ECLI:NL:CRVB:2026:68 Centrale Raad van Beroep , 20-01-2026 / 22/3981 BBZ
CRVB
Case Summary
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2022, 22/2313 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (dagelijks bestuur) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Datum uitspraak: 20 januari 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over een afwijzing van een aanvraag om toekenning van bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Appellant komt in de eerste plaats op tegen de vroegtijdige beëindiging van de zitting van de rechtbank. De rechtbank was hiertoe overgegaan omdat appellant geluidsopnamen van die zitting maakte en weigerde daarmee te stoppen nadat de rechtbank hem meermalen had gesommeerd dat niet te doen. Volgens appellant had de rechtbank dat niet mogen doen. Hij krijgt hierin geen gelijk. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord doordat het dagelijks bestuur de uitnodiging voor de hoorzitting naar het verkeerde adres had verstuurd, als gevolg waarvan hij niet tijdig op de hoogte was van de hoorzitting. Deze beroepsgrond treft ook geen doel. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat hij wel recht heeft op het aangevraagde bedrijfskapitaal. Hierin krijgt hij ook geen gelijk. Omdat het hoger beroep niet slaagt, wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens gederfde inkomsten af. Wel krijgt appellant een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens gederfde inkomsten. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 november 2025. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Met een brief van 21 november 2025 heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat die keuze is gebaseerd op de wijze waarop appellant medewerkers en gemachtigden van het dagelijks bestuur bejegent en schoffeert. Volgens het dagelijks bestuur schroomt appellant daarbij niet om medewerkers en gemachtigden digitaal in hun persoonlijke situatie te benaderen en/of een tuchtzaak te beginnen, wat het dagelijks bestuur belemmert in de uitoefening van het werk en het verkrijgen van procesondersteuning. De handelswijze van appellant wordt daarnaast door diverse medewerkers als onveilig ervaren. Appellant heeft op de zitting verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken 23/2928 TONK, 24/1790 PW, 24/1791 PW, 24/1792 PW, 24/1793 PW, 24/1794 PW, 24/1795 PW en 24/2181 PW. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op een adres in [woonplaats] en woont op dat adres (woonadres). 1.2. Appellant ontvangt van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). 1.3. Appellant heeft op 24 maart 2020 bij het dagelijks bestuur een aanvraag om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 ingediend voor het starten van een eigen bedrijf. 1.4. Met een besluit van 17 september 2021 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. 1.5. Appellant heeft tegen het besluit van 17 september 2021 bezwaar gemaakt. Op 25 april 2022 heeft de adviescommissie bezwaarschriften een hoorzitting gehouden (hoorzitting bezwaar). Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen. Appellant is niet verschenen. 1.6. Met een besluit van 26 april 2022 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant geen zelfstandige is als bedoeld in artikel 1 van het Bbz 2004. Omdat appellant een Wajong-uitkering ontvangt, is hij niet voor de voorziening in het bestaan aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Appellant behoort niet tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in het Bbz 2004 en heeft daarom geen recht op bijstand ter voorziening van de behoefte aan bedrijfskapitaal. Uitspraak van de rechtbank 2. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is behandeld op een zitting van 14 oktober 2022. De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting voortijdig beëindigd en omdat appellant zonder toestemming geluidsopnamen maakte en geen gevolg gaf aan meerdere sommaties om daarmee te stoppen. 2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van een aanvraag om bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Geen gebrek procedure rechtbank 4.1. Appellant heeft ten eerste aangevoerd dat de procedure bij de rechtbank niet goed is verlopen. Hij is van mening dat de rechtbank de behandeling van de zitting oneigenlijk heeft afgekapt, omdat hij appellant niet mocht weigeren om op de zitting geluidsopnamen te maken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende belangrijk. 4.1.1. Vooropgesteld wordt dat de voorzitter op grond van artikel 8:61, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de leiding heeft over de zitting en daarmee ook de bevoegdheid heeft om te beslissen over het maken van geluidsopnamen en het moment van aanvang en sluiting van het onderzoek ter zitting. In de huisregels van de rechtbank Rotterdam staat: “Het is niet toegestaan om in het gerechtsgebouw beeld- en/of geluidsopnames te maken. Dit geldt zowel voor de ontvangstgebieden, zittingszalen als de wachtruimtes. […]” en “Wat mag niet? […] Filmen, foto's of geluidsopnamen maken zonder toestemming vooraf.” Niet in geschil is dat appellant op de zitting van de rechtbank in weerwil van deze huisregels geluidsopnamen maakte en dat hij de geluidsopnamen, ondanks meerdere sommaties van de voorzitter, niet heeft gestaakt. De rechtbank mocht het onderzoek ter de zitting daarom vroegtijdig sluiten. Geen schending van de hoorplicht 4.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. Appellant was niet tijdig op de hoogte van de hoorzitting in bezwaar en dat is te wijten aan het dagelijks bestuur. De uitnodiging voor de hoorzitting in bezwaar is namelijk ten onrechte naar zijn woonadres gestuurd. Deze had naar het door hem opgegeven correspondentieadres, te weten het woonadres van zijn moeder, moeten worden gestuurd. Appellant wil daarmee voorkomen dat zijn eigen woonadres bij derden bekend wordt, omdat hij wordt gestalkt. Daarnaast wil hij voldoen aan zijn zorgplicht om alle voor hem bestemde post tijdig in ontvangst te nemen. De moeder van appellant is daartoe beter in staat dan hijzelf, omdat zij vaker thuis is dan appellant. Er bestaat voor een bestuursorgaan geen recht of verplichting om post naar een ander adres te sturen dan het adres dat de burger heeft opgegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende belangrijk. 4.2.1. Vaststaat dat ten tijde van belang het adres van appellant dat in de BRP was opgenomen zijn woonadres betrof. Destijds was het correspondentieadres van appellant niet als briefadres op grond van in artikel 2.41, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) aangemerkt en als zodanig in de BRP opgenomen. De vraag of het dagelijks bestuur het correspondentieadres als briefadres als bedoeld in dat artikel had moeten aanmerken en in de BRP als adres had moeten opnemen ligt hier niet ter beoordeling voor. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft die vraag met een uitspraak van 12 april 2023 overigens ontkennend beantwoord. 4.2.2. Verder staat vast dat de uitnodiging voor de hoorzitting in bezwaar is verzonden naar het in de BRP opgenomen woonadres van appellant. Dit is in overeenstemming met artikel 1.7, eerste lid, van de Wet BRP. Bestuursorganen zijn op grond van die bepaling verplicht de gegevens die in de BRP zijn opgenomen te gebruiken, tenzij sprake is van een in het tweede lid van dat artikel genoemde uitzondering. Het is aan het bestuursorgaan om te bezien of één van die uitzonderingen zich hier voordoet. Gesteld noch gebleken is dat één van de in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP genoemde uitzonderingen zich voordoen. Dit betekent dat het dagelijks bestuur verplicht was de uitnodiging voor de hoorzitting bezwaar te versturen naar het adres dat in de BRP was opgenomen, in dit geval dus het woonadres van appellant. 4.2.3. De door appellant geuite wens dat post naar zijn correspondentieadres wordt verstuurd en de daarbij aangevoerde belangen maken dat niet anders. Omdat artikel 1.7, eerste lid, van de Wet BRP dwingendrechtelijk is geformuleerd, heeft het dagelijks bestuur geen ruimte voor een belangenafweging als door appellant voorgestaan. 4.3. Appellant heeft verder ter zitting aangevoerd dat het dagelijks bestuur de uitnodiging voor de hoorzitting in bezwaar ook naar zijn e-mailadres had moeten toezenden. Appellant heeft daarbij vermeld dat het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2025 contrair moet worden toegepast. Het dagelijks bestuur heeft appellant eerder ook toegezegd dat het de voor appellant bestemde post naar zijn e-mailadres zou toesturen. De Raad zal deze grond niet inhoudelijk bespreken. Dat wordt hierna toegelicht. 4.3.1. In bezwaar, in beroep en in hoger beroep tot het moment van de zitting heeft appellant over de verzending van de uitnodiging voor de hoorzitting in bezwaar – samengevat – alleen aangevoerd dat die uitnodiging naar zijn correspondentieadres had moeten worden verzonden. Voor het eerst op de zitting van de Raad heeft appellant aangevoerd dat die uitnodiging naar zijn e-mailadres had moeten worden verzonden. 4.3.2. De Raad acht het pas op de zitting van de Raad aanvoeren van de in 4.3 weergegeven beroepsgrond in strijd met de goede procesorde. Voorop staat dat appellant geen reden heeft gegeven waarom hij die beroepsgrond niet eerder dan op de zitting van de Raad had kunnen aanvoeren. De recente datum van het door appellant genoemde arrest van de Hoge Raad vormde voor appellant daarvoor in ieder geval geen beletsel. In dat arrest is het uitgangspunt van artikel 2.14, eerste lid, van de Awb vermeld inhoudende dat de burger mag kiezen tussen communicatie per post of langs elektronische weg indien het bestuursorgaan over beide mogelijkheden beschikt. Dat uitgangspunt is echter al geruime tijd vaste rechtspraak. Daar komt bij dat het dagelijks bestuur met redenen omkleed niet op de zitting is verschenen en ter zitting niet op de in 4.3 weergegeven grond en de in dat kader ingenomen stellingen heeft kunnen reageren. De Raad heeft deze grond en die stellingen door de late indiening ervan ook niet kunnen betrekken bij de voorbereiding van de zitting van 25 november 2025, bijvoorbeeld door het dagelijks bestuur daarover hangende het vooronderzoek te bevragen. De Raad ziet, nu niet valt in te zien dat appellant deze beroepsgrond niet eerder had kunnen aanvoeren en ook gelet op de al lange duur van deze procedure, geen aanleiding om de zaak aan te houden om het dagelijks bestuur alsnog in de gelegenheid te stellen om op de in 4.3 genoemde grond te reageren. 4.4. Uit 4.2.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het dagelijks bestuur terecht de uitnodiging voor de hoorzitting naar het woonadres van appellant heeft gestuurd. Dat appellant niet tijdig daarvan kennis heeft genomen, komt voor zijn risico en rekening. Van schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb is dan ook geen sprake. Bestreden besluit zorgvuldig voorbereid 4.5. Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat het dagelijks bestuur niet kenbaar heeft gemaakt welke gegevens nodig zijn om aannemelijk te maken dat appellant aan de voorwaarden voor verlening van het gevraagde bedrijfskapitaal voldoet. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. 4.5.1. Niet is geschil is dat het dagelijks bestuur appellant, gelijktijdig met de uitnodiging voor de hoorzitting bezwaar, een voorlopig standpunt heeft toegezonden naar zijn woonadres. Hierin is gemotiveerd uiteengezet dat en waarom appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van het gevraagde bedrijfskapitaal. Daaruit kan appellant redelijkerwijs afleiden wat nodig is om alsnog aannemelijk te maken dat hij aan die voorwaarden voldoet. Net zoals de uitnodiging voor de hoorzitting in bezwaar, heeft het dagelijks bestuur terecht het voorlopig standpunt naar het woonadres verzonden. Voor zover appellant daarvan ook niet tijdig kennis heeft genomen, komt dit ook voor zijn rekening en risico. Afwijzing aanvraag bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 terecht 4.6. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen recht heeft op het gevraagde bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. Ook deze grond slaagt niet. 4.6.1. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 kan worden aangemerkt, alleen al omdat hij voor de voorziening in het bestaan niet is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Om deze reden heeft hij geen recht op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Schadevergoeding in verband met overschrijding redelijke termijn 4.7. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 4.7.1. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 4.7.2. Vanaf de datum van ontvangst door het dagelijks bestuur van het bezwaarschrift op 21 september 2021 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure vier jaar en bijna vier maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna vier maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-. Anders dan appellant heeft aangevoerd is niet de volledige overschrijding van de redelijke termijn aan het dagelijks bestuur toe te rekenen. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van het dagelijks bestuur namelijk zeven maanden en vijf dagen geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met afgerond twee maanden is overschreden. De overige overschrijding van de redelijke termijn van twee maanden is toe te rekenen aan de rechterlijke fase. De redelijke termijn is dus zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase overschreden. 4.7.3. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het dagelijks bestuur wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 250,- (de helft van € 500,-) en ook de Staat wordt veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 250,- (de helft van € 500,-). Conclusie en gevolgen 5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bedrijfskapitaal in stand blijft. Het verzoek om vergoeding van schade wegens gederfde inkomsten wordt daarom afgewezen. 6. De Staat en het dagelijks bestuur zullen wél worden veroordeeld tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 7. Omdat het hoger beroep niet slaagt en het verzoek om schadevergoeding vanwege gederfde inkomsten wordt afgewezen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten 8. Appellant krijgt ook geen vergoeding van proceskosten voor het indienen op de zitting van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellant heeft namelijk geen kosten gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Appellant krijgt ook geen vergoeding van reiskosten in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van het Bpb en van verletkosten in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb voor het bijwonen van de zitting. De Raad heeft dit verzoek namelijk niet inhoudelijk op de zitting besproken. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 250,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 250,-; wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens gederfde inkomsten af. Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en A.M. Overbeeke en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026. (getekend) E.C.E. Marechal (getekend) M.S. van Veller Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 6 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. Algemene wet bestuursrecht Artikel 2:14 1. Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Artikel 8:75 1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. (…) Besluit proceskosten bestuursrecht Artikel 1 Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op: a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, (…) d. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende, e. verletkosten van een partij of een belanghebbende, (…). Wet basisregistratie personen Artikel 1.4, eerste lid Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het bijhouden van persoonsgegevens in de basisregistratie overeenkomstig afdeling 1 van hoofdstuk 2. Artikel 1.7 1. Het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien: a. bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 2.26 of 2.76 is geplaatst; b. het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, of 2.37b, eerste lid doet; c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald; d. een goede vervulling van de taak van het bestuursorgaan door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet. Artikel 2.7, eerste lid In de basisregistratie worden over de ingeschrevene uitsluitend de volgende gegevens opgenomen: a. algemene gegevens: (…) 7° gegevens over de bijhoudingsgemeente en het adres in die gemeente, alsmede over het verblijf in Nederland en het vorige verblijf buiten Nederland en over het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland; (…) Artikel 2.41, eerste lid Voor zover het opnemen van een woonadres naar het oordeel van de burgemeester en wethouders om veiligheidsredenen niet wenselijk is, kan de betrokkene in afwijking van artikel 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen. Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) b. zelfstandige: de belanghebbende van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die: 1°. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan; 2°. voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en 3°.alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt. (…) Artikel 2 (…) 2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid. (…) Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:381, onder 6.1. ECLI:NL:RVS:2023:1450. Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 117, Kamerstukken II 2011/12, nr. 6, p. 44 en de uitspraak van 9 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2437. Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 117- 118. ECLI:NL:HR:2025:1728. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:626, en 22 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:717. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4159, onder 4.7 en 4.8. ECLI:NL:HR:2016:252.