ECLI:NL:RBAMS:2026:1332 Rechtbank Amsterdam , 05-02-2026 / 1326539625
Rechtbank Amsterdam
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-265396-25 Datum uitspraak: 5 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 27 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 september 2025 door Sąd Okręgowy w Gdańsku / District Court in Gdańsk , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.G. Kraal, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Gdańsk-North in Gdańsk van 21 april 2022 (ref. II K 1817/20). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Op 5 januari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “1. Could you please clarify whether [de opgeëiste persoon] was personally notified of the date of the next hearing during the hearing of 23-09-2021? If not, could you please clarify what is meant by ‘personally notified’? 2. Could you please indicate whether the notification to appear at the hearing had been sent to the address [de opgeëiste persoon] had provided himself during the preparatory proceedings in this case? And was he thereby explicitly informed about his obligation to notify the authorities about any possible changes of address and of the consequences of not complying with this obligation? And was [de opgeëiste persoon] explicitly informed that this obligation applied to the entire proceedings until the execution of the sentence? According to the EAW, [de opgeëiste persoon] did not attend the hearings on 10-01-2022 and 07-04-2022. During the arraignment in the Netherlands, [de opgeëiste persoon] has stated that he had an appointed lawyer in this case. 3. Therefore, could you please clarify whether [de opgeëiste persoon] was represented by a mandated attorney who indeed defended him at the hearings on 10-01-2022 and 07-04-2022?” Op 12 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt: "Regarding point 1: [de opgeëiste persoon] was present at the hearing on September 23, 2023 (de rechtbank begrijpt: 2021). After conducting all proceedings, the Court announced that it was adjourning the hearing and setting a date. [de opgeëiste persoon] , as a presentee at the hearing, was therefore personally notified of the next hearing date. Regarding point 2: Notice of the first hearing date in this case, along with a copy of the indictment and an instruction on the rights and obligations of the accused, was delivered to [de opgeëiste persoon] at the Gdansk Detention Center, where he was held at the time in connection with pretrial detention in another case. The correspondence was delivered to him personally. The instruction on rights and obligations does not contain any limitation clauses during its validity. Regarding point 3: [de opgeëiste persoon] 's defense attorney was present at the hearings on January 10, 2022, and April 7, 2022, and indeed defended him." Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende is en dat nadere vragen gesteld moeten worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Onduidelijk is of, en zo ja hoe de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de zitting op 27 april 2022. De opgeëiste persoon zat namelijk toen niet meer gedetineerd. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 12 OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten. De opgeëiste persoon is bij de eerste drie zittingen aanwezig geweest. De datum van de vierde zitting is hem op de derde zitting aangezegd waardoor hij op de hoogte was van de vierde zitting. Op de vijfde zitting is de opgeëiste persoon evenmin verschenen, maar is hij verdedigd door een advocaat. Door niet te verschijnen, heeft de opgeëiste persoon afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten gedurende het verdere verloop van de procedure. De officier van justitie heeft in dat verband verwezen naar jurisprudentie van deze rechtbank. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 12 januari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon bij de eerste drie zittingen op 17 maart 2021, 17 juni 2021 en 23 september 2021 aanwezig was. Tijdens de derde zitting is hem de datum van de vierde zitting in persoon aangezegd. Op de vierde en vijfde zitting op respectievelijk 10 januari 2022 en 7 april 2022 is de opgeëiste persoon vervolgens niet verschenen. Uit de aanvullende informatie, in reactie op de vragen van het IRC van 5 januari 2026, blijkt voorts dat de opgeëiste persoon in persoon een adres-instructie heeft ontvangen toen hij gedetineerd zat. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de verdenking en van de strafrechtelijke procedure die tegen hem liep. Hij is bij drie zittingen aanwezig geweest waarbij sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak en waarbij de opgeëiste persoon verklaringen heeft afgelegd. De zittingsdatum van de vierde zitting is aan de opgeëiste persoon meegedeeld en ook heeft hij een adres-instructie ontvangen. Door niet meer te verschijnen op de vierde en vervolgens de vijfde zitting heeft de opgeëiste persoon uit eigen beweging stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces. 4 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. 5 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan Sąd Okręgowy w Gdańsku / District Court in Gdańsk , Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau en N.F.M. de Koning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 februari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2024:2579 en ECLI:NL:RBAMS:2025:8297 Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .