ECLI:NL:RBDHA:2025:27564 Rechtbank Den Haag , 23-09-2025 / NL25.39294 en NL25.39295
Rechtbank Den Haag
Case Summary
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.39294 (beroep) NL25.39295 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Jankie), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Noorderloos). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft zijn identiteit namelijk niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij gevaar loopt in Algerije wegens bedreigingen die hij krijgt omdat hij geld zou hebben geleend. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 29 juli 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1990. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond en relaas 3. Eiser heeft verklaard dat hij begin 2019 is vertrokken uit Algerije en sindsdien in verschillende Europese landen heeft verbleven. Eiser heeft eerder in Zwitserland, Luxemburg en Nederland een asielaanvraag ingediend, maar hij heeft geen van deze procedures afgewacht. Op grond van de Dublinverordening hebben Luxemburg en Zwitserland een claimverzoek bij Nederland ingediend. Zwitserland heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Op 29 juli 2025 is eiser teruggenomen door Nederland en heeft hij opnieuw een asielaanvraag ingediend in Nederland. 3.1. Eiser legt aan zijn asielrelaas het volgende ten grondslag. Hij geeft aan dat hij gevaar loopt in Algerije wegens een geldlening die hij bij vrienden heeft afgesloten in 2019. Hij is met behulp van de lening naar Europa gegaan en wilde het geld terugverdienen. Toen hij na een jaar het geld niet had terugbetaald, kreeg hij problemen met de vrienden van wie hij het geld heeft geleend. Hij is telefonisch bedreigd door hen en hij stelt dat de vrienden bij zijn familie langs zijn geweest met bedreigingen. Vanwege de bedreigingen stelt eiser niet terug te kunnen keren naar Algerije. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft de twee asielmotieven van eiser op geloofwaardigheid beoordeeld. Het gaat om: 1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en 2. de bedreigingen vanwege het geleende geld. Het eerste asielmotief is deels geloofwaardig geacht en het tweede asielmotief is niet geloofwaardig geacht. 4.1. Verweerder heeft zich ten aanzien van het eerste asielmotief op het standpunt gesteld dat eiser wordt gevolgd in zijn opgegeven nationaliteit en herkomst, maar niet wordt gevolgd in zijn gestelde identiteit. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring. Ook heeft hij geen samenhangende en aannemelijke verklaringen afgelegd. Eiser heeft in andere landen verschillende persoonsgegevens afgelegd. Verweerder heeft ook de gestelde bedreigingen vanwege het geleende geld niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel, en ook kan eiser volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en eiser bij terugkeer naar Algerije geen reëel risico loopt op ernstige schade. Aan eiser wordt ook geen reguliere verblijfsvergunning verleend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond . In het bestreden besluit is tegen eiser ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. 4.2. Verweerder heeft op 15 augustus 2025 een aanvullend terugkeerbesluit genomen waarin is opgenomen dat eiser moet terugkeren naar Algerije. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser 5. Eiser voert aan dat hij een paspoort, een identiteitskaart en een geboorteakte had. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers verklaring dat hij zijn moeder niet wilde belasten om documenten op te vragen. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn achternaam. Het gaat slechts om een spelfout. Daarbij komt dat taalverschillen kunnen bijdragen aan een andere schrijfwijze. Dat zijn naam in andere landen verschillend is opgeschreven betekent niet dat hij tegenstrijdig heeft verklaard. Het verwijt dat eiser een valse naam zou hebben gebruikt mag niet doorwerken in de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de identiteit van eiser niet geloofwaardig heeft kunnen vinden. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat hij onvoldoende documenten heeft overlegd en hiervoor geen goede verklaring heeft gegeven. De enkele stelling dat eiser zijn moeder niet wilde belasten om documenten op te vragen, heeft verweerder ontoereikend mogen vinden. Eiser heeft immers voldoende tijd en mogelijkheden gehad om documenten op te vragen. Daarbij heeft verweerder ook kunnen betrekken dat eiser sinds 2019 in Europa verblijft en meerdere asielprocedures heeft doorlopen, zodat het belang van het overleggen van documenten bij eiser bekend mag worden verondersteld. Verweerder mocht van eiser verwachten dat hij zich in tussentijd had ingespannen om zijn identificerende documenten te verkrijgen. Ook in beroep is niet gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om documenten te verkrijgen. 