ECLI:NL:RBDHA:2026:2970 Rechtbank Den Haag , 16-01-2026 / NL25.7557
Rechtbank Den Haag
Case Summary
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.7557 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Hadfy Kovacs). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser heeft op 7 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt burger van de Democratische Republiek Congo ( [plaats] ) te zijn en zijn hele leven in Uganda te hebben gewoond. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 5. De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en T. Kibuuka als tolk, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij in april 2022 is benaderd door twee leden van de ADF-groepering terwijl hij aan het voetballen was in zijn woonplaats in Uganda. Deze leden hebben eiser gevraagd om, samen met twee vrienden, zich aan te sluiten bij de groepering. Eiser wilde dit niet en heeft uit veiligheidsoverwegingen besloten om zijn woonplaats te ontvluchten. Een van deze twee vrienden is vermoord en de ander is vermist als gevolg van het contact met de ADF. Eisers moeder heeft geprobeerd aangifte te doen van eisers problemen bij de politie. Zij heeft eiser verteld dat hier door de politie niets mee gedaan zou worden. Nadat eiser bijna anderhalf jaar ondergedoken heeft gezeten in Uganda, heeft eiser met hulp van zijn oom in oktober 2023 Uganda kunnen verlaten. De ADF is tot op de dag van vandaag naar eiser op zoek, omdat eiser heeft geweigerd zich aan te sluiten bij de groepering en eiser de gezichten van de twee leden heeft gezien. Het bestreden besluit 7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Eisers problemen door de rekruteringspoging door de ADF-leden. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst deels geloofwaardig zijn. De minister vindt het niet geloofwaardig dat eiser burger is van de [plaats] . De minister vindt het wel geloofwaardig dat de herkomst van eiser Uganda is en registreert eiser met de Ugandese nationaliteit. De minister houdt in deze procedure de persoonsgegevens aan die eiser zelf heeft opgegeven. Het tweede asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft vervolgens aan de hand van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dat niet het geval, omdat eisers verklaringen over het tijdsverloop wisselend en tegenstrijdig zijn. Ook zijn eisers verklaringen over de rekruteringspoging van de ADF-leden vaag en summier en heeft eiser weinig kennis over de ADF. De minister concludeert daarom dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, waardoor eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. 8. Gelet op het voorgaande komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De minister wijst de aanvraag van eiser af als ongegrond. De minister heeft een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Uganda, met een vertrektermijn van vier weken aan eiser opgelegd. Beoordeling van de beroepsgronden Werkinstructie 2024/6 9. Eiser voert aan dat de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft getoetst onjuist is. De minister heeft Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) toegepast. De minister toetst bij toepassing van WI 2024/6 artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn 2011/95 (Kwalificatierichtlijn) volkomen separaat en onafhankelijk van artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Dit past niet binnen een integrale beoordeling. Daarnaast stelt de minister zulke zware eisen aan de bewijslast in het kader van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, dat daarmee de gehele doelstelling van dit lid wordt doorkruist. Alleen al door deze te strenge en rigide invulling van de geloofwaardigheidsbeoordeling, is de afwijzing onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd. Een dergelijke invulling leidt ertoe dat de minister, zonder dat daadwerkelijk, concreet en nader te motiveren, al heel snel tot het oordeel komt dat onsamenhangend zou zijn verklaard en dat de asielaanvraag niet zo snel mogelijk zou zijn ingediend. Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, waarmee aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen zijn gesteld, verzoekt eiser om aanhouding totdat deze prejudiciële vragen zijn beantwoord. 10. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding voor het oordeel dat de WI 2024/6 in strijd met de Kwalificatierichtlijn dan wel het Unierecht is toegepast. Deze rechtbank en deze zittingsplaats heeft op 10 juni 2025 uitspraak gedaan over WI 2024/6 (ECLI:NL:RBDHA:2025:10057). De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kort gezegd heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat de toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest. 11. De prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, gaan onder meer over de situatie waarin een te beperkte invulling aan stap 2a wordt gegeven en een te beperkte toepassing van stap 2b, waardoor mogelijk ten onrechte bewijsstukken buiten beschouwing worden gelaten en een te beperkte invulling wordt gegeven aan de samenwerkingsplicht. In de voorliggende zaak is eiser echter niet alleen tegengeworpen dat hij onvoldoende documenten/bewijsstukken heeft overgelegd. Eiser wordt ook verweten dat hij niet samenhangend en niet aannemelijk heeft verklaard. Gelet hierop voldoet eiser volgens de minister niet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag in deze zaak niet alleen is gebaseerd op het ontbreken van documenten maar ook op een beoordeling van het asielrelaas van eiser, ziet de rechtbank geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen af te wachten. Geloofwaardigheidsbeoordeling identiteit, nationaliteit en herkomst 12. Eiser blijft bij zijn standpunt dat in de beoordeling van de asielaanvraag uitgegaan moet worden van het asielbeleid ten aanzien van de [plaats] . Eiser zal door Uganda worden uitgezet naar de [plaats] , aangezien hij niet de Ugandese nationaliteit heeft. Omdat de familie van eiser uit [regio] komt, komt eiser bij een gedwongen terugkeer bloot te staan aan willekeurig geweld, in het bijzonder door de ADF. 13. De rechtbank overweegt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat eiser in ieder geval (ook) de Ugandese nationaliteit heeft. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser stelt te zijn geboren in de [plaats] , maar nooit in de [plaats] heeft gewoond. Eiser heeft verklaard in Uganda te hebben gewoond bij zijn Ugandese moeder. Op grond van artikel 12, aanhef en onder b, van “The Uganda citizenship and immigration control act” komt eiser de Ugandese nationaliteit toe omdat de moeder van eiser de Ugandese nationaliteit bezit. De minister heeft erop gewezen dat de wetgeving van de [plaats] het bezit van een dubbele nationaliteit niet toestaat. Omdat eiser de Ugandese nationaliteit heeft, vindt de minister het niet aannemelijk dat hij ook burger is van de [plaats] . De rechtbank kan deze redenering van de minister volgen. De minister mocht er bij de beoordeling van uitgaan dat eiser de Ugandese nationaliteit heeft. Dit betekent dat de minister ook terecht heeft beoordeeld of eiser terug kan keren naar Uganda. Geloofwaardigheidsbeoordeling problemen door de rekruteringspoging door ADF-leden 14. Eiser voert aan dat de minister zijn verklaringen over de problemen met de ADF ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Eiser bestrijdt dat hij niet samenhangend en aannemelijk zou hebben verklaard, omdat het tijdsverloop wisselend en tegenstrijdig zou zijn. Eiser heeft steeds bedoeld te zeggen dat de rekrutering door ADF plaatsvond in april 2022. Uit het relaas blijkt duidelijk dat eiser er zelf ook van uit was gegaan dat de vraagstelling zag op 2022. In het nader gehoor op pagina 17 staat het volgend vermeld: “Wij spreken al de gehele dag over 2022. U noemde ook dat u in 2020 tot 2021 gewerkt heeft terwijl u reeds op de vlucht was. Misschien heeft u mij verkeerd begrepen. Ik bedoelde 2022. “ De rechtbank overweegt dat de rekruteringspoging de kern van eisers asielrelaas is. De minister heeft eisers verklaringen over wanneer de rekrutering plaatsvond tegenstrijdig mogen vinden. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor toen hij vertelde waarom hij gevlucht is en opnieuw toen werd gevraagd wanneer hij voor het eerst en voor het laatst is benaderd door de ADF-leden zelf verklaard dat de rekrutering plaatsvond in april 2020. Eiser heeft dus eerst drie keer zelf april 2020 genoemd als periode van rekrutering. Eiser ontkent dat hij 2020 heeft genoemd, maar dat dit drie keer verkeerd vertaald of genoteerd zou zijn is niet aannemelijk. Vervolgens is ook drie keer april 2020 gebruikt in de vraagstelling. Eiser heeft deze periode niet gecorrigeerd. Op het moment dat de hoormedewerker eiser vragen stelde over een periode van drie jaren tussen de rekrutering en het vertrek van eiser uit Uganda, heeft eiser april 2020 gecorrigeerd naar april 2022, waarbij de hoormedewerker aan eiser heeft voorgehouden zij de hele dag al praten over 2020. De minister heeft dit verschil in de tijd niet gering mogen vinden. Het doet daarmee afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Van eiser had mogen worden verwacht dat hij over jaartallen die hij zelf naar voren brengt consistent verklaart, juist omdat dit over de kern van eisers asielrelaas gaat. Hierbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiser negen jaar onderwijs heeft gehad. Zowel in het nader gehoor zelf als in de correcties en aanvullingen heeft eiser geen afdoende verklaring gegeven voor de inconsistentie in jaartallen. De enkele verklaring van eiser dat dit door hem gecorrigeerd wordt is niet voldoende. Bovendien heeft eiser op de zitting verklaard dat de rekrutering toch niet in april 2022, maar in april 2023 plaatsvond. De rechtbank overweegt dat de minister heeft mogen vinden dat deze verklaringen van eiser afbreuk doen aan de kern van eisers asielrelaas. 15. Verder heeft de minister eisers verklaringen over de rekruteringspoging van de ADF-leden vaag en summier mogen vinden. Zo heeft eiser niet kunnen concretiseren waaruit bleek dat de mannen door wie eiser is benaderd daadwerkelijk van de ADF zijn. Dat deze mannen zelf zeiden van de ADF te zijn en als moslim gekleed waren is daarvoor onvoldoende. Ook zijn eisers verklaringen over de contactmomenten die eiser met deze mannen heeft gehad vaag en summier. Eiser weet weinig te verklaren over wat hij met deze mannen heeft besproken, wat zij aan eiser hebben verteld en waarom zij specifiek eiser wilden rekruteren. Eisers vermoeden dat dit was omdat hij goed kon voetballen is daarvoor onvoldoende. Van eiser had mogen worden verwacht dat hij meer kon vertellen, aangezien dit voor eiser de reden was om Uganda te verlaten. Hierbij speelt ook mee dat eiser deze mannen vijf keer heeft gezien, zodat de minister van eiser mocht verwachten dat hij meer kon vertellen over deze gesprekken. Eisers beantwoording van de vragen over de rekrutering zijn kort en weinig concreet. Eisers standpunt in beroep dat hij meer dan drie pagina’s nodig heeft gehad om zijn asielrelaas te vertellen betekent niet dat zijn verklaringen inhoudelijk niet vaag en summier kunnen zijn. 16. Eisers verwijzing naar de Kennisbank Terroristische Organisaties van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met informatie over de ADF verandert niets aan het gegeven dat het op de weg van eiser ligt om zelf te verklaren. Eiser heeft zelf weinig kunnen verklaren over de ADF als groepering, wat hun doel is en hoe zij fungeren. Dit heeft de minister vreemd mogen vinden, aangezien eiser stelt afkomstig te zijn uit het grensgebied waar de ADF sterk aanwezig is en ook heeft verklaard dat hij van mensen verhalen zou hebben gehoord over de ADF waardoor eisers vrees zou zijn toegenomen. 17. Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser in de zienswijze alsnog drie documenten overgelegd die zijn problemen met de ADF onderbouwen. De minister komt in het bestreden besluit ten onrechte met de standaardoverweging dat deze documenten niet op authenticiteit zijn te controleren, aldus eiser. 18. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat deze kopieën van documenten eisers asielmotief niet ondersteunen. Zo blijkt uit het overlijdenscertificaat van zijn vriend [naam] dat zijn vriend is vermoord, maar niet dat dit komt door de ADF. De verklaring van het hoofd van de dorpsraad is geen objectieve bron, en bevat geen nieuwe informatie. Daarnaast bevat deze brief tal van spelfouten, wat opmerkelijk is voor een officieel document. In de verklaring van de politie wordt gesteld dat er nog onderzoek wordt gedaan naar de dood van [naam] , waaruit geconcludeerd kan worden dat er momenteel nog niet vanuit gegaan kan worden dat de ADF hier achter zit. Gelet op de inhoud van deze verklaringen, in samenhang met de summiere, vage en tegenstrijdige verklaringen van eiser zelf, heeft de minister deze documenten niet hoeven onderzoeken. De beroepsgrond slaagt niet. 19. Gelet op de voorgaande overwegingen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Conclusie en gevolgen 20. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 januari 2026 Documentcode: [Documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.