Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBAMS:2026:1356 Rechtbank Amsterdam , 29-01-2026 / 13/262371-25

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/262371-25 Datum uitspraak: 29 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 28 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 september 2025 door de Rechtbank van eerste aanleg te Košice, Slowakije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] (Slowakije), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , nu gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 13 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, waarnemend voor zijn raadsman mr. L. de Leon, eveneens advocaat te Utrecht. Bij gebrek aan een tolk in de Slowaakse taal heeft de rechtbank de behandeling ter zitting voor bepaalde tijd aangehouden. De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 21 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door de waarnemer van zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Slowaakse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Slowaakse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in Košice I van 8 februari 2023 (referentie 7T/15/2021) en een arrest van het Gerechtshof in Košice van 13 maart 2024 (referentie 4To/90/2023). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1 Inleiding In het EAB is in onderdeel D) aangekruist dat de opgeëiste procedure in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in antwoord op vragen van het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) op 16 december 2025 aanvullende informatie verstrekt. Daaruit volgt dat de advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen de veroordeling van 8 februari 2023. Het vonnis kon vervolgens niet in persoon aan de opgeëiste persoon betekend worden op het adres dat hij gedurende het proces had opgegeven, omdat hij daar niet meer verbleef en uit informatie van de politie bleek dat hij inmiddels voor langere tijd in Egypte woonde. De advocaat van de opgeëiste persoon had in de procedure in hoger beroep het nieuwe adres van de opgeëiste persoon doorgegeven, en er is tevergeefs getracht de opgeëiste persoon op dat adres op te roepen. De Regional Court in Košice heeft vervolgens besloten de procedure in hoger beroep buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon voort te zetten. De opgeëiste persoon heeft bij een politieverhoor in november 2020 een adresinstructie gekregen, die – naar de rechtbank begrijpt op een voor de opgeëiste persoon kenbare wijze – zag op de hele procedure inclusief het hoger beroep en is gewezen op de gevolgen van het niet nakomen daarvan. Bij de aanvullende informatie is een D)-formulier gevoegd met betrekking tot de procedure in hoger beroep, waarin onder 3.4 de verzetgarantie is aangekruist. Het IRC heeft vervolgens nog nadere vragen gesteld over de verzetgarantie, waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie heeft verschaft: " According to § 362 paragraph 1 of the Criminal Procedure Code (Act No. 301/2005 Coll.), a convicted person has the right to submit a motion for a retrial of their case before the court in their presence within 15 days of being served the decision on the indictment, either due to failure to meet the conditions under § 358 paragraph 1 or if the appointed defense attorney did not utilize a proper remedy. According to § 358 paragraph 1 of the Criminal Procedure Code, proceedings can be conducted against a person who has absconded if they evade criminal proceedings by residing abroad or by hiding. From the above, it follows that the convicted person [de opgeëiste persoon] cannot submit a motion for a retrial of his case before the court, since the conditions under § 358 paragraph 1 of the Criminal Procedure Code were met and the appointed defense attorney in the case utilized the appeal. However convicted person [de opgeëiste persoon] may submit a motion for the reopening of proceedings at any time during the execution of the sentence. The court will then decide by ruling whether to allow or deny the reopening of the proceedings." 4.2 Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in hoger beroep niet heeft kunnen uitoefenen. De gemachtigde advocaat heeft het hoger beroep namelijk ingesteld en dat niet aan de opgeëiste persoon medegedeeld. Verder is de door de Slowaakse autoriteiten verstrekte verzetgarantie niet onvoorwaardelijk. De overlevering moet daarom worden geweigerd. 4.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft de advocaat, die hoger beroep heeft ingesteld, zelf gemachtigd. De opgeëiste persoon had dus op de hoogte moeten of kunnen zijn van de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft in het verhoor bij de rechter-commissaris aangegeven dat hij niet zelf contact heeft onderhouden met zijn advocaat. Vervolgens is hij naar het buitenland vertrokken en is hij onbereikbaar geweest voor de Slowaakse autoriteiten, terwijl hij een adresinstructie had ontvangen. Hiermee is hij kennelijk onzorgvuldig geweest. Artikel 12 OLW staat niet aan overlevering in de weg. 4.4 Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt op basis van het EAB en de aanvullende informatie van 16 december 2025 vast dat enkel het arrest van the Regional Court of Košice van 13 maart 2024 met referentie 4To/90/2023 moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. De omstandigheid van artikel 12, sub d, OLW doet zich evenmin voor, nu uit de aanvullende informatie van 13 januari 2026 volgt dat geen sprake is van een onvoorwaardelijk recht op een verzetprocedure zoals bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Het is immers afhankelijk gemaakt van de beslissing van de (Slowaakse) rechtbank of de opgeëiste persoon een verzetprocedure kan beginnen tegen de eerdere veroordeling. Gelet op het voorgaande kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure in eerste aanleg en heeft er rekening mee moeten houden dat een procedure in hoger beroep zou kunnen volgen. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn advocaat en heeft die advocaat kennelijk ook gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen. Het lag vervolgens op de weg van de opgeëiste persoon om contact te houden met deze advocaat om op de hoogte te blijven van de procedure. Het feit dat de opgeëiste persoon ter zitting heeft verklaard dat het zijn moeder was die het contact onderhield met zijn advocaat (en dat het contact met zijn moeder tussentijds is verwaterd), maakt dit niet anders. De opgeëiste persoon is zelf naar het buitenland vertrokken en heeft zich door zijn handelwijze onvindbaar gemaakt voor de Slowaakse autoriteiten. Deze omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 6 Artikel 11 OLW: Slowaakse detentie-omstandigheden 6.1 Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om een individuele detentiegarantie op te vragen bij de Slowaakse autoriteiten, omdat duidelijk moet worden in welke Slowaakse gevangenis en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon na overlevering gedetineerd zal worden. Uit het rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: het CPT) van 10 april 2025 blijkt namelijk dat in meerdere gevangenissen in Slowakije gedetineerden slecht worden behandeld, onder andere doordat sprake is van fysiek en verbaal geweld. Voor de opgeëiste persoon bestaat dan ook een reëel gevaar dat hij in detentie in Slowakije onmenselijk of vernederend zal worden behandeld. 6.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen individuele detentiegarantie dient te worden opgevraagd, omdat er geen algemeen reëel gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Slowakije. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld vormt het CPT-rapport waar door de raadsman naar wordt verwezen geen aanleiding voor het aannemen van een algemeen gevaar. De overlevering kan worden toegestaan. 6.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft eerder op basis van het CPT-rapport van 10 april 2025 en de reactie van de Slowaakse regering op dat rapport geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Slowakije in het algemeen en in de Ružomberok Prison of de Žilina Prison in het bijzonder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van veroordeelde gedetineerden in Slowakije. In de enkele verwijzing van de raadsman naar het CPT-rapport van 10 april 2025 ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon is daarom niet aan de orde, zodat de rechtbank de zaak niet zal aanhouden ten behoeve van het opvragen van een detentiegarantie bij de Slowaakse autoriteiten. Het verzoek van de raadsman wordt verworpen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg te Košice, Slowakije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Rb Amsterdam 21 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3324. Rb Amsterdam 21 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3324; Rb Amsterdam 21 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3325.