Rectificatie justitiële gegevens
Rechtbank
Case Summary
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/2172 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het College van procureurs-generaal , namens deze, de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland, verweerder (gemachtigde: mr. drs. J.C. Menken). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om de hem betreffende justitiële gegevens te rectificeren. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het besluit van verweerder rechtmatig is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit moet worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die voor deze zaak van belang zijn. Procesverloop 2. Op 10 januari 2025 heeft eiser een verzoek ingediend tot rectificatie van zijn justitiële gegevens op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Eiser heeft het verzoek ingediend bij het College van procureurs-generaal (het College). Het College heeft dit verzoek doorgezonden aan het arrondissementsparket Oost-Nederland. 2.1. Op 11 februari 2025 heeft verweerder een besluit genomen op het verzoek van eiser. 2.2. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Het onderzoek ter zitting is gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. Eiser voert - onder andere - aan dat hij zijn verzoek heeft gedaan op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wjsg. Dit artikel is van toepassing als het verzoek een rectificatie van justitiële gegevens betreft. Eiser vindt het niet juist dat zijn verzoek niet op grond van dit artikel in behandeling is genomen. 3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek van eiser anders moet worden opgevat. Volgens hem ziet de inhoud van het verzoek namelijk om rectificatie van strafvorderlijke gegevens en in dat geval is artikel 39m van de Wjsg van toepassing. Als verwerkingsverantwoordelijke van strafvorderlijke gegevens heeft verweerder kunnen beslissen op het verzoek van eiser. 4. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond van eiser slaagt. Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat eiser uitdrukkelijk een verzoek heeft gedaan om rectificatie van zijn justitiële gegevens, op grond van artikel 22 van de Wjsg. In het geval van een verzoek ex artikel 22 van de Wjsg is de Justitiële informatiedienst (Justid) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie de verwerkingsverantwoordelijke instantie. Dit betekent dat niet verweerder, maar Justid het bevoegde bestuursorgaan is dat op het verzoek van eiser moet beslissen. 4.1. Verweerder is niet bevoegd om op het verzoek van eiser (rectificatie van justitiële gegevens) te beslissen. Na ontvangst had verweerder het verzoek dan ook moeten doorzenden naar het bestuursorgaan dat die bevoegdheid wel heeft . Het bestreden besluit is daarmee niet rechtmatig en zal worden vernietigd. De overige beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd, behoeven hierdoor geen verdere bespreking meer. Conclusie en gevolgen 5. Onder gegrondverklaring van het beroep wordt het bestreden besluit vernietigd. Het primaire besluit wordt herroepen. Verweerder wordt opgedragen het verzoek opnieuw in behandeling te nemen, als een verzoek op grond van artikel 22 van de Wjsg. Omdat verweerder als bestuursorgaan een doorzendplicht heeft wanneer een ander bestuursorgaan bevoegd is, draagt de rechtbank verweerder ook op het verzoek vervolgens onverwijld door te zenden naar het bevoegde bestuursorgaan. 5.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. 5.2. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten, te weten de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Overeenkomstig het formulier proceskosten stelt de rechtbank die kosten vast op € 20,82 (retour openbaar vervoer van [woonplaats] naar Groningen). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 27 mei 2025; - herroept het primaire besluit van 11 februari 2025; - draagt verweerder op, met inachtneming van deze uitspraak, het verzoek van eiser in behandeling te nemen op grond van artikel 22 van de Wjsg; - draagt verweerder op, met inachtneming van deze uitspraak, het verzoek vervolgens onverwijld door te zenden naar het bevoegde bestuursorgaan Justid; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 20,82 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 2:3 1. Het bestuursorgaan zendt geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. (…) Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Artikel 22 1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, onvolledige justitiële gegevens te laten aanvullen. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. 2 De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen, indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of een wettelijk voorschrift tot vernietiging verplicht. 3 In plaats van vernietiging draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor afscherming van justitiële gegevens, als: a.de juistheid van de gegevens door de betrokkene wordt betwist en de juistheid of onjuistheid niet kan worden geverifieerd, in welk geval de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene informeert voordat de afscherming wordt opgeheven, of b.de persoonsgegevens moeten worden bewaard als bewijsmateriaal. 4 De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk in kennis of, dan wel in hoeverre, hij daaraan voldoet. 5 De verwerkingsverantwoordelijke deelt de rectificatie van de onjuiste justitiële gegevens mede aan de bevoegde autoriteit van wie de gegevens afkomstig zijn. Artikel 39m 1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende strafvorderlijke gegevens te verkrijgen, en rekening houdend met het doel van de verwerking, onvolledige strafvorderlijke gegevens te laten aanvullen. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. 2 De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende strafvorderlijke gegevens te verkrijgen, indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of een wettelijk voorschrift tot vernietiging verplicht. 3 In plaats van vernietiging draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor afscherming van strafvorderlijke gegevens, indien: a.de juistheid van de strafvorderlijke gegevens door de betrokkene wordt betwist en de juistheid of onjuistheid niet kan worden geverifieerd, in welk geval de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene informeert voordat de beperking van de verwerking wordt opgeheven, of b.de persoonsgegevens moeten worden bewaard als bewijsmateriaal. 4 De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen vier weken schriftelijk in kennis met betrekking tot de opvolging van zijn verzoek. 5 Artikel 22, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daar waar in dit artikel wordt gesproken over «Onze Minister» «het College van procureurs-generaal» wordt gelezen. 6 De verwerkingsverantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, vernietiging of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd. Hij draagt zorg voor het kenmerken van een gegeven als de juistheid daarvan door de betrokkene wordt betwist en niet kan worden vastgesteld of het gegeven al dan niet juist is. Deze verplichting is neergelegd in artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.