Skip to content
Case Law
NL

Inschakelen onderzoeksbureau om observaties werknemer uit te voeren is doelmatig en niet ontoelaatbaar

Rechtbank

Rechtbank

Case Summary

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11273499 VZ VERZ 24-7636 datum uitspraak: 15 april 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoeker] , vennoot van [naam bewindvoerderskantoor] t.h.o.d.n. [handelsnaam] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A] , woonplaats: [woonplaats] , verzoeker, gemachtigde: mr. P.A. van Lange, tegen: Renes Recycling B.V. , vestigingsplaats: Rotterdam , verweerster, gemachtigde: mr. A.L. van den Bosch. De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’, ‘de bewindvoerder’ en ‘ Renes ’ genoemd. 1 De procedure en de ontvankelijkheid 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van [persoon A] , met bijlagen; het verweerschrift van Renes met tegenverzoeken, met bijlagen; de akte wijziging verzoek van [persoon A] ; de nadere productie van Renes ; de spreekaantekeningen van [persoon A] ; de spreekaantekeningen van Renes . 1.2. Op 13 maart 2025 is de zaak tijdens een zitting met [persoon A] , zijn gemachtigde, en namens Renes , [persoon B] , [persoon C] , haar gemachtigde en mr. R. Wouters besproken. De bewindvoerder van [persoon A] was niet aanwezig. Hij was op dat moment formeel nog niet betrokken in de procedure. Het verzoekschrift is door de advocaat van [persoon A] op naam van [persoon A] zelf ingediend, terwijl [persoon A] onder bewind staat, maar de gemachtigde heeft ter zitting meegedeeld dat hij de procedure namens de bewindvoerder voerde. De kantonrechter heeft [persoon A] de mogelijkheid gegeven om een schriftelijke verklaring hierover van de bewindvoerder toe te sturen. Deze verklaring is op 14 maart 2025 ontvangen. De kantonrechter merkt de bewindvoerder dan ook aan als formele procespartij. 1.3. Zoals de griffier namens de kantonrechter op 29 januari 2025 al aan partijen heeft laten weten, zal de kantonrechter het verzoek niet buiten behandeling laten. Het verzoekschrift is tijdig binnen de vervaltermijn ingediend bij de rechtbank per e-mail. Dat de originele stukken veel later, en uiteindelijk één dag buiten de door de kantonrechter gestelde uiterste termijn van indiening zijn ontvangen ter griffie, acht de kantonrechter in dit geval niet zodanig ernstig dat daaraan de vergaande sanctie van buiten behandeling stelling zal worden verbonden. De kantonrechter zal de zaak dan ook inhoudelijk behandelen. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [persoon A] werkte sinds 1 mei 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar bij Renes als Chauffeur CE, met een proeftijd van één maand. Op 4 juni 2024 heeft [persoon A] zich ziek gemeld. Op 21 juni 2024 is hij gezien door de bedrijfsarts. [persoon A] is op 27 juni 2024 op staande voet ontslagen. De bewindvoerder berust in het ontslag en wil een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Hij vraagt ten behoeve van [persoon A] om een gefixeerde schadevergoeding, billijke vergoeding, transitievergoeding en betaling van overuren. Renes vindt dat alle verzoeken – met uitzondering van betaling van de overuren – moeten worden afgewezen. Renes vraagt zelf een gefixeerde schadevergoeding, terugbetaling van onverschuldigd betaald loon en vergoeding van recherchekosten. De bewindvoerder is het daar niet mee eens. De bewindvoerder krijgt voor het grootste deel ongelijk. Het ontslag blijft in stand. De bewindvoerder krijgt geen transitievergoeding en hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is. Het ontslag is geldig 2.2. De kantonrechter wijst het verzoek tot verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven af, omdat het ontslag geldig is. Er is namelijk voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Dat zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld mededelen van de reden (artikel 7:671 lid 1 onder c BW en artikel 7:677 BW). Er is een dringende reden 2.3. Er is een dringende reden voor ontslag op staande voet. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW). Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier sprake is van een dringende reden. 2.4. Renes heeft in de brief van 27 juni 2024 de redenen voor het ontslag op staande voet toegelicht. In de brief schrijft Renes dat sprake is van frauduleus ziekteverzuim. Renes schrijft dat [persoon A] zich heeft ziek gemeld omdat hij zijn knie zou hebben verdraaid en geen werkzaamheden zou kunnen verrichten. Renes schrijft ook dat zij Dörr Bedrijfsrecherche heeft ingeschakeld en dat uit het rapport van het onderzoeksbureau onder andere is gebleken dat [persoon A] : ‘i) bij herhaling, alsmede zonder medische hulpmiddelen zoals krukken, alsmede zonder compenserende bewegingen, (vlot) trappen op- en afloopt, ii) bij herhaling je honden uitlaat, wederom zonder medische hulpmiddelen, iii) bij herhaling zelfstandig in een (handgeschakelde) auto rijdt en daarmee zelfstandig aan het verkeer deelneemt, iv) op een (ongelijk) voetbalgrasveld loopt en v) bij herhaling activiteiten ontplooit. Dit alles terwijl jij verklaart het huis niet uit te kunnen en bij de bedrijfsarts hebt verklaard dat jij niet in staat zou zijn om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer en jij je zou mobiliseren met een hulpmiddel.’ In de brief wordt geconcludeerd dat al het voorgaande tezamen, maar ook ieder op zich, grond voor het ontslag op staande voet oplevert. 2.5. Uit de brief blijkt duidelijk dat Renes [persoon A] heeft ontslagen omdat hij onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan over de ernst van zijn beperkingen en over zijn arbeidsmogelijkheden tijdens ziekte. Dit is de ontslagreden waarvan de kantonrechter de rechtsgeldigheid moet beoordelen. Volgens de bewindvoerder heeft Renes [persoon A] ontslagen omdat hij volgens Renes niet arbeidsongeschikt is, maar dat blijkt niet uit de ontslagbrief. Renes heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij de arbeidsongeschiktheid van [persoon A] niet betwist. De kantonrechter is van oordeel dat er geen misverstand over kan bestaan dat de dringende reden voor Renes zag op het niet de waarheid spreken tegen Renes en de bedrijfsarts over de ernst van de beperkingen van [persoon A] . Bovendien heeft [persoon A] aangegeven dat de reden van het ontslag op staande voet voor hem duidelijk was. [persoon A] heeft onjuiste en onvolledige mededelingen gedaan over zijn beperkingen 2.6. De kantonrechter is van oordeel dat [persoon A] onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan over zijn beperkingen. Dit is waarom. 2.7. Uit het rapport en de video’s van het onderzoeksbureau blijkt dat [persoon A] meerdere malen per dag in de periode van 22 tot en met 25 juni 2024 naar buiten gaat, met stevige tred trappen op- en af loopt/rent, wandelingen maakt en de honden uitlaat, waarbij een grote hond stevig aan de lijn trekt. Opvallend is dat door het onderzoeksbureau meermaals is waargenomen dat [persoon A] daarbij liep op badslippers en niet met wat steviger schoeisel, wat wel te verwachten zou zijn gelet op de door [persoon A] genoemde beperkingen. Ook is door het onderzoeksbureau geconstateerd dat [persoon A] naar winkels gaat, over een oneffen voetbalveld loopt en als chauffeur van een auto deelneemt aan het verkeer. Dit alles doet [persoon A] bovendien steeds zonder krukken en zichtbaar ongehinderd. 2.8. Het voorgaande staat in schril contrast met hetgeen [persoon A] op 21 juni 2024 in zijn Whatsapp berichten aan Renes meldt: ‘Ik kan de deur niet uit’ en ‘Ik loop met krukken’ en met het verslag van de bedrijfsarts van 21 juni 2024 dat onder meer op basis van mededelingen van [persoon A] is opgemaakt. Daarin staat immers onder andere het volgende: ‘Traplopen en klimmen dienen beperkt plaats te vinden en met name zonder additieve tilbelasting. Knielen, kruipen en hurken zijn beperkt qua duur en frequentie. (…) Vervoer: betrokkene is op dit moment niet in staat om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer. (…) Op dit moment ervaart hij nog veel klachten en beperkingen en mobiliseert hij met een hulpmiddel’. 2.9. [persoon A] heeft deze grote discrepanties niet kunnen uitleggen en de onder 2.7 genoemde waarnemingen van het onderzoeksbureau niet of onvoldoende betwist. [persoon A] stelt dat hij een brace draagt onder zijn broek en dat dit niet zichtbaar is geweest voor de medewerker van het onderzoeksbureau. Dit maakt het voorgaande echter niet anders. Daarnaast zou [persoon A] met krukken lopen als hij moe is en als zijn medicijnen zijn uitgewerkt. De foto’s en video’s zijn echter op verschillende tijdstippen gedurende de dag gemaakt, zodat het onaannemelijk is dat [persoon A] steeds was uitgerust op die momenten. Verder zou hij niet langer dan een half uur kunnen autorijden. [persoon A] betwist niet dat hij naar de bedrijfsarts is gereden, maar geeft aan dat dit op dat moment ook te veel was. Vandaar dat hij bij de bedrijfsarts met krukken liep en hij niet zelfstandig naar huis kon rijden. Dit is echter in strijd met wat hij tegen Renes en tegen de bedrijfsarts heeft verklaard en wat de bedrijfsarts heeft gerapporteerd. [persoon A] zou de deur niet uit kunnen en helemaal niet zelfstandig aan het verkeer kunnen deelnemen. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat dit weldegelijk voor hem mogelijk was. Hieruit blijkt dat [persoon A] activiteiten heeft ondernomen die in strijd zijn met de door hem gestelde beperkingen en gezondheidsklachten in gesprekken met Renes en de bedrijfsarts. 2.10. Weliswaar heeft Renes de bedrijfsarts niet om een nieuwe beoordeling gevraagd voordat zij [persoon A] ontsloeg, maar in dit geval is dat volgens de kantonrechter ook niet nodig. Er lag nog een heel recente beoordeling van de bedrijfsarts en het ging er juist om dat [persoon A] onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan over de ernst van zijn beperkingen en over zijn arbeidsmogelijkheden tijdens ziekte tegen de bedrijfsarts. Overigens is het niet aannemelijk dat [persoon A] bij een volgend bezoek aan de bedrijfsarts wel de waarheid zou hebben verteld over zijn fysieke beperkingen. Het waarheidsgehalte van de stellingen van [persoon A] wordt ook ingeboet door zijn eigen gedragingen en verklaringen daarover. Zo heeft hij zich ziek gemeld op 4 juni 2024 onder de mededeling dat hij de vorige dag, dus op 3 juni 2024, zijn knie heeft verdraaid, maar volgens de doorverwijzing van de huisarts van [persoon A] heeft [persoon A] op vrijdag 31 mei 2024 zijn knie verdraaid. Ook heeft [persoon A] op zowel 3 juni 2024 als op 31 mei 2024 gewerkt, terwijl Renes , onbetwist, heeft verklaard dat [persoon A] zijn normale werkzaamheden heeft verricht, zonder dat de collega’s gebleken was van enig fysiek beletsel en [persoon A] heeft daarover ook niets gezegd. 2.11. De bewindvoerder heeft aangevoerd dat het inschakelen van het onderzoeksbureau onrechtmatig is. De kantonrechter is van oordeel dat het inschakelen van een onderzoeksbureau om observaties uit te voeren in dit geval een doelmatig middel is en niet ontoelaatbaar. Weliswaar maakt het inbreuk op de privacy van [persoon A] maar dat is in dit geval gerechtvaardigd. De werkgever had terechte bedenkingen over de door [persoon A] gestelde beperkingen, die het uitgevoerde onderzoek kunnen rechtvaardigen. Renes had na de ziekmelding meerdere keren geconstateerd dat [persoon A] niet thuis was, terwijl hij had gezegd dat hij vanwege zijn medische klachten zijn huis niet uit kon. [persoon A] deed tweemaal niet open toen Renes een bos bloemen langs kwam brengen op 12 juni 2024 en nam de telefoon niet altijd op. Op 21 juni 2024 heeft Renes opnieuw vastgesteld dat [persoon A] zijn gedrag niet overeenkwam met de door hem genoemde beperkingen. Renes is toen, gezien de eerdere twijfels, weer langs [persoon A] gegaan, maar hij was op dat moment opnieuw niet thuis. Even later kwam [persoon A] met een auto de straat ingereden. Hij liep, zonder krukken, de trap op en af en vertrok vervolgens met de auto naar zijn afspraak met de bedrijfsarts. Dit is in strijd met wat [persoon A] die dag heeft verklaard. Hij gaf immers aan dat hij de deur niet uit kon en met krukken liep. De bewindvoerder voert aan dat de onaangekondigde bezoeken van Renes niet zijn toegestaan. Hoewel een werkgever terughoudend moet zijn met het zelf benaderen van een ziekgemelde werknemer, was het eerste bezoek in dit geval toelaatbaar. Renes wilde slechts een bos bloemen langsbrengen. Voor het bezoek op 21 juni 2024 ligt dat wellicht anders. Renes had mogelijk niet moeten langsgaan, maar dat neemt niet weg dat de bevindingen wel gebruikt mochten worden in de afweging om een onderzoeksbureau in te schakelen. Verder weegt het belang van Renes om de waarheid te achterhalen in dit geval zwaarder dan het recht op privacy van [persoon A] . Bovendien is de ernst van de inbreuk beperkt gebleven. Renes heeft [persoon A] een korte tijd, vier dagen, geobserveerd en de observaties hebben plaatsgevonden op de openbare weg.. Deze gedragingen leveren een dringende reden op 2.12. Als overwogen heeft [persoon A] onjuiste en onvolledige mededelingen gedaan over zijn beperkingen en zijn arbeidsmogelijkheden tijdens ziekte en dus hierover niet de waarheid gesproken tegen Renes . Ook heeft [persoon A] hiermee gehandeld in strijd met zijn re-integratieverplichtingen tijdens ziekte. Dit levert in de gegeven omstandigheden een dringende reden op die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Er is sprake van een ernstige schending van de op [persoon A] rustende verplichting om zich tegenover Renes als een goed werknemer te gedragen en daarmee een ernstige inbreuk op het vertrouwen van Renes . Bij de beoordeling of sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet moeten ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer worden meegewogen, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem hebben (HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849, NJ 1999, 643). Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (o.a. HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436). De bewindvoerder heeft aangevoerd dat [persoon A] in de schuldsanering zit en dat hiermee rekening moet worden gehouden. Deze persoonlijke omstandigheid is niet zodanig dat dit in de weg staat aan een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Bovendien heeft Renes tijdens de zitting aangegeven dat zij tijdens het gesprek met [persoon A] heeft gevraagd naar persoonlijke omstandigheden, maar op dat moment is deze omstandigheid niet genoemd. Ook is hieraan aandacht besteed in de brief van 27 juni 2024. Dit is niet door de bewindvoerder betwist. Daarbij komt dat [persoon A] pas kort in dienst was. Van een buitenproportionele ernstige sanctie is ook geen sprake. De handelswijze van [persoon A] wordt aangemerkt als een zodanig ernstige schending dat van Renes redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er is onverwijld opgezegd en de reden is onverwijld medegedeeld 2.13. Renes heeft de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd en de reden voor het ontslag onverwijld aan [persoon A] te laten weten. Renes heeft [persoon A] namelijk zo spoedig mogelijk na het ontdekken van de dringende reden ontslagen. 2.14. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en wijst het verzoek tot verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven af. Renes hoeft geen transitievergoeding te betalen 2.15. Renes hoeft geen transitievergoeding te betalen, omdat het ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [persoon A] (artikel 7:673 lid 7 BW). [persoon A] heeft namelijk opzettelijk onjuiste en onvolledige verklaringen afgelegd bij de bedrijfsarts en tegen Renes . Dit is een ernstige schending van de op hem rustende verplichting om zich tegenover Renes als een goed werknemer te gedragen en zijn medewerking te verlenen aan zijn re-integratieverplichtingen. Renes hoeft geen gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding te betalen 2.16. Renes hoeft geen gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding te betalen, omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Renes hoeft geen vergoeding voor onregelmatige opzegging te betalen 2.17. Omdat het ontslag op staande voet geldig is, gold voor Renes geen opzegtermijn. Daarom heeft [persoon A] geen recht op een vergoeding voor onregelmatige opzegging (artikel 7:672 lid 11 BW). Renes moet de overuren uitbetalen 2.18. Renes erkent dat zij de door [persoon A] gemaakte overuren ad € 525,- netto moet uitbetalen. Dit verzoek wordt dan ook toegewezen. De bewindvoerder moet het onverschuldigd betaalde loon terugbetalen 2.19. De bewindvoerder moet het loon dat Renes heeft betaald over 28, 29 en 30 juni 2024 terugbetalen. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 27 juni 2024 maar [persoon A] heeft daarvoor al het loon over de gehele maand juni ontvangen. Namens de bewindvoerder is ter zitting bevestigd dat [persoon A] het loon over de maand juni 2024 heeft ontvangen. Omdat Renes de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd op 27 juni 2024, heeft zij dus te veel loon betaald. Dit loon is onverschuldigd betaald en moet door de bewindvoerder worden terugbetaald. Volgens Renes gaat het om een bedrag van € 345,60 bruto inclusief vakantiegeld. Dit is niet door de bewindvoerder betwist. De bewindvoerder moet dan ook € 345,60 bruto aan Renes betalen. De bewindvoerder moet de kosten van het onderzoeksbureau betalen 2.20. Renes mocht het onderzoeksbureau inschakelen, gelet op de aard van de verdenkingen. Dit zijn redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking (artikel 6:96 lid 2 onder b BW). Renes heeft deze kosten moeten maken om te achterhalen of [persoon A] de waarheid sprak over zijn beperkingen. Nu is gebleken dat [persoon A] onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan, moet de bewindvoerder de kosten vergoeden. Renes heeft de factuur van het onderzoeksbureau overgelegd en de bewindvoerder heeft de hoogte hiervan niet betwist. De kantonrechter acht de gemaakte kosten redelijk. Daarom moet de bewindvoerder € 5.000,- aan Renes betalen. [persoon A] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen 2.21. Renes heeft geen recht op een gefixeerde schadevergoeding, omdat zij niet ontvankelijk is in haar verzoek (artikel 7:686a lid 4 sub a BW jo. 7:677 lid 2 en 3 BW). Er is weliswaar een dringende reden voor het ontslag op staande voet, maar zij heeft het verzoek tot betaling van gefixeerde schadevergoeding te laat gedaan. Zij heeft het verzoek pas in februari 2025 gedaan, zo’n half jaar te laat. De bewindvoerder moet de proceskosten betalen 2.22. De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan Renes moet betalen op € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dit is totaal € 949,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad 2.23. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt Renes om aan de bewindvoerder € 525,- netto te betalen; 3.2. veroordeelt de bewindvoerder om € 345,60 bruto aan Renes te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 27 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald; 3.3. veroordeelt de bewindvoerder om € 5.000,- aan Renes te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 27 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald; 3.4. veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van Renes tot vandaag worden vastgesteld op € 949,-; 3.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 3.6. wijst al het andere af. Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken. 49196 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1874. Rechtbank Rotterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:434. Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1632.