EVR registratie mag gehandhaafd blijven.
Rechtbank
Case Summary
vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Lelystad zaaknummer / rolnummer: C/16/511638 / KL ZA 20-299 Vonnis in kort geding van 21 december 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. A.J.A. van Dijk te Almere, tegen de naamloze vennootschap VOLKSBANK N.V., gevestigd te Utrecht , gedaagde, advocaat mr. M.H. Berrevoets te Utrecht. Partijen zullen hierna [eiser] en Volksbank genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met 10 producties de producties 1 tot en met 35 van Volksbank de nagekomen producties 11 tot en met 18 van [eiser] de pleitnota van [eiser] de pleitnota van Volksbank de mondelinge behandeling van 14 december 2020. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] heeft in 2018 een offerte voor een hypotheek aangevraagd bij Volksbank in verband met zijn voorgenomen aankoop van een woning. Bij zijn aanvraag heeft [eiser] stukken verstrekt, waaronder: - salarisspecificaties over de maanden mei tot en met oktober 2018, waarop staat vermeld dat [eiser] per 30 april 2018 in dienst is getreden bij de vennootschap [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ), een werkgeversverklaring, ondertekend op 25 oktober 2018 door de heer [A] (hierna: [A] ) van [onderneming 1] , waarin staat dat [eiser] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft tot 30 april 2019, dat er geen voornemens zijn het dienstverband binnenkort te beëindigen en dat [eiser] een bruto jaarsalaris heeft van € 42.000,00 met een vakantietoeslag van € 3.360,00, een brief van [A] waarin onder meer het volgende wordt vermeld: "(...) Je begin salaris was € 1700,00 per maand, dit was een salaris/ vergoeding voor je proefijd en stage. Na evaluatie hebben wij afgesproken datje per 1 augustus 2018 een loonsverhoging zou krijgen. Je nieuwe salaris ingaande 1 aug 2018 is € 3500,00 bruto per maand. (...)" Een gelijkluidende bevestiging van het salaris is op 23 oktober 2018 per e-mail aan [eiser] verzonden door de heer [B] ( [B] ), directeur van de vennootschap [onderneming 2] B.V. (hierna: [onderneming 2] ), waar [eiser] zijn werkzaamheden uitvoerde. 2.2. Volksbank heeft op 20 november 2018 de hypotheekofferte verstrekt aan [eiser] . Na acceptatie van de hypotheekofferte door [eiser] zijn de hypotheek- en leveringsakten op 10 december 2018 ten overstaan van de notaris gepasseerd. 2.3. Op 28 november 2018 is vanuit [onderneming 1] een bedrag van € 2.038,65 bijgeschreven op de bankrekening van [eiser] met de omschrijving: "Loon november + vakantiegeld". Vervolgens is op 10 december 2018 vanuit [onderneming 1] een bedrag van € 195,01 bijgeschreven op de bankrekening van [eiser] met de omschrijving: "uitbetalen resterende uren". 2.4. Volksbank is in augustus 2019 een onderzoek gestart naar [eiser] en heeft geconstateerd dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] met [onderneming 1] per 30 november 2018 als beëindigd is geregistreerd bij onder andere het UWV. De heer [C] (hierna: [C] ), [functie] bij Volksbank , is vervolgens gaan onderzoeken hoe en per wanneer de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [onderneming 1] is beëindigd en of dit mogelijk ten tijde van het passeren van de hypotheekakte op 10 december 2018 reeds het geval was. [C] heeft onder meer navraag gedaan bij [eiser] , de heer [D] (hierna: [D] ), salarisadministrateur bij [onderneming 1] , [A] en [B] . 2.5. In reactie op het verzoek van [C] om informatie over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] schrijft [D] op 24 oktober 2019 onder andere: '"(...) De heer [eiser] is in de periode 30 april tot en met 30 november 2018 in loondienst geweest bij werkgever. De werknemer had inderdaad een jaarcontract tm 30 april 2019. Is echter eerder gestopt. (...) 