Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Case Summary

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/770276 / HA ZA 25-1129 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.M. Geelkerken, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEDIAHUIS NRC B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: NRC, advocaat: mr. L. Oranje. 1 De zaak in het kort 1.1. [eiser] is een procedure tegen NRC gestart omdat hij wil dat NRC een artikel dat zij in april 2022 op haar website heeft gepubliceerd (hierna: het Artikel), aanpast. Het Artikel gaat over een strafzaak tegen [eiser] die op 31 maart 2022 op zitting is behandeld, waarna hij twee weken later door de rechtbank Zeeland-West-Brabant is veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf wegens seksuele uitbuiting van twee minderjarige meisjes. In het Artikel staan, naast de bewezenverklaring en de straf, de voornaam, de leeftijd en het beroep van [eiser] vermeld. Volgens [eiser] is dit onrechtmatig jegens hem, omdat het Artikel zijn eer en goede naam aantast en in strijd is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Hij vordert daarom in deze procedure dat de rechtbank NRC beveelt om het Artikel aan te passen door daaruit alle (strafrechtelijke) persoonsgegevens te verwijderen, op straffe van een dwangsom, en om een schadevergoeding aan hem te betalen. 1.2. NRC bestrijdt dat het Artikel onrechtmatig is. Zij wijst erop dat het een fundamenteel uitgangspunt van onze rechtstaat is dat ernstige misstanden publiekelijk besproken mogen worden. NRC heeft verslag gedaan van wat er op de openbare terechtzitting is besproken en welke straf is opgelegd. De wijze van verslaglegging, met het achterwege laten van de achternaam (en zelfs geen voorletter van de achternaam) en ook het weglaten van diverse persoonlijke details en omstandigheden die in de zaak naar voren zijn gekomen, valt ruim binnen de grenzen van het toelaatbare en is beschermd door de uitingsvrijheid. Ook is er geen sprake van strijd met de AVG, aldus NRC. 1.3. De rechtbank dient in het kader van het gevorderde een afweging te maken tussen het recht op bescherming van de eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer van [eiser] , zoals neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het in artikel 10 lid 1 EVRM verankerde recht van NRC op vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid daaronder begrepen. Die belangenafweging pakt in dit geval in het voordeel van NRC uit. Het artikel is dus niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ook is het Artikel niet in strijd met de AVG en/of UAVG. Het Artikel behoeft dan ook niet te worden aangepast en NRC behoeft geen schadevergoeding te betalen. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hierna wordt dit oordeel nader uitgelegd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 juli 2024, met bijlagen, de tussenbeschikking van 22 augustus 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, het e-mailbericht van mr. Geelkerken van 3 maart 2025, waarin hij de rechtbank verzoekt om verwijzing van de procedure naar de dagvaardingsprocedure met gebruikmaking van de wisselbepaling van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), het bericht van deze rechtbank van 3 maart 2025, waarin partijen zijn bericht dat de zitting geen doorgang zal krijgen en dat het verzoek is verwezen naar de (interne)rekestenrol voor het wijzen van een (verwijzingsbeschikking), het e-mailbericht van mr. Geelkerken van 9 april 2025 met bijlage, te weten een dagvaarding ex artikel 69 Rv, met producties, de beschikking van 8 mei 2025, waarin de procedure is verwezen naar de dagvaardingsprocedure en [eiser] is bevolen het inleidende processtuk te verbeteren en/of aan te vullen als bedoeld in artikel 69 lid 1 Rv, het bericht van mr. Geelkerken van 10 juni 2025, waarin hij erop wijst dat hij al een aangepast processtuk, de dagvaarding, heeft ingediend, de dagvaarding, zoals die op 9 juli 2025 aan NRC is betekend, de conclusie van antwoord, met producties, het tussenvonnis van 20 augustus 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 november 2025, alsmede de door de griffier gemaakte aantekeningen van die mondelinge behandeling die zich in het dossier bevinden. 3 De feiten 3.1. [eiser] was werkzaam in de zorgverlening en meest recent als [naam functie] bij een [zorgverlener] . 3.2. NRC is uitgever van het landelijke dagblad NRC Handelsblad en [internetsite] . Op haar website staat een rubriek ‘De Zitting’. In die rubriek wordt elke week een artikel geplaatst, waarin een rechtszaak wordt beschreven, met het doel de lezers te informeren over de dagelijkse gang van zaken binnen de rechtspraak. 3.3. Op 31 maart 2022 is een redacteur van NRC aanwezig geweest bij de zitting van de strafzaak van [eiser] in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda. [eiser] is twee weken later, op 14 april 2022, door de meervoudige kamer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan een half jaar voorwaardelijk, voor het seksueel uitbuiten van twee minderjarige meisjes. 3.4. Op [datum] 2022 heeft NRC het Artikel over de zitting en de straf die [eiser] heeft gekregen op haar website, in de rubriek ‘De Zitting’, gepubliceerd. Het Artikel heeft als kop “ [titel artikel] ”. Het Artikel beschrijft het verloop van de zitting en hierin staan, onder meer, de volgende passages: “ De Zitting [eiser] (32) wordt verdacht van seksuele uitbuiting van twee meisjes van 17. (…) [eiser] staat nu terecht voor seksuele uitbuiting van twee minderjarigen: (…) ,,Ik heb mijn verhaal zo beknopt mogelijk opgeschreven”, zegt hij bereidwillig. [eiser] is [naam functie] en zit al een jaar in voorarrest. Hij kende het meisje via een datingsite. Ze hadden seks, één keer. [eiser] zegt dat ze het allebei wilden. Hij wist niet dat ze minderjarig was en loog over haar leeftijd, zegt hij. Tevergeefs had hij haar om legitimatie gevraagd. Hij zegt dat hij niet om zijn verantwoordelijkheden heen wil draaien, ,,maar ik ben ook een beetje in het ootje genomen”. (…) Ook het slachtoffer van de zaak uit 2019 ontmoette hij online. Zij was zeventien. [eiser] zegt weer dat hij dat ,,absoluut niet wist”. (…) Volgens de officier kan uit het dossier worden opgemaakt dat [eiser] ,,er naast zijn baan als [naam functie] werkzaamheden als pooier op na hield.” (…) Twee weken later hoort [eiser] dat hij drie jaar cel krijgt, waarvan een half jaar voorwaardelijk. Volgens de rechtbank is hij ,,zeer manipulatief en berekend” te werk gegaan. (…)” 3.5. Als in de internetzoekmachine Google Search de zoekopdracht ‘ [eiser] [naam functie] ’ wordt ingevoegd, verschijnt bij de zoekresultaten onder meer een URL (van Facebook) die naar het Artikel verwijst. 3.6. Op 12 maart 2024 heeft de advocaat van [eiser] NRC verzocht om de strafrechtelijke persoonsgegevens van [eiser] uit het Artikel te verwijderen. 3.7. NRC heeft tot op heden geweigerd dit te doen. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair I. NRC beveelt om onverwijld het Artikel aan te passen en alle persoonsgegevens, waaronder zijn voornaam, leeftijd en beroep daaruit te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag, te vermeerderen met de wettelijke rente, II. NRC veroordeelt tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 750,-, subsidiair III. subsidiair, een voorziening treft die ertoe leidt dat er geen (strafrechtelijke) persoonsgegevens van [eiser] door NRC verwerkt worden, primair en subsidiair IV. NRC veroordeelt in de proceskosten. 4.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de publicatie van het Artikel op de website van NRC onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW, omdat, kort samengevat, NRC daarin zijn strafrechtelijke persoonsgegevens heeft verwerkt en daarmee zijn eer en goede naam aantast en in strijd handelt met de AVG. In het Artikel worden zijn voornaam, leeftijd en beroep genoemd. In het kader van de te maken belangenafweging dient het recht van NRC op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM) te worden beperkt ten gunste van het belang van [eiser] op de bescherming van zijn eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM). Bij de in dit kader te maken belangenafweging moet worden betrokken dat het feit waarvoor [eiser] is veroordeeld relatief licht is, dat hij zijn opgelegde straf inmiddels heeft ondergaan en dat hij veel hinder van het Artikel ondervindt, zowel in de privésfeer als in het kader van hem betreffende professionele aangelegenheden. Door de vermelding van zijn voornaam, leeftijd en beroep is het heel eenvoudig om te achterhalen dat het om [eiser] gaat, terwijl dit geen ander doel dient dan het schaden van [eiser] . Daarnaast is het niet noodzakelijk om zijn strafrechtelijke persoonsgegevens in het Artikel te vermelden, zodat ook in strijd met artikel 10 van de AVG is gehandeld. De publicatie is dan ook onrechtmatig en dient te worden aangepast. NRC is daarnaast, vanwege de onrechtmatigheid van het gepubliceerde, gehouden om een immateriële schadevergoeding aan [eiser] te betalen, aldus [eiser] . 4.3. NRC is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Toetsingskader 5.1. Het gaat in deze zaak om een botsing tussen twee fundamentele grondrechten: het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] , beschermd door artikel 8 EVRM, en het recht op vrijheid van meningsuiting van NRC, de persvrijheid daaronder begrepen, beschermd door artikel 10 EVRM. Als de vorderingen van [eiser] zouden worden toegewezen, zou dit betekenen dat de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid van het NRC zouden worden beperkt. Een beperking van dit recht is op grond van artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan als deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de rechtbank tot het oordeel komt dat het Artikel onrechtmatig is tegenover [eiser] in de zin van artikel 6:162 BW. 5.2. Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Het oordeel dat één van beide rechten zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets. Uit de Europese en nationale rechtspraak zijn de volgende niet-limitatieve gezichtspunten ontwikkeld voor de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van een publicatie: de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal; de mate waarin de openbaarmaking een bijdrage levert aan een (publiek) debat van algemeen belang; de mate van bekendheid van de betrokken persoon en het eerdere gedrag van de betrokken persoon in verhouding tot de media; de inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie voor degene op wie de uitlatingen betrekking hebben; het al dan niet geven van gelegenheid tot wederhoor. Deze omstandigheden wegen niet alle even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Wanneer gepubliceerde informatie (mede) een feitelijk karakter heeft, komt belangrijk gewicht toe aan de eerstgenoemde omstandigheid. Belangenafweging 5.3. De rechtbank komt op basis van een toetsing van de omstandigheden van het geval aan bovengenoemde criteria tot de conclusie dat het Artikel niet onrechtmatig tegenover [eiser] is. De omstandigheden die in deze zaak een rol spelen, worden hierna besproken. i. Voldoende steun in de feiten 5.4. Allereerst is van belang dat het Artikel voldoende steun vindt in de feiten. Niet in geschil is namelijk dat het Artikel slechts feiten benoemt die tijdens de strafzitting naar voren zijn gekomen of in het (door NRC in deze procedure overgelegde) vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: het strafvonnis) zijn vermeld. Nu het Artikel geen onjuistheden bevat, speelt dit een belangrijke rol bij de belangenafweging en wel in het voordeel van NRC. ii. Bijdrage aan het publiek debat 5.5. Voorts is van belang dat het Artikel als onderwerp heeft de veroordeling van [eiser] voor het seksueel uitbuiten van twee minderjarige meisjes met wie hij online in contact was gekomen. Seksuele uitbuiting is een ernstige misstand die de hele samenleving raakt, zeker wanneer de slachtoffers minderjarig zijn en wanneer deze seksuele uitbuiting heeft plaatsgevonden via online platforms. Daarmee is het een onderwerp dat in de publieke belangstelling staat. De ernst van de feiten wordt in dit geval bevestigd door het gegeven dat de strafzaak is behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en dat [eiser] voor het plegen van de feiten een behoorlijk forse (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen. Anders dan [eiser] betoogt, is dus geen sprake van een ‘licht vergrijp’. Eén en ander maakt dat er een groot maatschappelijk belang bestaat bij de publicatie van het Artikel, zodat ook dit bij de belangenafweging in het voordeel van NRC meeweegt. iii. Inhoud en vorm van de publicatie 5.6. Verder is de wijze waarop NRC het Artikel heeft geschreven en hieraan vorm heeft gegeven relevant. In dit kader staat tussen partijen ter discussie of de voornaam, de leeftijd en het beroep van [eiser] hierin moe(s)ten worden vermeld. Vooropgesteld wordt dat de pers om haar rol in de samenleving te kunnen vervullen een grote mate van vrijheid heeft om te beslissen welke details zij wil publiceren om de geloofwaardigheid van een artikel te waarborgen, op voorwaarde dat de gemaakte keuzes zijn gebaseerd op binnen de journalistiek geldende ethische regels en gedragscodes. Als het gaat om bijdragen van journalisten aan het publieke debat, bijvoorbeeld bij ernstige strafbare feiten zoals hier aan de orde, bestaat weinig ruimte voor beperkingen op de vrijheid van meningsuiting. Dat heeft ermee te maken dat de pers de taak heeft om informatie te verspreiden en het publiek het recht heeft om die informatie te ontvangen. Ook het noemen van iemands naam wordt in beginsel als een keuze gezien die in principe onder de journalistieke vrijheid valt. 5.7. Het bezwaar van [eiser] tegen het Artikel is met name gericht tegen het feit dat het zijn beroep, gecombineerd met zijn voornaam en leeftijd, vermeldt, omdat hij hier als professional veel last van heeft. Hiertoe voert hij aan dat de groep van mannelijke [naam functie] zeer klein is en dat, nu er daarnaast maar weinig mannelijke [naam functie] zijn die zijn voornaam (en leeftijd) hebben, snel duidelijk zal zijn dat het om hem gaat. 5.8. De rechtbank volgt NRC echter in haar betoog dat in elk geval het benoemen van het beroep van [naam functie] voor de context van zijn strafrechtelijk handelen van belang is, aangezien hiermee zijn positie in de maatschappij wordt weergegeven en hij bovendien met zijn professie een belangrijke rol speelt in het openbare leven. Bovendien is zijn beroep in de strafzaak daadwerkelijk relevant bevonden. De officier van justitie heeft tijdens de zitting van de strafzaak erop gewezen dat [eiser] als [naam functie] werkzaam was en ook uit het strafvonnis blijkt dat bij het bepalen van de straf hiermee rekening is gehouden. 5.9. De rechtbank is daarnaast met NRC van oordeel dat ook het noemen van de leeftijd van [eiser] voor de context van zijn strafrechtelijk handelen van belang is, nu hij - als volwassen man - is veroordeeld voor het seksueel uitbuiten van twee minderjarige meisjes. Voor het noemen van de voornaam voert NRC terecht aan dat ook dit relevant is, omdat dit juist andere mannelijke [naam functie] uitsluit en vrijpleit. Hier is belang bij omdat de groep van mannelijke [naam functie] , zoals [eiser] zelf ook naar voren heeft gebracht, relatief klein is. Als de voornaam niet zou worden genoemd, zou dit met zich kunnen brengen dat alle andere mannelijke [naam functie] daarmee ‘verdacht’ zouden kunnen worden. Bovendien heeft NRC rekening gehouden met de belangen van [eiser] door niet zijn volledige naam te noemen, maar alleen zijn voornaam. De eerste letter van zijn achternaam is achterwege gelaten, terwijl ook het noemen hiervan een gebruikelijke en algemeen geaccepteerde manier is om namen van verdachten (in dit geval zelfs een veroordeelde) te publiceren. Kortom, het noemen van het beroep, de leeftijd en – in dit geval slechts – de voornaam is in dit geval relevant te achten voor de ernstige kwestie waarover verslag is gedaan, en valt daarmee in principe onder de journalistieke vrijheid. Daarbij komt dat NRC erop heeft gewezen dat deze gegevens bijdragen aan de controleerbaarheid, geloofwaardigheid en zeggenschap van de boodschap. Met een en ander heeft NRC voldoende aannemelijk gemaakt dat de vermelding van deze gegevens bijdraagt aan de zeggingskracht van het Artikel en daarmee aan het algemene belang. 5.10. Overigens heeft NRC ook rekening gehouden met de belangen van [eiser] door bepaalde details uit het strafvonnis (met opzet) niet te benoemen en door persoonlijke omstandigheden, zoals zijn woonplaats, familieomstandigheden, bepaalde medische omstandigheden en zijn werkgever van destijds niet te benoemen. Ook zijn de standpunten van [eiser] , zoals hij die tijdens de strafzitting naar voren heeft gebracht, in het Artikel vermeld, zoals zijn reactie dat hij niet wist dat de slachtoffers minderjarig waren. 5.11. Tegen publicatie van zijn voornaam, leeftijd en beroep (en daarmee vóór eerbiediging van de privacy van [eiser] ) zou kunnen pleiten dat de strafzaak ruim drie jaar geleden is afgerond en hij inmiddels zijn straf heeft ondergaan. Deze omstandigheden wegen echter, afgezet tegen de besproken omstandigheden (r.o. 5.4 tot en met 5.10) en tegen het genoemde toetsingskader (r.o. 5.1 en 5.2) niet op tegen het zwaarwegende publieke belang bij publicatie van het Artikel met vermelding van de gegevens van [eiser] zoals NRC dat heeft gedaan. iv. Gevolgen van de publicatie voor [eiser] 5.12. Tot slot dient nog rekening te worden gehouden met het schadelijke effect van het publiceren van de informatie waarmee [eiser] geïdentificeerd kan worden. Volgens [eiser] ervaart hij als gevolg van de publicatie van het Artikel veel hinder, zowel in zijn privéleven als in zijn professionele leven. Hij benoemt dat het onmogelijk is om een nieuw leven op te bouwen, omdat hij regelmatig wordt geconfronteerd met het Artikel en dat dit ook voor zijn familieleden geldt; ook zij hebben hier last van. Daarnaast betoogt hij dat hij vanwege het Artikel wordt geweigerd bij sollicitaties. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij geen VOG heeft verkregen, maar dat hij desalniettemin een baan had gevonden. Hij heeft toegelicht dat zijn nieuwe werkgever hem inmiddels wel weer heeft ontslagen en dat hij nu nergens anders in zijn branche aan de slag kan. 5.13. Hoewel het begrijpelijk is dat het Artikel van invloed kan zijn op het leven van [eiser] , betekent dit op zichzelf niet dat het Artikel daarmee onrechtmatig is. Volgens vaste rechtspraak kan geen beroep worden gedaan op het recht op bescherming van reputatie als het verlies van goede naam een voorzienbaar gevolg is van het eigen gedrag, zoals het plegen van een strafbaar feit. In dat kader is verder van belang dat NRC erop heeft gewezen dat de strafzaak van [eiser] en zijn veroordeling ook bekend is gemaakt via andere publicaties, waaronder in het Brabants Dagblad. In dat artikel staan zijn voornaam, het intitaal van zijn achternaam én zijn woonplaats genoemd. Hoewel zijn beroep in die publicatie niet staat vermeld, moet ermee rekening worden gehouden dat ook de informatie in die publicatie over de veroordeling naar hem te herleiden valt. Daarmee valt te betwijfelen of het verwijderen van zijn voornaam, beroep en/of leeftijd in het Artikel nog enig effect zal hebben. Daar komt bij dat het Artikel van een aantal jaren geleden is en dat de branche van [eiser] , naar zijn eigen zeggen, relatief klein is, zodat niet valt uit te sluiten dat de informatie die het Artikel ontsluit binnen die branche al bekend is. Dat [eiser] nadeel ondervindt van de publicatie van het Artikel, is vanwege al het voorgaande van beperkter gewicht bij de belangenafweging. v. De belangenafweging 5.14. Gelet op alle genoemde omstandigheden en het daaraan toegeschreven gewicht, is het publiceren van de betreffende beperkte aanvullende informatie, waaronder de voornaam, de leeftijd en het beroep van [eiser] in dit geval niet disproportioneel, ook al zou die het gemakkelijker maken om het Artikel naar [eiser] te herleiden. Het betoog van [eiser] dat NRC haar nagestreefde doel om het publiek over de strafzaak te informeren ook had kunnen bereiken zonder zijn naam, leeftijd en beroep te noemen, slaagt dan ook niet. De conclusie is dan ook dat het recht op vrijheid van meningsuiting van NRC in dit geval zwaarder weegt dan het recht op bescherming van de eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer van [eiser] . De publicatie van het Artikel is daarom niet onrechtmatig. Geen schending van de AVG/UAVG 5.15. [eiser] stelt zich verder op het standpunt dat NRC door vermelding in het Artikel van een beschrijving van het strafbare feit, de straf, zijn voornaam, zijn leeftijd en zijn beroep in strijd heeft gehandeld met de AVG en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: UAVG). Niet in geschil is dat in het Artikel persoonsgegevens van [eiser] zijn verwerkt, meer in het bijzonder strafrechtelijke persoonsgegevens in de zin van de AVG en UAVG. Partijen verschillen van mening of deze (strafrechtelijke) gegevens door NRC mochten worden verwerkt. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit wel het geval is en dat het beroep van [eiser] op schending van de AVG/UAVG niet slaagt. In dit kader wordt het volgende overwogen. 5.16. Hoewel [eiser] stelt dat NRC de ‘verwerker’ van zijn persoonsgegevens is, begrijpt de rechtbank het betoog van [eiser] zo dat hij NRC in relatie tot het Artikel als ‘verwerkingsverantwoordelijke’ als bedoeld in artikel 4, onder 7, van de AVG aanmerkt. Uit genoemd artikel volgt dat onder ‘verwerkingsverantwoordelijke’ wordt verstaan: een natuurlijk persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. NRC erkent dat zij verwerkingsverantwoordelijke is en ook de rechtbank onderschrijft dit. 5.17. Het beroep van [eiser] op het verbod van verwerking van strafrechtelijke gegevens als bedoeld in artikel 10 AVG slaagt niet, omdat het beroep van NRC op de journalistieke exceptie als bedoeld in artikel 43 lid 3 UAVG slaagt. 5.18. Artikel 10 AVG bepaalt, voor zover hier van belang, dat persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten op grond van artikel 6 lid 1 AVG alleen mogen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Uit artikel 43 UAVG volgt dat het grootste deel van de UAVG en delen van de AVG niet van toepassing zijn op, voor zover hier van belang, de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke doeleinden. Uit lid 3 volgt expliciet dat dit ook geldt voor artikel 10 AVG. Van ‘journalistieke activiteiten’ is sprake als die verwerking als enig doel heeft de bekendmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën, ongeacht het overdrachtsmedium. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dit het geval is. Daarbij moet het begrip ‘journalistiek’ ruim worden geïnterpreteerd om rekening te houden met het belang dat de vrijheid van meningsuiting in elke democratische samenleving toekomt. 5.19. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank met NRC van oordeel dat het Artikel kan worden gezien als een journalistieke activiteit. NRC heeft er immers op gewezen dat zij met haar website het publiek beoogde te informeren over het soort criminaliteit dat niet vanzelfsprekend op de voorpagina komt, maar waarvoor maatschappelijke belangstelling bestaat, ook omdat de gevolgen voor de slachtoffers groot kunnen zijn. Het Artikel strookt met die doelstelling, aangezien het een feitelijke weergave bevat van het verloop van de strafzitting en het daarop gevolgde oordeel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Er is dan ook sprake van verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke doeleinden. 5.20. Volgens [eiser] is het niet noodzakelijk om zijn strafrechtelijke persoonsgegevens te verwerken en is daarom de uitzondering als bedoeld in artikel 43 lid 3 UAVG niet van toepassing, maar dit betoog gaat niet op. Op grond van vaste jurisprudentie vergt de eis van noodzakelijkheid een evenwichtige afweging van de hiervoor al beoordeelde fundamentele rechten van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en het recht van vrijheid van meningsuiting van NRC. Die afweging valt hetzelfde uit als hiervoor in r.o. 5.3 tot en met 5.14 is besproken. Dat betekent dat de uitingsvrijheid van NRC zwaarder weegt en dat de inbreuk op [eiser] zijn recht op privacy als noodzakelijk wordt beoordeeld. De stelling van [eiser] dat NRC, hoewel zij in het Artikel slechts feiten heeft benoemd, slechts heeft beoogd om [eiser] in een kwaad daglicht te stellen en te houden, vindt geen steun in het Artikel of in de rest van het dossier en is daarmee onvoldoende onderbouwd. 5.21. Het voorgaande brengt met zich dat het beroep van NRC op de journalistieke exceptie uit artikel 43 UAVG slaagt. Het het beroep van [eiser] op artikel 10 AVG dat zijn strafrechtelijke persoonsgegevens niet mogen worden verwerkt, treft dan ook geen doel. 5.22. Ook de verwijzing van [eiser] naar artikel 6 lid 1 sub f AVG, welk artikel niet door de journalistieke exceptie van artikel 43 UAVG is uitgesloten, leidt niet tot een ander resultaat. In dit artikel is immers bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens is toegestaan als dit noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verantwoordelijke (in dit geval: NRC), tenzij, kort samengevat, het recht van de betrokkene op privacy zwaarder weegt. Diezelfde afweging is echter hiervoor onder 5.14 reeds gemaakt: de voornaam, de leeftijd en het beroep van [eiser] mogen worden vermeld, omdat dat noodzakelijk is voor de uitoefening door NRC van haar recht op vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid daaronder begrepen. Slotsom 5.23. Gelet op al het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Proceskosten 5.24. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NRC worden begroot op: - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.094,00 5.25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Uitvoerbaar bij voorraad 5.26. De proceskostenveroordeling, inclusief de veroordeling tot het betalen van wettelijke rente, wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordeling ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025. EHRM 10 januari 2012, nr. 34702/07 ( Standard Verlags/Oostenrijk ). EHRM 28 juni 2018, nr. 60798/10 en 655599/10 ( M.L. en W.W./Duitsland ). EHRM 27 juli 2004, nr. 55480/00, EHRC 2004/90 ( Sidabras ). HvJ EU 16 december 2008, ECLI:EU:C:2008:727 ( Satamedia ); zie ook HvJ EU 14 februari 2019, ECLI:EU:C:2019:122 ( Buivids ). Hof ’s-Hertogenbosch 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3450.