Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/016374-24 (EAB II) Datum uitspraak: 19 december 2024 UITSPRAAK op de vordering van 27 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 september 2023 door the Circuit Court in Lublin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 november 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 27 november 2024 het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen met het oog op de toetsing aan artikel 12 OLW voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft - met instemming van partijen - het onderzoek in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 5 december 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon opnieuw verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak 27 november 2024 De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 27 november 2024. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de kwestie van de Poolse rechtsstaat al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank verwijst naar haar overwegingen ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW in de tussenuitspraak van 27 november 2024. Deze overwegingen dienen hier eveneens als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank concludeerde in genoemde tussenuitspraak dat er met betrekking tot de mogelijkheid van de opgeëiste persoon om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen nog onduidelijkheden bestonden en heeft de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit laten voorleggen: 1. Was de in eerste aanleg ex-officio aangewezen advocaat, Paweł Grzywocz, die namens de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld, door de opgeëiste persoon gemachtigd om dit hoger beroep namens hem in te stellen? Zo nee, was de opgeëiste persoon op andere wijze op de hoogte van het voorgenomen proces in hoger beroep? 2. Was de advocaat Paweł Grzywocz (en daarmee diens vervanger Karolina Pańszczyk), door de opgeëiste persoon gemachtigd om namens hem in hoger beroep de verdediging te voeren? 3. Hebben de op 3 oktober 2021 en 11 maart 2022 aan de opgeëiste persoon gegeven adresinstructies, inhoudende dat hij elke adreswijziging door moest geven aan de Poolse autoriteiten omdat dit anders consequenties zou hebben, ook betrekking op de procedure in hoger beroep? En was dit kenbaar voor de opgeëiste persoon? Is in deze adresinstructie ook aangegeven dat het niet doorgeven van adreswijzigingen kan leiden tot berechting in zijn afwezigheid? Deze vragen zijn op 29 november 2024 – in zoverre hier relevant – als volgt beantwoord: 1. The ex officio defence attorney Pawel Grzywocz (…) was not obliged to obtain a consent of [opgeëiste persoon] for lodging an appeal. (…) [opgeëiste persoon] was informed about lodging an appeal measure by a notification about the appeal acceptance which was sent to him to the residence address which he had provided during the first interrogation. Also in the course of appeal proceedings a notification about the trial date before the court of appeal was sent to [opgeëiste persoon] to the residence address which he had provided during the first interrogation. 2. In the Polish criminal procedure a defence counsel appointed ex officio (…) is authorized to act in the course of entire proceedings whereas (….) a defence counsel established ex officio is obliged to undertake all judicial tasks until the proceedings are concluded with a final judgment (…). Hence a clear consent or a separate power of attorney to represent the accused in the course of appeal proceedings are not required. On the contrary, if the accused wants to waive the defence attorney’s acting in the proceedings he should submit a clear statement in this matter. 3. [opgeëiste persoon] was instructed about a duty to inform about the change of the place of his residence on the date 11th October 2021 and also on the date 11th March 2022 and this applies to the entire proceedings and also the appeal proceedings. (…) The instructions which were received by [opgeëiste persoon] do not directly indicate that failure to inform about a change of address may result in conducting a trial in his absence. However he was instructed that a trial may be conducted in his absence in case he was duly notified about the trial date and did not appear without justification. Since, the not collected letters are deemed as duly served if they had been delivered to the address indicated by the accused in the course of proceedings and the accused did not collect the mail at the post office within 14 day time limit. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat nu de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij bij de procedure in hoger beroep aanwezig was, de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet. Hieruit kan een machtiging worden afgeleid. Dat de Poolse autoriteiten anders vermelden, doet daar niet aan af. De betreffende weigeringsgrond is om die reden niet van toepassing. In het geval de rechtbank daarover anders oordeelt, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van haar bevoegdheid de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. De opgeëiste persoon heeft de adresinstructie ontvangen en heeft daarvoor getekend. Die instructie strekte zich ook uit over het proces in hoger beroep. Hij moest dus bereikbaar blijven voor de Poolse autoriteiten, ook na het vonnis in eerste aanleg. In Polen is het bovendien – blijkens de antwoorden van 29 november 2024 – gebruikelijk dat een advocaat hoger beroep aantekent. De opgeëiste persoon had er dus ook rekening mee moeten houden dat er hoger beroep zou volgen. De opgeëiste persoon heeft zich desondanks kennelijk niet bereikbaar gehouden voor officiële correspondentie op het door hem opgegeven adres en heeft ook geen contact opgenomen met zijn advocaat over de stand van zaken en heeft zodoende afstand gedaan van zijn verdedigingsrecht. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW niet aan de orde is, de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en er niet dient te worden afgezien van de mogelijkheid de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. De opgeëiste persoon wist niet van de procedure in hoger beroep en had hier ook geen rekening mee behoeven te houden. Hij heeft de ex officio advocaat niet opdracht gegeven om hoger beroep in te stellen. Het gaat te ver om te stellen dat de opgeëiste persoon er desalniettemin rekening mee had moeten houden dat er een hoger beroep zou volgen, omdat dit gebruikelijk zou zijn. Gelet op het voorgaande, maakt het feit dat de adresinstructie voor de gehele procedure gold, niet dat daarmee kan worden gezegd dat het aan de opgeëiste persoon te wijten is dat hij niet zijn verdedigingsrechten in hoger beroep heeft kunnen uitoefenen. Hij wist immers niet van het hoger beroep. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a en c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en er ook niet een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Uit de stukken, waaronder de antwoorden van 29 november 2024, blijkt evenmin dat een omstandigheid als bedoeld onder artikel 12, sub b, OLW zich heeft voorgedaan. Hieruit blijkt immers niet dat de opgeëiste persoon zijn advocaat had gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen noch dat hij überhaupt op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van dat artikel te weigeren. De rechtbank kan namelijk niet – ook niet met de antwoorden van 29 november 2024 – vaststellen dat de opgeëiste persoon niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Zoals in het tussenvonnis is overwogen, blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens preparatory proceedings een adres heeft opgegeven waarop hij officiële correspondentie omtrent de strafprocedure wenste te ontvangen en dat hij er daarbij ook op is gewezen dat hij eventuele adreswijzigingen door moest geven en de gevolgen als hij dat niet zou doen. Uit de antwoorden van 29 november 2024 blijkt dat deze adresinstructie zich ook uitstrekte over een eventueel hoger beroep. Daaruit blijkt echter niet dat de opgeëiste persoon dit ook wist of moest hebben geweten. Bovendien kan het hem moeilijk worden tegenworpen dat hij zich, gezien die adresinstructie, gedurende de procedure in hoger beroep niet bereikbaar hield voor correspondentie als niet kan worden vastgesteld dat hij überhaupt wíst dat er een procedure in hoger beroep liep. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de opgeëiste persoon uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de procedure in hoger beroep. 4 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 5 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW . 6 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Lublin, Polen. HEFT OP de gevangenneming. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter, mrs. A.J. Scheijde en J.B. Oreel, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 december 2024. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2024:7342