6. Bruto salaris per 30-04-2018 € 2.018,76 x 84,21% dienstverband (...) Bruto salaris per 01-08-2019 (de voorzieningenrechter begrijpt dat hier 2018 wordt bedoeld) € 3.500,00 x 100% dienstverband Verhoging in verband met meer verantwoording/waardering en 100% dienstverband. (...) " 2.6. Op het verzoek om informatie van [C] heeft [eiser] op 20 november 2019 als volgt gereageerd: "(...) Ten tijde van de ondertekening van de hypotheekovereenkomst wat het nog niet bekend dat de dienstbetrekking met [onderneming 1] b.v. kort daaropvolgend zou eindigen. De betrekking is beëindigd na een gerezen en niet overbrugbaar verschil van inzicht omtrent de te verrichten werkzaamheden. Het feit dat de beëindiging niet is gemeld voorafgaande aan het passeren van de hypotheekakte is een gevolg van het gegeven dat ik er niet bij heb stil gestaan om dit te melden, noch afgezien van het feit dat het mij ook niet bekend was dat er op mij een verplichting rustte om daar een melding van te maken. (...)" 2.7. [C] heeft op 23 december 2019 onder meer het volgende geantwoord: "(...) Ons onderzoek betreft het niet nakomen van uw informatie- en zorgplicht om te melden dat u per 1 december 2018 geen inkomen meer had uit loondienst. Op basis van de toen ontstane situatie hadden wij een nieuwe beoordeling gemaakt. Uitgaande van uw inkomenssituatie die per 1 december 2018 van toepassing was hadden wij u de hypotheek niet verstrekt. (...) Gezien de verzwijging van het einde van uw dienstverband heeft u in strijd gehandeld met uw Zorgplicht conform de Algemene Bankvoorwaarden, de Algemene Voorwaarden van Geldlening van Hypotheekverlening en voorwaarden van de Stichting Nationale Hypotheek Garantie en is ons advies aan de afdeling Bijzonder Beheer om de hypothecaire geldlening op te eisen en de klantrelatie te beëindigen. (...) Om reden van genoemde verzwijging zullen wij uw gegevens opnemen in het Externe Verwijzingsregister. (...)" 2.8. Op 31 december 2019 heeft [C] namens Volksbank een brief verzonden aan [eiser] waarin onder meer het volgende is vermeld: " (...) U ontvangt deze brief omdat uw persoonsgegevens zijn opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister van de Volksbank NV (...) U bent geregistreerd omdat voldoende aannemelijk is geworden dat u bij een incident betrokken bent of bent geweest. Tevens hebben wij vastgesteld dat voldaan is aan de opnamecriteria voor registratie in het Extern Verwijzingsregister. De reden van opname is dat u door verzwijging van de beëindiging van uw dienstverband tijdens het proces van uw hypotheekaanvraag tot en met het passeren van uw hypotheekakte bij de notaris, u in strijd heeft gehandeld met uw zorg- en informatieplicht (...). De duur van opname is 8 jaar vanaf dagtekening van deze brief (...) " 2.9. [eiser] heeft op 1 januari 2020 per brief en op 2 januari 2020 per e-mail bezwaar gemaakt tegen voormelde registratie van zijn persoonsgegevens en onder meer het volgende vermeld: "(...) Nogmaals wijs ik u er op dat ik niets verzwegen heb. Ik ben tot en met kerst 2018 op werk geweest. Na de kerst in 2018 is de arbeidsovereenkomst onverwacht beëindigd. Daarbij is overeengekomen dat er over de maand december geen loon zou worden uitgekeerd. Op 10 december 2018 was ik dus gewoon in dienst en moest ik vrij nemen om bij de notaris aanwezig te kunnen zijn. (...)" 2.10. [C] heeft op 6 januari 2020 aan [D] per e-mail verzocht om een nadere toelichting over de einddatum van het dienstverband van [eiser] , waarop [D] op 9 januari 2020 als volgt heeft gereageerd: "(...) Het dienstverband is eind december 2018 met wederzijds goedvinden beëindigd, wegens verschil van inzicht omrent de wijze waarop deze werknemer invulling aan zijn functie diende te geven. Voor 10 december 2018 hebben zich geen feiten/omstandigheden voorgedaan, die aanleiding gaven te veronderstellen dat het dienstverband op korte termijn zou eindigen. De werkgever is eind december 2018 met de werknemer overeengekomen dat er van elkaar afscheid wordt genomen met gesloten portemonnee, met dien verstande dat de werknemer afstand heeft gedaan van zijn loonaanspraak over de maand december 2018. Dit is de reden dat het dienstverband door per 1 december 2018 als geregistreerd is beëindigd. (...)" Vervolgens schrijft [D] op 17 februari 2020 onder meer het volgende: " (...) Uit recent door werkgever en werknemer verstrekte gegevens blijkt dat de werknemer op 21 december 2018 uit loondienst is getreden (...). De salarisverwerking is door ons in opdracht op basis van deze gegevens aangepast. (...) Gegevens zijn op 12 februari j.l. middels een losse correctie doorgegeven aan het UWV/Belastingdienst. (...)" 2.11. Op 24 februari 2020 heeft [D] aan [C] een aangepaste loonstrook van [eiser] over november 2018 gezonden. Op deze aangepaste loonstrook, waarop een einddatum van het dienstverband op 21 december 2018 is vermeld, is een brutoloon van € 3.500,00 en een nettoloon van € 2.233,66 opgenomen. Vervolgens heeft [D] op 12 augustus 2020 onder meer de authentieke loonstrook over november 2018 aan [C] toegezonden, waarop een einddatum van het dienstverband op 30 november 2018 is vermeld en een brutoloon van € 1.700,00 met een nettoloon van € 2.038,65 is opgenomen. 2.12. Op 25 juni 2020 en op 2 juli 2020 heeft [eiser] van de ABN Amro Bank afwijzingen ontvangen op verzoeken voor zakelijke rekeningen voor twee vennootschappen. In de afwijzingen wordt vermeld dat de bank de aanvragen "om haar moverende redenen" afwijst. 2.13. Op 2 juli 2020 heeft [eiser] een afwijzing van de ING Bank ontvangen op een verzoek voor een zakelijke rekening. Deze afwijzing is gebaseerd op de registratie van [eiser] in het verwijzingsregister. 2.14. [eiser] heeft een telefonisch bericht overgelegd van de mobiele bank "Bunq" waarin onder meer wordt vermeld: "Helaas kwamen we na een zorgvuldige beoordeling van uw registratie tot de conclusie dat u momenteel niet aan ons acceptatiebeleid voldoet". 2.15. In een op 17 augustus 2020 uitgedraaide verzekeringsbericht van het UWV over [eiser] is over de periode van 1 t/m 31 december 2018 "0" werkuren en € 0,00 aan Sv loon geregistreerd. 2.16. [A] heeft op 9 december 2020 een verklaring per e-mail verzonden aan [eiser] , waarin hij onder meer het volgende schrijft: "(...) Rond 20 december 2018 heeft de heer [eiser] mij naar aanleiding van een, verschil van mening omtrent invulling en uitvoering van zijn functie, medegedeeld dat hij het dienstverband met onmiddellijke ingang wilde beëindigen. Onderling hebben we op 21 december vastgesteld dat het dienstverband onmiddellijk beëindigd is waarbij [eiser] afstand deed van alle rechten en loon. (...) Wij hebben dan ook later zijn dienstverband hersteld en het dienstverband op 21 december '18 beëindigd. (...)" 2.17. [B] heeft op 9 december 2020 per e-mail [C] omtrent de reden van beëindiging van de werkzaamheden van [eiser] bij [onderneming 2] onder meer als volgt geïnformeerd: "(...) Te weinig omzet waardoor de kosten van hem te groot waren om door te gaan. (...)" En over het dienstverband meldt [B] op 10 december 2020 dat [eiser] vanuit een vast dienstverband bij [onderneming 1] op detacheringsbasis bij [onderneming 2] werkzaam was. 2.18. [eiser] heeft een verklaring van 10 december 2020 van de heer [E] (hierna: [E] ), meerderheidsaandeelouder van [onderneming 2] , gericht tot deze rechtbank overgelegd, waarin [E] onder meer het volgende verklaart: ''(...) Kort na indiensttreding van de heer [eiser] bij [onderneming 1] B.V., een vennootschap van [A (voornaam)] [ [A] , rechtbank], is [eiser (voornaam)] voor mijn vennootschap [onderneming 2] B.V. gaan werken. Hij is al die tijd echter vertoond via [onderneming 1] B.V. Het was dus een soort van detachering. (...) Ik weet dat [eiser (voornaam)] in december van 2018 onenigheid kreeg over zijn werk met zijn leidinggevende bij [onderneming 2] en dat hij toen rond de kerstdagen zijn arbeidscontract bij [onderneming 1] B.V. heeft beëindigd. (...) " Een grotendeels gelijkluidende verklaring heeft [E] per e-mail aan [C] gegeven op 11 december 2020. 2.19. Vanaf 15 januari 2020 hebben verschillende advocaten, waaronder mr. Van Dijk, namens [eiser] Volksbank verzocht de registratie van de persoonsgegevens van [eiser] te verwijderen en verwijderd te houden uit het Incidentenregister (hierna: IR) en uit het Extern verwijzingsregister (hierna: EVR). In de correspondentie is verwezen naar een vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [onderneming 1] , met datum van ondertekening 21 december 2018, waarin onder meer is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] per direct op 21 december 2018 is beëindigd, dat [eiser] afstand doet van openstaande posten en dat partijen elkaar finale kwijting hebben verleend. 