ECLI:NL:RBZWB:2026:641 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-02-2026 / BRE 25/2379
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Case Summary
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2379 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 28 januari 2025 op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg) om inzage in de persoonsgegevens van haar zoon. 1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk? 3. De rechtbank stelt vast dat het college, na ontvangst van de ingebrekestelling op 1 maart 2025, alsnog binnen twee weken heeft beslist. In de beslissing op de ingebrekestelling van 14 maart 2025 heeft het college namelijk ook beslist op eiseres haar aanvraag van 28 januari 2025. Het college heeft namelijk beslist dat het besluit en de bijbehorende documentatie worden verstrekt aan eiseres haar zoon en niet aan eiseres. 3.1. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank kan geen beslistermijn opleggen en het college hoeft daarom geen dwangsom aan eiseres te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.2. Omdat het beroepschrift binnen zes weken na 14 maart 2025, op 22 april 2025, is ingediend, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep als bezwaar aan te merken en door te zenden aan het college ter behandeling als bezwaar. Nu dit beroepschrift al in het bezit is van het college zal de rechtbank dit niet opnieuw toezenden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - verwijst het beroep gericht tegen het besluit van 14 maart 2025 naar het college ter behandeling als bezwaar. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 4 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Op grond van artikel 6:15 van de Awb.