ECLI:NL:RBMNE:2026:486 Rechtbank Midden-Nederland , 04-02-2026 / 11996046 \ AV EXPL 25-51 WMB/61313
Rechtbank Midden-Nederland
Case Summary
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht, kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 11996046 \ AV EXPL 25-51 WMB/61313 Vonnis in kort geding van 4 februari 2026 in de zaak van [eiseres] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. M. Rahnama’i (Recht op Juristen B.V.), tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. A.J. Hendriks (Advocaten van Nu). 1 De procedure 1.1. [eiseres] heeft [gedaagde] op 9 januari 2026 gedagvaard. Daarna heeft [gedaagde] op 19 januari 2026 een conclusie van antwoord ingediend. Op 21 januari 2026 heeft [eiseres] aanvullende producties ingediend en heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Bij de mondelinge behandeling is [eiseres] verschenen, samen met mr. Rahnama’i. Namens [gedaagde] is mevrouw [A] , adjunct-directeur en leidinggevende van [eiseres] , verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. Hendriks, die tijdens de zitting een pleitnota heeft gebruikt om de zaak toe te lichten. Mr. Rahnama’i heeft geen pleitnota gebruikt. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1. [eiseres] is met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [gedaagde] in dienst als [functie] . Op 27 februari 2025 heeft [eiseres] zich ziekgemeld en sindsdien heeft zij geen werkzaamheden meer verricht. [gedaagde] heeft [eiseres] op 6 oktober 2025 een loonstop opgelegd, omdat [eiseres] volgens haar niet voldoet aan haar re-integratieverplichtingen. Volgens [eiseres] is dat onterecht. Zij vordert doorbetaling van haar loon vanaf die datum en wil daarnaast dat de kantonrechter [gedaagde] beveelt om te staken met het verwerken of overdragen van haar medische- en persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. 3 De beoordeling [eiseres] heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen 3.1. Om de vorderingen van [eiseres] in dit kort geding te kunnen toewijzen, is het nodig dat zij daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat heeft zij, aangezien zij sinds 6 oktober 2025 geen loon meer ontvangt en zij daarvan afhankelijk is voor haar levensonderhoud. De aanvullende producties van [eiseres] worden niet toegelaten 3.2. [eiseres] heeft op 21 januari 2025, enkele uren voor de zitting, aanvullende producties overgelegd. [gedaagde] heeft op goede gronden bezwaar gemaakt tegen het toelaten van die stukken. Het uitgangspunt is dat stukken die binnen 24 uur voor de mondelinge behandeling worden ingediend, buiten beschouwing worden gelaten. De gemachtigde van [gedaagde] heeft daarnaast uitgelegd dat het door de omvang en inhoud daarvan niet mogelijk was om de stukken goed te bestuderen of die met zijn cliënt te bespreken, zodat [gedaagde] daarop niet goed heeft kunnen reageren. De kantonrechter zal de producties daarom buiten beschouwing laten. [eiseres] is ontvankelijk in haar vorderingen 3.3. Het betoog van [gedaagde] dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen omdat zij niet heeft voldaan aan haar substantiëringsplicht, slaagt niet. Hoewel de dagvaarding een vrij summiere weergave geeft van het geschil tussen partijen en het verweer van [gedaagde] daarin niet is opgenomen, heeft [gedaagde] haar standpunt voldoende kunnen toelichten. De kantonrechter zal de vorderingen daarom wel beoordelen. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de loonstop stand houdt in de bodemprocedure 3.4. Het draait in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de loonsanctie die [gedaagde] op 6 oktober 2025 aan [eiseres] heeft opgelegd, terecht is opgelegd. [eiseres] vindt van niet en is daarom deze procedure gestart. Het wettelijk uitgangspunt is dat [eiseres] gelijk bij het instellen van haar eis een deskundigenoordeel van het UWV had moeten overleggen. [gedaagde] heeft erop gewezen dat [eiseres] dat niet heeft gedaan. [eiseres] zegt dat zij daarvoor op 10 december 2025 wel een aanvraag heeft gedaan, maar dat het UWV daar nog geen gevolg aan heeft gegeven. Het is in kort geding aan de kantonrechter om te bepalen of het ontbreken van een deskundigenoordeel aan een goede beoordeling van de zaak in de weg staat. Dat is hier niet het geval. Voor de inhoudelijke beoordeling van de loonstop geldt namelijk het volgende. 3.5. Het uitgangspunt is dat [eiseres] (een gedeelte van) haar loon gedurende haar ziekte doorbetaald moet krijgen. Dat wordt anders als zij niet meewerkt aan redelijke voorschriften of maatregelen in het kader van haar re-integratie. In dat geval ligt het op de weg van [gedaagde] om haar, na een waarschuwing, een loonstop op te leggen als prikkel om dat wel (weer) te gaan doen. 3.6. [gedaagde] heeft [eiseres] op 26 september 2025 per brief gewaarschuwd dat zij een loonstop zou opleggen als [eiseres] niet mee zou werken aan het ondertekenen van het opgestelde plan van aanpak, een onafhankelijk onderzoek door medisch expertisecentrum [deskundige] , mediation, en verzuimgesprekken, waaronder een fysiek verzuimgesprek op 6 oktober 2025. [gedaagde] heeft uitgelegd dat zij daartoe genoodzaakt was, omdat [eiseres] op elk van die punten weigerde mee te werken, vanaf 5 september 2025 de geplande telefonische verzuimgesprekken zonder toelichting was gaan annuleren, en op 19 september 2025 had aangegeven helemaal geen verzuimgesprekken meer te zullen voeren. Daarbij speelde ook een rol dat al meerdere bedrijfsartsen bij het re-integratietraject betrokken waren geweest en de laatste daarvan de verzuimbegeleiding van [eiseres] op 25 augustus 2025 had neergelegd. [gedaagde] moest daardoor opnieuw op zoek naar een nieuwe bedrijfsarts en had naast het houden van verzuimgesprekken geen andere manier om zicht te houden op het herstel en de inzetbaarheid van [eiseres] . [gedaagde] heeft vervolgens een (eerste) loonstop opgelegd, nadat [eiseres] weliswaar is verschenen bij de fysieke afspraak op 6 oktober 2025, maar daar alleen een brief heeft overhandigd en weer is vertrokken. 3.7. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de loonstop stand houdt in de bodemprocedure. In het laatste advies van de bedrijfsarts van 29 juli 2025 staat dat [eiseres] voldoende belastbaar is om regelmatig contact te houden met [gedaagde] en eventueel langs te komen op werk. Anders dan [eiseres] zegt, blijkt niet dat dat advies is komen te vervallen bij het opstellen van de finale probleemanalyse van 13 augustus 2025. Haar stelling dat zij niet tot enig contact in staat is, berust daardoor uitsluitend op haar eigen oordeel. Mede gelet op het feit dat [gedaagde] [eiseres] heeft aangeboden om taxikosten te vergoeden en dat [eiseres] een vertrouwenspersoon mee mocht nemen, mocht [gedaagde] daarom in redelijkheid van haar verwachten dat [eiseres] op 6 oktober 2025 fysiek zou verschijnen om in gesprek te gaan over het verzuimtraject. Door ook daar niet in gesprek te gaan, maakte [eiseres] het [gedaagde] onmogelijk om nog grip te houden op haar re-integratietraject en schoot zij tekort in de naleving van haar re-integratieverplichtingen. 3.8. [eiseres] heeft kort daarna ook geweigerd om zich door een nieuwe onafhankelijke bedrijfsarts te laten onderzoeken. Daarvoor heeft [gedaagde] een tweede loonstop opgelegd. Daarnaast heeft zij tot aan de zitting elke uitnodiging voor een gesprek afgeslagen. Er is daarom vooralsnog ook geen reden voor [gedaagde] om de loonstoppen te beëindigen. De re-integratie is nu immers helemaal stil komen te liggen. Tijdens de zitting heeft [eiseres] gezegd dat zij nu wel met de nieuwe bedrijfsarts zal afspreken, omdat [gedaagde] nogmaals heeft bevestigd dat die bedrijfsarts onafhankelijk zal optreden. Pas als dat is gebeurd en [eiseres] weer met [gedaagde] in gesprek gaat, is loondoorbetaling op zijn plaats. De vorderingen tot loondoorbetaling en betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente over achterstallige loon, zullen daarom worden afgewezen. [gedaagde] hoeft niet te staken met het verwerken van [eiseres] haar gegevens 3.9. [eiseres] wil daarnaast dat de kantonrechter [gedaagde] beveelt om elke verdere verwerking of overdracht van haar medische- en persoonsgegevens te staken, op straffe van een dwangsom. Ook die vorderingen zullen worden afgewezen. Het is [gedaagde] toegestaan om (bijzondere) medische- en persoonsgegevens van haar werknemers te delen, voor zover dat nodig is voor het vaststellen en naleven van haar re-integratieverplichtingen. Van een bevel om in zijn algemeenheid te stoppen met het verwerken van [eiseres] haar gegevens kan dus in ieder geval geen sprake zijn. Dat [gedaagde] (bijzondere) medische- of persoonsgegevens buiten de medische kolom met iemand anders dan de bedrijfsarts heeft gedeeld, zoals [eiseres] heeft betoogd, blijkt verder nergens uit. Uit het enkele feit dat [deskundige] haar dossier heeft vergrendeld omdat er enige tijd geen bedrijfsarts meer betrokken was en bepaalde medewerkers van [gedaagde] toegang hebben tot haar verzuimdossier, volgt dat namelijk niet. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen 3.10. De door [eiseres] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijk incassokosten zal worden afgewezen, omdat haar hoofdvorderingen worden afgewezen. [eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen 3.11. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 721,00 (= € 577,00 aan salaris gemachtigde + € 144,00 aan nakosten), vermeerderd met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 4.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. Zie artikel 3.16 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken. Op grond van artikel 111 jo. 120 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond van artikel 7:629a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hoge Raad 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1673. Artikel 7:629 lid 1 BW. Artikel 7:629 lid 3 sub aanhef en onder d BW. Artikel 7:629 lid 7 BW. Artikel 9 lid 2 onder b Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) jo. 30 lid 1 sub b Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming (UAVG).