVR mag alleen plaatsvinden indien sprake is van een ernstig incident, zoals een strafbaar feit waarbij meer dan een redelijk vermoeden van schuld is komen vast te staan. Nu daar in de onderhavige zaak geen sprake van is, mist de registratie een juridische grondslag, zodat deze registraties verwijderd dienen te worden, aldus [eiser] . Zowel aan de vierde, vijfde als zesde vordering legt [eiser] ten grondslag dat sprake is van onrechtmatig handelen door Volksbank. 3.3. Volksbank voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. In de kern stelt [eiser] dat zij bij de aanvraag van het krediet in 2018 nimmer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt aan Volksbank, laat staan dat zij fraude heeft gepleegd of valsheid in geschrifte. Door desondanks in 2022 een fraude -of Wwft­ onderzoek naar haar te starten en haar gegevens te registreren in onder meer het Incidentenregister, terwijl Volksbank ook dreigt met opzegging van de kredietovereenkomst, handelt zij onrechtmatig, aldus [eiser] . Nu Volksbank dit betwist, zal worden beoordeeld of sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie. 4.2. Met het oog op de aanschaf van de woning heeft [eiser] , via haar financieel adviseur, een aanvraag voor een hypotheek ter hoogte van € 475.000,- gedaan bij Volksbank. Op 20 juli 2018 heeft zij van Volksbank het document "Hypotheek uitgangspunten'' ontvangen (zie 2.2.). Anders dan [eiser] in de dagvaarding heeft gesteld, is dit document geen offerte voor een hypotheek, maar uitsluitend informatie over de gewenste hypotheek en welke gegevens Volksbank nodig heeft om te kunnen beoordelen of [eiser] hiervoor in aanmerking komt. Op 25 juli 2018 tekende [eiser] de koopovereenkomst van de woning, met financieringsvoorbehoud, waarna zij op 30 juli 2018 de "Hypotheek uitgangspunten'' heeft ondertekend. De stelling van [eiser] dat met de ondertekening op 30 juli 2018 een overeenkomst van geldlening met Volksbank tot stand is gekomen houdt geen stand nu voormeld document niet de status heeft van een aanbod. Volksbank heeft op 13 augustus 2018 een hypotheekofferte uitgebracht, die op 15 augustus 2018 door [eiser] voor akkoord is ondertekend. Daarmee is op 15 augustus 2018 de overeenkomst van geldlening tot stand gekomen. De vraag is derhalve of Volksbank op 15 augustus 2018 over volledige en juiste informatie beschikte. Informatie over de arbeidsverhouding 4.3. [eiser] stelt dat zij in 2018 vanuit Indonesië naar Nederland is verhuisd en op zoek is gegaan naar werk en een woning. De zwager van [eiser] , de heer [betrokkene 2] heeft haar een baan aangeboden, welk aanbod door [eiser] is aanvaard. Uit de vervolgens tot stand gekomen arbeidsovereenkomst volgt dat [eiser] met ingang van 1 juni 2018 in dienst is getreden in de functie van General Manager bij [bedrijf 2] , een bedrijf dat wordt gerund door de heer [betrokkene 2] . Het betrof een fulltime dienstverband, zonder proeftijd, tegen een bruto salaris van € 7.000,00 per maand. Over het moment van uitbetaling van het salaris is n iets bepaald. Overeengekomen is dat de vakantietoeslag van 8% van het bruto jaarsalaris bij tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst naar rato zou worden uitbetaald. Verder is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst tussentijds opzegbaar was, waarbij een opzegtermijn van een maand in acht genomen zou moeten worden. De opzegging moest schriftelijk en aangetekend geschieden. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat zij in de maanden juni tot en met half september nagenoeg het volledige bedrijf zelfstandig runde. 