2.20. Volksbank heeft de registratie van [eiser] in het IR en in het EVR niet verwijderd. 2.21. Op 3 december 2020 heeft Volksbank aangifte gedaan tegen [eiser] in verband met hypotheekfraude. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: - primair Volksbank gelast de persoonsgegevens van [eiser] binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis uit het Incidentenregister, het intern verwijzingsregister en het extern verwijzingsregister te verwijderen en daarvan bewijs aan [eiser] te zenden, een en ander op straffe van een door Volksbank aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Volksbank daarmee in gebreke blijft; subsidiair Volksbank gelast de duur van de registratie van de persoonsgegevens van [eiser] in het Incidentenregister, het intern verwijzingsregister en het extern verwijzingsregister binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis terug te brengen tot de duur van 1 (één) jaar vanaf het moment van registratie, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen duur en daarvan bewijs aan [eiser] te zenden, een en ander op straffe van een door Volksbank aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Volksbank daarmee in gebreke blijft; Volksbank veroordeelt in de kosten van dit geding. 3.2. [eiser] heeft het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. Hij heeft niet gefraudeerd bij de aanvraag van de hypotheek. Ten tijde van de hypotheekaanvraag en ten tijde van het passeren van de akte op 10 december 2018 was [eiser] in dienst bij [onderneming 1] en wist niet dat hij binnen korte tijd hierna, namelijk op 21 december 2018, uit dienst zou gaan vanwege een onverwachte gebeurtenis die heeft geleid tot onenigheid met zijn werkgever. Uiteindelijk heeft hij altijd zijn hypotheeklasten tijdig voldaan omdat hij voldoende (andere) middelen heeft, waaronder giften van familieleden. Dat [eiser] zijn uitdiensttreding na het passeren van de akte niet heeft doorgegeven, betekent niet dat hij heeft gefraudeerd bij de aanvraag van de hypotheek. [eiser] heeft zich niet schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit, zodat Volksbank hem ten onrechte in het IR en EVR heeft geregistreerd. Indien [eiser] zich al verwijtbaar heeft gedragen, is die gedraging niet van dien aard dat deze de registratie van zijn persoonsgegevens rechtvaardigt, althans niet voor een periode van acht jaar. 3.3. Volksbank voert het volgende verweer. [eiser] heeft niet kunnen aantonen dat zijn dienstverband en het opgegeven salaris ten tijde van de hypotheekaanvraag, althans ten tijde van het passeren van de hypotheekakte op 10 december 2018, daadwerkelijk correct was. Het dossier bevat tegenstrijdige verklaringen omtrent de beëindiging van het dienstverband. Volksbank meent dat [eiser] ten tijde van het passeren van de hypotheekakte op 10 december 2018 niet meer werkzaam was bij [onderneming 1] omdat zijn dienstverband op 30 november 2018 is beëindigd. [eiser] heeft Volksbank hieromtrent niet geïnformeerd ondanks dat hij hiertoe gehouden was op grond van de van toepassing zijnde voorwaarden. Voor zover het dienstverband van [eiser] inderdaad pas op 21 december 2018 is geëindigd , was [eiser] ook dan gehouden dit te melden aan Volksbank. Voorts diende [eiser] giften en andere ontvangsten te melden bij zijn hypotheekaanvraag zodat Volksbank deze mee kon nemen in haar beoordeling van de aanvraag. Met de informatie waarover Volksbank nu beschikt, zou de hypotheekaanvraag van [eiser] afgewezen zijn . Volgens Volksbank heeft [eiser] zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, zodat de EVR registratie terecht is en daarmee dus ook de IR registratie. Bovendien betwist Volksbank het spoedeisend belang van [eiser] . 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kern van het geschil betreft de vraag of de registratie van de persoonsgegevens van [eiser] in het EVR en de daaraan gekoppelde registratie in het IR door Volksbank onrechtmatig is, omdat niet voldaan is aan de vereisten voor registratie zoals opgenomen in artikel 5.2.1 van het "Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Jnstellingen" (hierna: het Protocol), zoals [eiser] stelt en Volksbank betwist. 4.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het spoedeisend belang voort uit de aard van de zaak. Opname in deze registers, met name in het EVR dat externe werking heeft, kan verstrekkende gevolgen hebben. Alle daaraan deelnemende (financiële) instellingen kunnen de registers raadplegen en vaststellen of er sprake is van een opname daarin. Vervolgens kunnen zij nadere informatie opvragen over de reden van opname. Dit die kan ertoe leiden dat naast de instelling die tot de registratie is overgegaan, ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de geregistreerde persoon zullen weigeren. Als de persoonsgegevens van [eiser] ten onrechte in het IR en het EVR zijn geregistreerd, zoals [eiser] stelt, dan heeft hij er dus belang bij dat aan die onrechtmatige situatie zo spoedig mogelijk een einde wordt gemaakt. De omstandigheid dat [eiser] nog kan deelnemen aan het betalingsverkeer doet hier nier aan af. Gebleken is immers dat [eiser] in ieder geval door één financiële instelling is geweigerd vanwege de registraties. Van hem kan daarom niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. 4.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 5.2.1 van het Protocol - samengevat - de volgende cumulatieve voorwaarden gelden voor opname van persoonsgegevens in het EVR: a. de gedragingen van de persoon dienen een bedreiging te vormen voor de (financiële) belangen van de financiële instelling of voor de continuïteit en/of integriteit van de financiële sector, b.in voldoende mate moet vaststaan dat de persoon betrokken is bij die gedragingen, c. het proportionaliteitsbeginsel moet in acht worden genomen, hetgeen inhoudt dat het belang van de opname dient te prevaleren boven de mogelijk nadelige gevolgen van de opname voor de betrokken persoon. Maatgevend hierbij is of er ten aanzien van de betrokkene sprake is van zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring - in de zin van artikel 350 Wetboek van strafvordering - kunnen dragen. Het moet daarbij gaan om vastgestelde gedragingen die een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de in de registers te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan (HR 29 mei 2009, ECLI:HR:2009:BH4720). 4.4. Volksbank stelt dat er bij haar een zwaardere verdenking bestaat dan een redelijk vermoeden van schuld dat [eiser] strafbare feiten heeft begaan. Volksbank heeft aangifte gedaan van opzettelijke misleiding c.q. oplichting. Volgens Volksbank blijkt uit de loonspecificaties en het UWV verzekeringsbericht en uit de daaropvolgende verklaringen van [eiser] zelf dat [eiser] ten tijde van het passeren van de hypotheekakte op 10 december 2018 geen dienstverband meer had en dat [eiser] en [onderneming 1] , nadat zij geconfronteerd zijn met het fraude onderzoek van Volksbank, een schijnconstructie hebben opgetuigd met een gefingeerd dienstverband na 30 november 2018 door middel van een geantedateerde vaststellingsovereenkomst en aangepaste loonstroken. Deze gedragingen van [eiser] vormen volgens Volksbank een bedreiging voor de financiële belangen van de bank en voor de integriteit van de financiële sector, zodat de registratie van de gegevens van [eiser] gerechtvaardigd en proportioneel is. 4.5. [eiser] betwist dat er sprake was van een fictief dienstverband na 30 november 2018. Volgens [eiser] blijkt uit de door hem overgelegde werkgeversverklaring, de vaststellingsovereenkomst en aanvullende gegevens, waaronder de verklaringen van de heren [A] , [D] , [E] en [B] , dat er wel degelijk sprake was een dienstverband tussen hem en [onderneming 1] tot 21 december 2018. 4.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn voldoende feiten en omstandigheden gesteld en gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het door [eiser] in het kader van zijn hypotheekaanvraag aan Volksbank gepresenteerde dienstverband na 30 november 2018 niet bestond. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.7. De door [eiser] overgelegde stukken ter onderbouwing van het bestaan van zijn dienstverband bij [onderneming 1] tot 21 december 2018 zijn innerlijk tegenstrijdig. 4.7.1. Allereerst bevatten de salarisspecificaties over de maand november 2018 verschillende tot twijfel leidende punten. De door [D] aanvankelijk in februari 2020 aan Volksbank verstrekte aangepaste salarisspecificatie is niet alleen met betrekking tot de gestelde einddatum, maar ook op andere onderdelen niet gelijk aan de authentieke salarisspecificatie. Op de authentieke specificatie wordt reeds een einddatum van dienstverband op 30 november 2018 vermeld. Voorts staat bij de cumulatieven een bedrag van € 1.700,00 aan bruto loon vermeld, terwijl de verklaring van onder andere [A] uitgaat van een verhoging naar € 3.500,00 per 1 augustus 2018. 4.7.2. Verder is van belang dat [eiser] het nettoloon van € 2.038,65, vermeld op de authentieke specificatie, op 28 november 2018 heeft ontvangen op zijn rekening. Nu [eiser] de stelling inneemt dat hij toentertijd nog niet wist dat hij de volgende maand uit dienst zou gaan, mocht van [eiser] verwacht worden dat zou hebben geprotesteerd tegen het foutieve brutoloon dat hij heeft ontvangen en tegen de vermelding op de loonstrook dat zijn dienstverband is beëindigd per 30 november 2018, maar daar is niets van gebleken. Opvallend is verder dat het verschil van € 195,01 tussen de netto bedragen op de authentieke en de aangepaste loonspecificatie reeds op 10 december 2018 is overgemaakt aan [eiser] . Deze omstandigheden wijzen erop dat er voor 10 december 2018 al een eindafrekening tussen [onderneming 1] en [eiser] heeft plaatsgevonden. 4.7.3. Voorts kon [eiser] ter zitting, hoewel hem daar meennaals naar is gevraagd, geen verklaring geven voor zijn eigen stelling in zijn e-mail van 20 november 2019 (zie punt 2.6.), waarin gelezen kan worden dat [eiser] ten tijde van het passeren van de akte op 10 december 2018 reeds uit dienst was bij [onderneming 1] . [eiser] heeft, buiten zijn stelling dat hij goed bevriend was met [A] , niets aangevoerd over bijvoorbeeld de reden waarom hij geen aanspraak heeft gemaakt op loon t/m 21 december 2018 en wat er precies is voorgevallen dat maakte dat zijn dienstverband op 21 december 2018 per direct werd beëindigd. Dit had wel op zijn weg gelegen, te meer daar de voorzieningenrechter hem daartoe uitgebreid de gelegenheid heeft gegeven. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat de vaststellingsovereenkomst pas na de kerstdagen in 2018 is opgesteld en ondertekend, maar gedateerd is op 21 december 2018. De stukken en de verklaringen van derden waar [eiser] een beroep op doet, blijken dus in strijd te zijn met de verklaring van [eiser] zelf. [eiser] heeft geen verklaring kunnen geven voor de hiervoor genoemde tegenstrijdigheden. 4.8. Uit het voorgaande volgt dat in deze procedure niet vast komt te staan dat de lezing van [eiser] over de gang van zaken bij de beëindiging van zijn dienstverband bij [onderneming 1] juist is. Volksbank heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] ten tijde van het passeren van de hypotheekakte wist dat zijn dienstverband reeds ten einde was. Deze procedure leent zich naar zijn aard niet voor getuigenverhoor of voor diepgaander onderzoek naar de feiten die aan de vorderingen ten grondslag worden gelegd. [eiser] wist dat de informatie over het einde van zijn dienstverband van belang was bij de beoordeling van zijn hypotheekaanvraag. Hij had immers de benodigde stukken zelf samengesteld en ingediend bij zijn aanvraag. Vast staat dat de hypotheekaanvraag van [eiser] is gebaseerd op een arbeidsovereenkomst van [eiser] bij [onderneming 1] met een bruto maandsalaris van € 3.500,00 en de werkgeversverklaring waarin wordt vermeld dat er geen voornemens zijn om het dienstverband spoedig te beëindigen. [eiser] wist dan ook dat hij Volksbank had moeten informeren over het einde van zijn dienstverband. De omstandigheid dat hij dat heeft nagelaten betekent dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding van Volksbank. Dergelijk gedrag vormt een bedreiging voor de financiële belangen van Volksbank en voor de integriteit van de financiële sector als geheel. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat aan voorwaarde a en b van artikel 5.2.1 van het Protocol is voldaan. 4.9. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn betoog dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 5.2.1 onder c van het Protocol. Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft gedegen onderzoek van de Volksbank een gegronde verdenking opgeleverd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding van Volksbank. Dit gedrag vormt een bedreiging voor de financiële belangen van Volksbank en voor de integriteit van de financiële sector. Dit brengt mee dat ook het maatschappelijk belang in het geding is. Nu niet is gesteld of gebleken dat de belangen van Volksbank en het maatschappelijk belang op een voor [eiser] minder belastende wijze kunnen worden gediend dan door registratie in het IR en EVR, is deze registratie in beginsel proportioneel. Daartegenover staat het belang van [eiser] . Aannemelijk is dat de registratie de mogelijkheden voor [eiser] tot het verkrijgen van (financiële) diensten van de aan die registers deelnemende (financiële) instellingen negatief zullen beïnvloeden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maken deze omstandigheden niet dat geoordeeld moet worden dat [eiser] disproportioneel in zijn belangen wordt geraakt. [eiser] heeft één afwijzing overgelegd van een bank die de registers heeft geraadpleegd. Van de overige afwijzingen die [eiser] heeft ontvangen staat niet vast of er een verband is met de registratie van [eiser] . Overigens kan [eiser] terecht bij financiële instellingen die niet zijn aangesloten bij de registers - ook met een EVR registratie. Het standpunt van [eiser] dat hij mogelijk geconfronteerd wordt met hogere kosten bij deze instellingen is niet nader uiteengezet en niet met stukken onderbouwd. Bovendien dient een dergelijk gevolg voor rekening en risico van [eiser] te blijven, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Dit maakt dat Volksbank terecht het belang van de registratie heeft laten prevaleren boven de mogelijk nadelige gevolgen daarvan voor [eiser] . 4.10. Nu de slotsom is dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] terecht is geregistreerd in het EVR en daarmee ook terecht is geregistreerd in het IR zal de primaire vordering strekkende tot ongedaanmaking van die registraties worden afgewezen. 4.11. De subsidiaire vordering strekkende tot verkorting van de duur van de registratie tot een jaar zal eveneens worden afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zijn belang bij de verkorting van de duur van de registratie zodanig spoedeisend is dat een oordeel in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Immers, [eiser] heeft niet meer of anders gesteld dan dat zijn registratietermijn van 8 jaar wordt gelijkgesteld aan de termijn van ernstige verzekeringsfraude en dat hem vragen zijn gesteld door de bank waar hij privé bankiert. Zoals hiervoor overwogen is in deze procedure bij slechts één afwijzing door een financiële instelling vast komen te staan dat deze de registers heeft geraadpleegd. [eiser] heeft niet nader gemotiveerd waarom hij de uitkomst van een bodemprocedure niet zou kunnen afwachten. In deze procedure - die zich, zoals hiervoor beschreven, niet leent voor nadere bewijslevering- komt het spoedeisend belang van [eiser] niet vast te staan zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ontbreekt. Of verkorting van de registratieduur op zijn plaats is, zal desgewenst in een bodemprocedure moeten worden beoordeeld. 4.12. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Volksbank worden begroot op: - griffierecht € 656,00 - salaris advocaat € 980 00 Totaal € 1.636,00 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Volksbank tot op beden begroot op € 1.636,00, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2020. type: coli: