Rechtbank Amsterdam
Rechtbank Amsterdam
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-284609-25 Datum uitspraak: 13 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 27 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 februari 2025 door de 2nd Criminal Division of the Regional Court in Ostrołęka , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 2002, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Met instemming van partijen is bepaald dat de rechtbank op de zitting van 13 januari 2026 het onderzoek enkelvoudig zal sluiten waarna direct uitspraak wordt gedaan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een decision of 5th December 2024 issued by the District Court in Ostrolęka for a period of 30 (thirty) days as of the arrest date met referentie II Kp 507/24 (4024-0.Ds.645.2024). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen mishandeling; diefstal in vereniging. 5 Artikel 11 OLW 5.1 Poolse detentieomstandigheden in remand prisons Inleiding De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. Het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 wordt in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. Bij e-mail van 11 december 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder andere de volgende informatie gegeven: “In response to the questions contained in the email dated November 26, 2025, in case II Kop 8/25 concerning [opgeëiste persoon], in accordance with the judge’s order of December 11, 2025, I hereby inform you that in the event of a possible surrender to the Polish side, the fugitive [opgeëiste persoon] will remain at the disposal of the District Prosecutor’s Office in Ostrołęka. [..] The response received from the District Prosecutor's Office in Ostrołęka indicates that in the event of his surrender, the fugitive [opgeëiste persoon] will be held in the Prison in Przytuły Stare, which is the appropriate location for the prosecutor's office. Inmates in the Prison in Przytuły Stare have a minimum of 3 square meters of space at their disposal. They are allowed to spend at least two hours a day outside their cells. They can participate in sports and recreational activities on the sports fields, sports hall, and ward recreation rooms. [..] If surrendered, [opgeëiste persoon] will be provided with conditions equivalent to those enjoyed by other pretrial detainees at Przytuły Stare Prison.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie niet volstaat. Het is onduidelijk of de gegarandeerde vierkante meters aan persoonlijke ruimte inclusief of exclusief sanitair is. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat er activiteiten worden aangeboden, maar blijft onduidelijk hoe de concrete invulling hiervan plaatsvindt en hoe deze het algemene gevaar wegnemen voor de opgeëiste persoon. De raadsman verzoekt de zaak daarom aan te houden om hierover nadere vragen te stellen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. Er wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon twee uur buiten de cel kan verblijven. Daarnaast is in de vraagstelling gevraagd naar de persoonlijke ruimte exclusief sanitair. Het antwoord moet dan ook zo worden gelezen dat er persoonlijke ruimte exclusief sanitair wordt gegarandeerd. Hierdoor is het stellen van nadere vragen niet noodzakelijk. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Poolse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie van 11 december 2025. De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Poolse autoriteiten in samenhang gelezen met de door het IRC gestelde vragen, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten, omdat de opgeëiste persoon minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte heeft in een meerpersoonscel (exclusief sanitair) en hij minimaal 2 uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen. De detentieomstandigheden staan daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen. 5.2 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 47, 300 en 310 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de 2nd Criminal Division of the Regional Court in Ostrołęka , Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.R.P.J. Davids, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 januari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311 ECLI:NL:RBAMS:2025:7310. HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .