Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBDHA:2025:27197 Rechtbank Den Haag , 31-10-2025 / SGR 25/7282

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Case Summary

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/7282 uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] (China), verzoeker (gemachtigde: mr. S. Maakal), en Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO), LBIO (gemachtigde: S. Heijens). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de brief van het LBIO van 24 september 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2.1. Verzoeker heeft zich in 2015 in China gevestigd met zijn Chinese echtgenote. Hij beschikt over een tijdelijke verblijfsvergunning (residence permit), geldig tot 29 oktober 2025. Verzoeker heeft op 15 augustus 2025 bij het consulaat-generaal in Guangzhou een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Tijdens de behandeling van de aanvraag is gebleken dat de persoonsgegevens van verzoeker op verzoek van het LBIO in het Register Paspoortsignaleringen zijn opgenomen wegens een betalingsachterstand. De minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) heeft verzoeker bij brief van 19 augustus 2025 hierop gewezen alsook op de mogelijkheid om binnen een periode van acht weken met het LBIO tot overeenstemming te komen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Paspoortwet. Na ontvangst van het verzoek tot uitstel van de beslissing op de paspoortaanvraag heeft de minister bij brief van 21 augustus 2025 aan verzoeker meegedeeld dat hij tot en met 16 oktober 2025 de tijd heeft om tot overeenstemming te komen met het LBIO. 2.2. Op 19 september 2025 heeft verzoeker het LBIO verzocht om het opheffen van de paspoortsignalering en heeft daarbij een voorstel gedaan van betaling van € 5.000,- tegen finale kwijting. Het LBIO heeft vervolgens bij brief van 24 september 2025 een overzicht gegeven van de vorderingen inzake kinderalimentatie en opslagkosten en heeft verzoeker verzocht tot betaling over te gaan. Het LBIO heeft ook meegedeeld dat als verzoeker een voorstel ter finale kwijting doet of een betalingsregeling voorstelt het LBIO dit aan de alimentatiegerechtigden moet voorleggen. Het LBIO heeft de brief afgesloten met de opmerking dat het graag nader van verzoeker verneemt. Verzoeker heeft tegen de brief bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Wat wil verzoeker met zijn verzoek bereiken? 3.1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het LBIO de signalering opheft. Verzoeker stelt, kort samengevat, dat zijn verzoek om mee te werken aan de doorhaling of verwijdering van de signalering ten onrechte is afgewezen. Hij voert daartoe aan dat ten tijde van het instellen van de paspoortsignalering daarvoor al geen grondslag bestond, omdat de situatie als bedoeld in artikel 22 van de Paspoortwet zich niet voordeed en nog steeds niet voordoet. Verzoeker verbleef op het moment van de paspoortsignalering al jarenlang in China en is dus niet naar het buitenland gevlucht om zo aan zijn verplichtingen tot het betalen van kinderalimentatie te ontkomen. Bovendien verbleef hij op het moment van instellen van de signalering al buiten de grenzen van het Koninkrijk der Nederlanden, zodat het doel van een paspoortsignalering op dat moment al niet meer kon worden bereikt. 3.2. Daarnaast is het handhaven van de paspoortsignalering ook niet redelijk, gelet op de gevolgen hiervan voor het dagelijks leven en verblijf van verzoeker in China, welke gevolgen volgens hem maken dat het handhaven van de paspoortsignalering onevenredig is in verhouding tot het daarmee beoogde doel. De geldigheidsduur van zijn paspoort is inmiddels verstreken. Zonder geldig paspoort kan verzoeker zijn Chinese verblijfsvergunning niet verlengen, kan hij in China niet reizen en ook geen gebruik meer maken van bankfaciliteiten. Hij is dus aan huis gekluisterd. Zodra hij zich op straat begeeft, loopt hij de kans om gearresteerd te worden en gevangen te worden gezet als ‘illegaal’ ofwel hij loopt de kans om uitgezet te worden naar Nederland waar hij helemaal niets heeft. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 3.3. In de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. In beginsel kan alleen tegen een besluit bezwaar worden gemaakt bij het bestuursorgaan en beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter . 3.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 24 september 2025 niet meer is dan een eerste stap in het proces om tot overeenstemming tussen de alimentatiegerechtigden, het LBIO en verzoeker te (kunnen) komen. Hij ziet zich in dit oordeel bevestigd doordat nog een reactie van verzoeker op de brief wordt verwacht. De brief is niet gericht op een rechtsgevolg, omdat het geen bevoegdheid, recht of verplichting doet ontstaan of teniet doet en het stelt evenmin de juridische status van een persoon of zaak vast. De brief kan ook niet gezien worden als een formele weigering om tot opheffing van de paspoortsignalering over te gaan. 3.5. De brief van het LBIO van 17 oktober 2025 leidt niet tot een ander oordeel. Die brief moet worden gezien als een ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift tegen de brief van 24 september 2025. Uit die brief volgt ook niet dat het LBIO heeft geweigerd de paspoortsignalering op te heffen. In die brief wordt opgemerkt dat de alimentatiegerechtigden nog nadenken over een mogelijk tegenvoorstel in combinatie met een eventueel tijdelijk paspoort. Na de brief van 24 september zijn over en weer nog schikkingsvoorstellen gedaan, laatstelijk bij brief van het LBIO van 29 oktober 2025. Er moet dan ook nog een besluit worden genomen op het verzoek om opheffing van de signalering. 3.6. Nu de brief van 24 september 2025 niet is gericht op rechtsgevolg, kan hiertegen geen rechtsmiddel op grond van de Awb worden aangewend. Hieruit volgt dat het bezwaar tegen de brief van 24 september 2025 naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Verweerder heeft dit ook in zijn verweerschrift aangekondigd. Het bezwaar waaraan het verzoek om voorlopige voorziening is gekoppeld, heeft daarom geen redelijke kans van slagen en er bestaat dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Conclusie en gevolgen 4. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is op 31 oktober 2025 omstreeks 10:00 uur telefonisch aan partijen meegedeeld. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb Artikel 8:1 in combinatie met artikel 7:1 van de Awb