5.2. De rechtbank volgt verweerder ook in de stelling dat eiser geen samenhangende verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij in Nederland en in andere landen verschillende achternamen heeft opgegeven in zijn asielprocedures. Hoewel het verschil tussen de door hem opgegeven naam in Luxemburg ( [achternaam 1] ) en Zwitserland ( [achternaam 2] ) maar één letter is, is het verschil met de schrijfwijze in Nederland groter ( [achternaam 3] ). Eiser heeft daarvoor geen goede verklaring. Daarnaast is eiser in de huidige asielprocedure ook niet consistent over de schrijfwijze van zijn naam nu hij in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven dat hij [achternaam 4] heet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de enkele, niet onderbouwde, stelling dat zijn achternaam in Latijnschrift op verschillende manieren kan worden opgeschreven, een onvoldoende verklaring is voor voornoemde inconsistenties. 5.3. Met betrekking tot de conclusie van verweerder dat eiser in grote lijnen als ongeloofwaardig kan worden beschouwd, overweegt de rechtbank als volgt. De enkele stelling van eiser dat hij het onterecht vindt dat verweerder hem tegenwerpt dat hij de eerdere asielprocedures in Nederland en de andere landen niet heeft afgewacht, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende mogen vinden. Verweerder heeft kunnen verwijzen naar eerdere asielprocedures en heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat hij meerdere malen de asielprocedure niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat om die reden getwijfeld wordt aan het belang en noodzaak van eisers verzoeken om internationale bescherming. De beroepsgronden slagen niet. De dreigementen in het land van herkomst 6. Eiser voert aan hij voor zijn problemen geen bescherming kan krijgen in Algerije. Hij verwijst in dat verband naar een rapport van het US Departement of State van 12 augustus 2025. 6.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verklaringen met betrekking tot de dreigementen in Algerije ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Verweerder heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn asielmotief met betrekking tot de bedreigingen niet heeft onderbouwd met documenten. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser niet kunnen specificeren hoe vaak de telefonische dreigementen plaatsvonden en wanneer de broers voor het laatst bij zijn familie zijn geweest. Eiser heeft verweerders standpunt, dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over de dreigementen, niet bestreden. Verweerder heeft verder kunnen tegenwerpen dat zijn vrees om gedood te worden als hij het geleende geld niet terugbetaalt, is gebaseerd op vermoedens. Bovendien blijkt uit zijn verklaring dat de laatste bedreiging drie jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat eisers familie sindsdien niets meer van hen heeft vernomen. De rechtbank is van oordeel dat de stelling in beroep dat er sprake is van een actuele dreiging onvoldoende is, nu die stelling niet concreet is gemaakt of is onderbouwd. Verder geldt ook voor dit asielmotief dat verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser in grote lijnen als ongeloofwaardig wordt beschouwd. De beroepsgrond slaagt niet. 6.2 Nu dit asielmotief ongeloofwaardig is, zal de rechtbank de beroepsgronden van eiser die zien op vrees bij terugkeer naar Algerije niet bespreken. Terugkeerbesluit en inreisverbod 7. Eiser stelt dat verweerder rekening had moeten houden met relevante individuele omstandigheden voordat er kan worden overgegaan tot het tenuitvoerleggen van terugkeermaatregelen. Eiser heeft ook aangevoerd dat het inreisverbod wegens zijn detentie in de praktijk langer doorwerkt dan de duur waarvoor het is opgelegd, en dat dit gelet op eisers individuele omstandigheden, disproportioneel is. 7.1. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eiser niet heeft geconcretiseerd met welke individuele omstandigheden verweerder rekening had moeten houden bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Bovendien volgt uit artikel 66a, vierde lid, van de Vw dat het inreisverbod pas ingaat op het moment dat een vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel. Conclusie en gevolgen 8. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. 9. Omdat in de hoofdzaak is beslist, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10. Eiser krijgt in beide zaken geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verordening (EU) 604/2013. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw