Gerechtshof: 28 maanden cel voor rekrutering katvangers bij identiteitsfraude en witwassen
Original title: Gerechtshof
Cyberkamer. Medeplegen van misbruik van identificerende persoonskenmerken door met behulp daarvan op naam van 17 personen bankrekeningen te openen en met gebruik daarvan geld wit te wassen (art. 231b Sr en art. 420bis/420ter Sr). Computervredebreuk door zich steeds voor te doen als rechtmatige rekeninghouder (art. 138ab Sr). De rol van de verdachte betrof voornamelijk het werven van de katvangers en al hetgeen verder samenhing met het regelen en beheer van rekeningen waarop van fraude afkomstig geld kon worden gestort. Verdachte moest er rekening mee houden dat hij binnen een professioneel verband opereerde. Tegen die achtergrond en gelet op de impact die online fraude en de daarmee samenhangende criminaliteit heeft op de slachtoffers daarvan en de samenleving als geheel dient streng te worden opgetreden tegen diegenen die zich daarmee bezighouden. Geen aansluiting bij LOVS oriëntatiepunten voor fraude. Oplegging gevangenisstraf van 28 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Reclasseringstoezicht. Gedeeltelijke toewijzing vordering bank tot vergoeding van onderzoekskosten.
How it connects
Related across sources
Full text 8 paragraphs
De verdediging heeft betoogd dat bij de strafoplegging aansluiting zou moeten worden gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten die gelden voor fraude. Daarin gaat het hof niet mee, reeds omdat de verdachte terechtstaat voor andere strafbare feiten dan de fraudedelicten waarop die uitgangspunten primair betrekking hebben. Ook heeft het hof acht geslagen op de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte van 21 augustus 2025, waaruit blijkt van verschillende eerdere veroordelingen, ook voor soortgelijke feiten en vermogensdelicten. Het hof heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte een financieel motief had en dat bij hem sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel, hetgeen onder andere maakt dat hij de gevolgen van zijn handelingen niet altijd goed weet te overzien. Ook het criminele netwerk en de houding van de verdachte heeft de reclassering als delictgerelateerde factoren beschouwd. Als positieve factoren, maar niet als beschermend te beschouwen, heeft de reclassering benoemd dat de verdachte over huisvesting en een steunend netwerk beschikt en dat hij (mantel)zorg draagt voor zijn broer. De reclassering heeft het risico op recidive ingeschat op gemiddeld-hoog en heeft geadviseerd bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, die zich richten op het criminele netwerk en de financiële situatie van de verdachte. In het voordeel van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de relatief jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten, met het relatief geringe bedrag dat hij naar moet worden aangenomen aan de bewezenverklaarde feiten heeft overgehouden, alsmede met de mantelzorg van de verdachte voor een van zijn broers. Al met al is het hof echter van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten eraan in de weg staat om te volstaan met een gevangenisstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel overeenkomt met de reeds in voorarrest uitgezeten tijd. De vrijheidsbenemende straf van na te melden duur, met daarbij een voorwaardelijk deel met een daaraan verbonden bijzondere voorwaarde, is naar het oordeel van het hof passend en geboden. In het strafblad van de verdachte ziet het hof aanleiding om een langere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd. Voor de oplegging van aanvullende bijzondere voorwaarden, zoals waarvan sprake is in het vonnis waarvan beroep, ziet het hof geen aanleiding meer. Overigens is het in aanvulling op het ondergane voorarrest opleggen van een taakstraf niet aan de orde, gelet op de duur van dat voorarrest en hetgeen is bepaald in artikel 9 lid
Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. Vordering tot schadevergoeding [bank] In het onderhavige strafproces heeft [bank] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.440,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.972,00. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Het hof overweegt als volgt. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten. Het gevorderde bedrag gaat uit van onderzoekskosten in 90 fraudedossiers. Het hof komt echter – net als de rechtbank - tot een bewezenverklaring van identiteitsfraude ten aanzien van 17 begunstigden en stelt vast dat de rechtstreekse schade in deze zaak enkel ziet op de kosten die zijn gemaakt in deze dossiers. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat tot een bedrag van € 612,00 aan materiële schade is geleden (18 minuten aan administratieve verwerkingstijd per dossier vermenigvuldigd met
(= 306 minuten, omgerekend 5,1 uren). Het aantal uren vermenigvuldigd met het uurtarief van 120 euro komt in totaal neer op 612 euro) . Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Beslag De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen. De verdediging heeft betoogd dat de vier telefoons die niet ‘gekraakt’ konden worden, moeten worden teruggegeven aan de verdachte. Uit het proces-verbaal van de behandeling van de zaak door de rechtbank begrijpt het hof dat tijdens die behandeling door de officier van justitie is gesteld dat naast de voorwerpen genoemd op de beschikbare en aan dit arrest gehechte beslaglijst, ook sprake was van beslag op zes smartphones. Het betreft een iPhone ([beslagnummer 1]), een iPhone ([beslagnummer 2]/[SIMnummer 1]), een Google Pixel ([beslagnummer 3]/[SIMnummer 2]), een iPhone
([beslagnummer 4]/[SIMnummer 3]), de iPhone ([beslagnummer 5]/[SIMnummer 4]) en de iPhone ([beslagnummer 6]/[SIMnummer 5]) zoals hiervoor genoemd. De inhoud van die telefoons is immers niet bekend en er zijn ook geen andere omstandigheden waaruit die relatie met het bewezenverklaarde strafbare feit kan blijken. De enkele omstandigheid dat de toestellen in verband met het onderzoek naar de in deze zaak bewezen verklaarde feiten in de woning van de verdachte zijn aangetroffen is daarvoor onvoldoende. Daarom zal het hof de teruggave van deze telefoons gelasten. Ten aanzien van de door de officier van justitie genoemde iPhone met beslagnummer [beslagnummer 1] heeft het hof aan de hand van het dossier geen informatie kunnen achterhalen. Het hof zal daarover dan ook geen beslissing nemen. De iPhone met beslagnummer [beslagnummer 2] is niet onder de verdachte, maar onder zijn medeverdachte in beslaggenomen. Die telefoon wordt in die zaak verbeurd verklaard. Ten aanzien van het op de beslaglijst (onder 1) genoemde geldbedrag en de (onder 2) genoemde personenauto zal het hof ook geen beslissing nemen, nu daarop blijkens het verhandelde ter terechtzitting conservatoir beslag rust. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 63, 138ab, 231b, 420bis en 420ter Sr, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en voor zover het appel is gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het onderdeel ‘een of meer andere(n)’ in feit
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
(achtentwintig) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
(tien) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
(twee) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op te melden bij de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [bank] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bank] ter zake van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 612,00 (zeshonderdtwaalf euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 augustus 2024. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een Google Pixel telefoon ([beslagnummer 7]) en drie iPhones ([beslagnummer 4], [beslagnummer 5] en [beslagnummer 6]). Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, als voorzitter, mr. Chr.A. Baardman en mr. B.P. de Boer, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 september 2025. Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.