4.4. Het salaris van juni 2018 is eerst op 10 juli 2018 aan [eiser] uitgekeerd. Het salaris van juli 2018 heeft zij op 2 augustus 2018 ontvangen. Op 15 augustus 20 18 heeft [eiser] een restantsalaris van de maanden juni en juli 2018 van € 164,64 ontvangen. Over de maand augustus is geen salaris uitgekeerd. De rechtbank stelt vast dat de loonbetaling aan [eiser] over de door haar gewerkte maanden juni, juli en augustus afwijkt van wat te doen gebruikelijk is en ook al zodanig in de wet is vastgelegd in artikel 7:623 BW, dat bepaalt dat de werkgever verplicht is het in geld naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan een week en niet langer is dan een maand. [eiser] heeft aan Volksbank in het kader van haar kredietaanvraag een loonstrook van 31 juli 2018 overgelegd waarop het einde van het dienstverband en de afrekening van het vakantiegeld niet stonden vermeld. Nadat Volksbank in 2022 aanvullende documenten bij [eiser] had opgevraagd in het kader van haar onderzoek naar [eiser] , is opnieuw een loonstrook van 31 juli 2018 overgelegd door of namens [eiser] . Op die loonstrook staat als datum uit dienst 31 juli 2018 vermeld en is de afrekening van het vakantiegeld opgenomen. Er zijn derhalve twee verschillende loonstroken van de maand juli 2018 aan Volksbank verstrekt. 4.5. Vervolgens is de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden op 14 september 2018, dus enkele dagen na het transporteren van de hypotheekakte, beëindigd. Uit de beëindigingsovereenkomst volgt dat [eiser] , door akkoord te gaan met de bepaling dat beëindiging plaats zou vinden met terugwerkende kracht, per 1 augustus 2018 uit dienst is getreden. De in de arbeidsovereenkomst overeengekomen opzegtermijn van een maand is derhalve niet in acht genomen. In de beëindigingsovereenkomst is overigens een ander brutosalaris opgenomen dan in de arbeidsovereenkomst en op de loonstroken is vermeld, te weten een brutosalaris van € 7.500,00 per maand. [eiser] heeft ter zitting geen afdoende verklaring voor dit verschil kunnen geven. Ter zitting heeft [eiser] voorts verklaard dat zij ondanks dat zij tot 14 september 2018 fulltime gewerkt heeft, zij voor de door haar verrichte werkzaamheden na 1 augustus 2018 geen salaris meer heeft ontvangen. Ook de eindafrekening, zoals die volgens artikel 4.5. van de beëindigingovereenkomst zou moeten plaatsvinden, heeft niet plaatsgevonden. [eiser] heeft afstand gedaan van haar recht op ontvangst van deze bedragen en is akkoord gegaan met de beëindiging van haar dienstverband met terugwerkende kracht omdat zij geen ruzie met haar zwager wilde, zo verklaarde zij ter zitting. Zij verwachtte bovendien in de toekomst weer voor hem te kunnen gaan werken. 4.6. [eiser] heeft verschillende verklaringen afgelegd over de reden van de beëindiging van het dienstverband. In de beëindigingsovereenkomst, die mede door haar is ondertekend, is vastgelegd dat het initiatief om het dienstverband te beëindigen bij de werkgever lag. In een e-mail van 23 augustus 2022 van [eiser] aan de heer [betrokkene 3] van Volksbank heeft [eiser] evenwel laten weten: ‘’ U vraagt om een verklaring/uitleg met betrekking tot het niet doorgeven van mijn werk/inkomens situatie per 1 augustus 2018. (…) Ook heb ik eerder voor het bedrijf [bedrijf 2] gewerkt. Toen was mijn vriend nog mede eigenaar waardoor ik wel werkzaamheden gedaan heb zonder salaris. In 2018 is mijn vriend uit dit bedrijf gestapt en toen heb ik de mogelijkheid gekregen om weer voor dit bedrijf te werken voor een salaris. Ik heb dit geprobeerd, maar het werkte helaas niet meer waardoor het dienstverband is beëindigd. ’’ Daarna heeft [eiser] – onbetwist want niet weersproken – telefonisch aan [betrokkene 3] een andere verklaring gegeven, vastgesteld in de e-mail van [betrokkene 3] van 5 oktober 2022 aan [eiser] : ‘’ In ons telefoongesprek op 11-08-2022 heeft u verklaard dat u maar een paar maanden heeft gewerkt bij [bedrijf 2] , omdat u zwanger was en een rustigere baan wilde. De (mede)eigenaar van uw werkgever [bedrijf 2] , de heer [betrokkene 2] , heeft op 05-09-2022 verklaard dat uw arbeidsovereenkomst is beëindigd omdat u, door het niet doorgaan van een deal, een te grote onkostenpost en overbodig werd. ’’ Op 5 september 2022 heeft de voormalig werkgever van [eiser] verklaard dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd omdat [eiser] door het niet doorgaan van een deal een te grote onkostenpost en overbodig werd. Ter zitting is deze verklaring aanvankelijk door [eiser] bevestigd. Door [eiser] zijn echter e-mails in het geding gebracht, waaruit niet is gebleken dat ‘de deal’ niet is doorgegaan, maar waarin wordt bevestigd dat een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [bedrijf 2] en de [bedrijf 4] . Bij e-mail van 4 augustus 2018 heeft [bedrijf 4] immers aan [betrokkene 2] geschreven: ‘’ Met onderstaande varianten willen wij gaar beginnen. (…) Mbt de categorie fam. planning hier zal [betrokkene 4] op terugkomen. ’’ Hiermee geconfronteerd heeft [eiser] vervolgens ter zitting verklaard dat voornoemde deal zodanig klein geworden was, dat zij overbodig was geworden als werknemer van [bedrijf 2] 4.7. Wat er ook zij van de stukken die meer dan schreeuwen om een deugdelijke verklaring, vast staat dat [eiser] op 15 augustus 2018, de datum waarop de kredietovereenkomst tot stand kwam, geen inkomsten uit arbeid genoot. 4.8. Vast staat ook dat [eiser] na 15 augustus 2018 van het beëindigen van haar dienstverband geen mededeling aan Volksbank heeft gedaan. Zij heeft gesteld dat zij niet gehouden was Volksbank op de hoogte te stellen, omdat het informatie betrof die na het aangaan van de kredietovereenkomst bekend is geworden. Welke informatie met Volksbank is gedeeld met betrekking tot het aangaan van de hypotheekovereenkomst, moet volgens haar ex tunc worden getoetst. Nadien bekend geworden informatie kan hier niet bij betrokken worden, aldus [eiser] . 4.9. De rechtbank volgt [eiser] niet in haar stelling dat zij niet gehouden was Volksbank te informeren over haar beëindigde dienstverband. In artikel 11 van de Algemene voorwaarden BLG Wonen Hypotheken is onder het kopje ‘Wanneer moet u ons informeren?’ bepaald dat ‘als er iets gebeurt waardoor u de hypotheek misschien niet of niet op tijd kunt betalen.’, de klant meteen contact moet opnemen met de bank. Vast staat dat [eiser] met terugwerkende kracht tegen 1 augustus 2018 niet over inkomsten uit arbeid beschikte en dat zij pas op 5 november 2018 in dienst is getreden bij Young Capital met een loon dat ruim € 5.000,00 bruto per maand lager lag. Hieruit volgt dat zich de situatie voordeed dat zij mogelijk de hypothecaire lasten niet of niet op tijd kon voldoen. Het enkele feit dat zij de hypothecaire lasten heeft kunnen betalen dankzij betalingen door haar partner maakt dat niet anders. 4.10. Evenmin wordt [eiser] gevolgd in haar stelling dat zij niet wist dat zij Volksbank op de hoogte moest brengen van het einde van haar dienstverband. Door [eiser] is de correspondentie met [betrokkene 1] in het geding gebracht. In deze correspondentie heeft [betrokkene 1] aan [eiser] geschreven dat Volksbank twijfelde over de hypotheekverstrekking vanwege de korte duur van het dienstverband bij [bedrijf 2] Zij wist dus dat een (bestendig) dienstverband van belang was voor Volksbank. Hoewel [eiser] pas na het aangaan van de hypotheekovereenkomst is overgegaan tot ondertekening van de beëindigingsovereenkomst, is zij akkoord gegaan met een beëindiging met terugwerkende kracht en het niet betalen van salaris. Daarmee staat vast dat zij op 14 september 2018 wist dat zij ten tijde van het aangaan van de hypotheekovereenkomst geen inkomen uit arbeid meer had. 4.11. Door [eiser] is niet betwist dat de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing zijn op de hypotheekovereenkomst. De inspanningsverplichting van artikel 2 lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden brengt met zich dat [eiser] Volksbank onmiddellijk had moeten informeren over de gewijzigde omstandigheden met betrekking tot haar dienstverband, zeker nu deze omstandigheid zich voordeed binnen zeer korte tijd na het passeren van de leveringsakte van de woning. Informatie over eigen middelen en leningen 4.12. Een tweede vereiste voor het verstrekken van de hypotheek was, naast het hebben van een bestendig inkomen, het beschikken over eigen middelen van in ieder geval € 32.000,00. Vast staat dat [eiser] dit bedrag aan eigen middelen niet had. [eiser] heeft een schenkingsovereenkomst van 3 augustus 2018 aan Volksbank overgelegd waaruit bleek dat haar ouders een bedrag van € 33.000.00 aan haar hadden geschonken. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat dit bedrag niet aan [eiser] is geschonken, omdat zij deze schenking bij nader inzien niet aan wilde nemen. Zij heeft dit bedrag dan ook niet van haar ouders ontvangen. Om toch het krediet van Volksband te kunnen krijgen heeft [eiser] op 10 augustus 2018, door tussenkomst van [betrokkene 1] , een rekeningafschrift aan Volksbank overgelegd. Door Volksbank is aangevoerd en door [eiser] is niet betwist, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt, dat dit niet haar eigen rekeningafschrift betrof, maar een rekeningafschrift van haar ouders. Uit dit rekeningafschrift bleek derhalve niet van eigen middelen van [eiser] , maar van eigen middelen van haar ouders. Op basis van dit rekeningafschrift is Volksbank ervan uitgegaan dat [eiser] over de vereiste eigen middelen beschikte en is zij overgegaan tot het verstrekken van het krediet. 4.13. Ter zitting heeft [eiser] dan ook moeten erkennen dat zij op 15 augustus 2018 niet over de noodzakelijke eigen middelen, te weten een bedrag van € 32.000,00 op haar bankrekening, beschikte. De ter zitting ingenomen stelling dat [eiser] wel over eigen middelen had kunnen beschikken, doet daar niet aan af. Immers, de voorwaarde van Volksbank was het beschikken over eigen middelen en niet het kunnen beschikken over eigen middelen, Dat [eiser] niet aan Volksbank heeft medegedeeld dat zij geen € 32.000,­ op haar bankrekening had staan ten tijde van het aangaan van de hypotheekovereenkomst, staat niet tussen partijen ter discussie, zodat dit is komen vast te staan. 4.14. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] op de datum waarop zij de hypotheekovereenkomst met de Volksbank sloot, 15 augustus 2018, niet over de vereiste eigen financiële middelen op haar bankrekening beschikte. 4.15. [eiser] heeft in die periode een lening bij DEFAM aangevraagd. Op welk moment zij die lening heeft aangevraagd, kan niet worden vastgesteld omdat [eiser] de aanvraag en de overeenkomst met DEFAM niet heeft overgelegd. Vast staat wel dat [eiser] op 23 augustus 2018, dus kort na het aangaan van de hypotheekovereenkomst, van DEFAM een bedrag van € 20.000,00 heeft ontvangen. Ook heeft [eiser] – zo heeft zij zelf gesteld – een lening van € 4.000,00 afgesloten bij haar partner, [betrokkene 5] , en wel op 5 september 2018, dus daags voor het passeren van de hypotheekakte. Vervolgens heeft zij op 13 september 2018 nog een bedrag van € 5.000,00 geleend bij [betrokkene 5] . Van die leningen heeft zij geen melding gemaakt aan Volksbank. 4.16. [eiser] heeft gesteld dat de tussenpersoon [betrokkene 1] expliciet aan haar heeft geadviseerd dat het na het sluiten van de kredietovereenkomst mogelijk zou moeten zijn om een persoonlijke lening te sluiten en dat zij op dat advies mocht vertrouwen. Die stelling kan [eiser] niet baten nu dit onverlet laat dat zij ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst niet beschikte over het vereiste bedrag aan eigen middelen. 4.17. De slotsom is dus dat [eiser] achteraf bezien ten tijde van het sluiten van de hypotheekovereenkomst geen inkomsten uit arbeid had en geen eigen middelen bezat. Het behoeft geen uitleg dat zij onder die omstandigheden nimmer een krediet van Volksbank zou hebben gekregen, laat staan een krediet ter hoogte van € 475.000,00. 4.18. De rechtbank zal hierna bespreken wat dit betekent voor de door [eiser] ingestelde vorderingen. Vernietiging algemene voorwaarden? 4.19. Tussen partijen is niet in geschil dat de algemene voorwaarden BLG op de hypotheekovereenkomst van toepassing zijn. [eiser] werpt de vraag op of artikel 12 van die algemene voorwaarden in strijd is met de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 7:125 BW en op die grond, of op grond van artikel 6:233 BW, vernietigd moet worden. 4.20. Vast staat dat Volksbank tot op heden niet tot opzegging van de hypotheekovereenkomst en evenmin tot het opeisen van de geldlening is overgegaan. Niet gebleken is derhalve dat Volksbank een beroep doet op artikel 12 van de algemene voorwaarden BLG. Gesteld noch gebleken is welk belang [eiser] heeft bij haar vordering tot vernietiging van deze bepaling, zodat de vordering, bij gebrek aan belang, zal worden afgewezen. Verbod tot beëindigen van de hypotheekovereenkomst? 4.21. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [eiser] ten tijde van het sluiten van de hypotheekovereenkomst op 15 augustus 2018 geen inkomen uit arbeid had en dat zij niet beschikte over de vereiste financiële middelen. Eveneens is komen vast te staan dat zij hiervan geen mededeling heeft gedaan aan Volksbank. [eiser] heeft bij het aangaan van de overeenkomst bewust onjuiste informatie verstrekt door een rekeningafschrift van haar ouders over te leggen en relevante informatie verzwegen door geen mededeling te doen van het gebrek aan inkomen en eigen middelen. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor een verbod voor Volksbank om gebruik te maken van haar discretionaire opzeggingsbevoegdheid, zodat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. 4.22. Voor zover [eiser] heeft gesteld dat opzegging in strijd is met artikel 8 EVRM, vanwege een dreigende schending van het woonrecht van haar kinderen, komt de rechtbank aan een beoordeling daarvan niet toe. De toets die de rechtbank aan dient te leggen bij deze stand van zaken, waar (nog) geen opzegging heeft plaatsgevonden, is of er reden is de bank te verbieden van haar opzeggingsbevoegdheid gebruik te maken. Aan een belangenafweging met betrekking tot de opzegging kan eerst dan worden toegekomen indien Volksbank daadwerkelijk tot opzegging van de kredietovereenkomst is overgegaan. Schrappen registratie incidentenregister, IVR en EVR? 4.23. [eiser] verwijt Volksbank dat het onderzoek naar haar onrechtmatig is -onder meer­ omdat Volksbank ten onrechte een Wwft- en een fraudeonderzoek heeft gecombineerd. Zij stelt dat Volksbank haar en haar voormalig werkgever in 2022 bewust op het verkeerde been heeft gezet door te suggereren dat een onderzoek werd verricht op grond van de Wwft terwijl de vragen in feite betrekking hadden op een fraudeonderzoek. 4.24. Volksbank brengt hier tegenin dat zij op grond van de Wft en de Wwft gehouden is om een cliëntenonderzoek te verrichten met het oog op het voorkomen van overkreditering. Er is volgens haar geen sprake van een verboden ‘gecombineerd’ onderzoek. 4.25. Door Volksbank is onbetwist gesteld dat het dossier van [eiser] bij een interne controle van de bank naar voren kwam vanwege betalingsachterstanden. Hoewel [eiser] heeft betwist dat sprake was van betalingsachterstanden, heeft zij erkend dat er tweemaal sprake was van een achterstand, dat er 12 brieven over de betalingsachterstanden zijn verzonden en dat zij gebruik heeft gemaakt van de coulanceregeling in Corona-tijd. Daarmee staat vast dat sprake was van meerdere betalingsachterstanden. Vervolgens, zo heeft Volksbank onbetwist gesteld, is de afdeling Veiligheidszaken van de bank vanwege het korte dienstverband van [eiser] onderzoek gaan doen waar meerdere fraudesignalen uit voort kwamen. Nu de rechtbank heeft overwogen dat [eiser] de bank onjuist heeft voorgelicht over haar inkomsten uit arbeid en haar eigen middelen, was het doen van onderzoek door Volksbank gerechtvaardigd. 4.26. Voor zover [eiser] nog heeft gesteld dat het onderzoek van Volksbank onzorgvuldig is geweest omdat Volksbank niet heeft gehandeld in overeenstemming met de Privacygedragscode, wordt die stelling verworpen nu de bank niet onder de werking van de Privacygedragscode sector particuliere onderzoeksbureaus valt. De stelling van [eiser] dat – kort gezegd – Volksbank onzorgvuldig heeft gehandeld doordat de informatie die zij heeft opgedaan in het Wwft onderzoek ook voor andere doeleinden is dan wel kan worden gebruikt, is door Volksbank betwist; zij gaat zorgvuldig om met de gegevens van [eiser] . De rechtbank ziet geen steun in de stukken voor het gestelde onzorgvuldig handelen en [eiser] heeft naar aanleiding van het verweer deze stelling ook niet nader onderbouwd. 4.27. Bij akte uitlating tussenvonnis, akte inbreng producties heeft [eiser] meer specifiek gesteld dat Volksbank onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar omdat [betrokkene 3] van Volksbank aan een derde, OHRA, melding heeft gemaakt van een incident, zonder haar (deugdelijk) in de gelegenheid te stellen tot het geven van wederhoor. Bij e-mail van 16 augustus 2022 heeft [betrokkene 3] aan OHRA geschreven: ‘’ (…) De aanleiding van ons onderzoek is dat onze afdeling RISK heeft geconstateerd dat er na het passeren van de hypotheek bij de notaris snel en regelmatig terugkerende betalingsachterstanden ontstonden en er verzocht werd om een betalingsregeling te treffen. De afdeling RISK heeft ons verzocht het hypotheekdossier te onderzoeken. Wij hebben geconstateerd dat er sprake is van een incident met betrekking tot het door haar opgegeven dienstverband en de aangeleverde documenten en mevrouw [eiser] gaat opgenomen worden in het incidenten- en externe verwijzingsregister. (…) ’’ Zoals hiervoor is overwogen, heeft Volksbank zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een incident door het niet verstrekken van juiste en volledige informatie. Evenmin is sprake van het schenden van hoor- en wederhoor. Volksbank heeft [eiser] reeds bij brief van 25 juli 2022 verzocht om stukken met betrekking tot het dienstverband bij [bedrijf 2] over te leggen (zie rechtsoverweging 2.17) en daarna nog een keer bij brief van 11 augustus 2022. 4.28. Los van het verwijt dat Volksbank onrechtmatig heeft gehandeld, stelt [eiser] dat Volksbank haar ten onrechte heeft opgenomen in de gebeurtenissenadministratie, het incidentenregister (IVR) en het extern verwijzingsregister (EVR). 4.29. De gebeurtenissenadministratie van Volksbank is het onderdeel van de klantadministratie waarin gebeurtenissen worden vastgelegd die van belang kunnen zijn voor de veiligheid en integriteit van Volksbank. De werking van de gebeurtenissenadministratie en het intern verwijzingsregister is, zoals door Volksbank onweersproken aangevoerd, bij Volksbank vergelijkbaar. De rechtbank zal daarom de registratie in de gebeurtenissenadministratie en het IVR gezamenlijk behandelen. 4.30. Voor opname in een register krachtens het PIFI is vereist dat sprake is van een incident volgens de daarin gegeven definitie van artikel 2 PIFI. Die definitie houdt in dat een incident een gebeurtenis is die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota's, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding. Ten aanzien van verdere eisen die aan registratie van incidenten worden gesteld maakt het PIFI onderscheid tussen opname van incidenten in het incidentenregister (IVR) en in het extern verwijzingsregister (EVR). 4.31. Aan opname aan het (interne) Incidentenregister stelt het PIFI geen andere eis dan de voorwaarde dat sprake is van een incident. Blijkens het PIFI (artikel 4.1.1) is het doel van het incidentenregister juist mede het onderzoeken van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van -kort gezegd- de financiële instelling en haar branche, dus ook het onderzoeken van gedragingen die nog niet “in voldoende mate vaststaan’’. Ook al tijdens onderzoek naar mogelijke incidenten is opname in het register geoorloofd. Voldoende is dus in beginsel dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dusdanig vermoeden opleveren van een incident, dat dit nader onderzoek rechtvaardigt. 4.32. Nu de rechtbank in het voorgaande reeds heeft geoordeeld dat [eiser] niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan ten tijde van het aangaan van de hypotheekovereenkomst, is sprake van een incident dat registratie in de gebeurtenissenadministratie en het IVR rechtvaardigt. 4.33. Artikel 5.2.1 PIFI bepaalt wanneer registratie in het EVR kan plaatsvinden. De bank dient de verwijzingsgegevens van een persoon op te nemen in het EVR als de gedragingen van die persoon, kort samengevat, een bedreiging kunnen vormen voor de financiële belangen, in voldoende mate vaststaat dat de persoon betrokken is bij die gedragingen en het proportionaliteitsbeginsel in acht wordt genomen. Het niet verstrekken van de juiste (inkomens)gegevens vormt in dit geval een bedreiging voor de financiële belangen van Volksbank, omdat zij het risico op overkreditering heeft gelopen. Vast staat immer dat Volksbank, indien zij uitgegaan was van de juiste gegevens (geen inkomen en geen eigen middelen), geen hypotheeklening zou hebben verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat er een incident heeft plaatsgevonden dat een bedreiging vormt voor de financiële belangen van Volksbank, waarbij [eiser] betrokken is, zodat in dit geval het belang van opname in het EVR prevaleert boven de mogelijke nadelige gevolgen voor [eiser] , die bovendien niet zijn gesteld of gebleken. 4.34. [eiser] heeft gesteld dat of sprake is van een incident beoordeeld dient te worden op basis van de melding van registratie van 5 oktober 2022 en dat op basis van uitsluitend de in die brief genoemde grondslag de registratie beoordeeld dient te worden. De rechtbank volgt [eiser] niet in deze stelling, nu de door [eiser] bepleite toepassing van het ‘’fixatiebeginsel’’ bij registraties als de onderhavige geen steun vindt in het recht. Met deze stelling erkent [eiser] bovendien dat de Volksbank in de brief van 5 oktober 2022 melding heeft gemaakt van de registratie, zodat de stelling dat de Volksbank de registratie niet gemeld heeft terwijl zij daartoe wel verplicht was, niet opgaat. 4.35. De rechtbank concludeert dan ook dat de registraties in zowel het EVR als het IVR en het incidentenregister voldoen aan de registratievereisten. De vordering strekkende tot het schrappen en geschrapt houden van de registratie van [eiser] in voormelde registers zal dan ook worden afgewezen. Ook de vorderingen tot het voor recht verklaren dat Volksbank onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en de vordering strekkende tot het wissen van onderzoeksgegevens zullen worden afgewezen. Proceskosten 4.36. [eiser] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Volksbank als volgt vastgesteld: - griffierecht € 676,00 - salaris advocaat € 1.495,00 (2,5 punt × € 598,00) Totaal € 2.171,00 4.37. De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. 5. De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af. 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Volksbank tot dit vonnis vastgesteld op € 2.171,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling. 5.3 veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: - € 173,00 aan salaris advocaat, - te vermeerderen met € 90,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten als [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, - en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling, 5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk, mr. A.J.J.M. Weijnen en mr. W. Oosterbaan-van Veen en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2023. WO/KH/AW