ECLI:NL:RBLIM:2026:1370 Rechtbank Limburg , 06-02-2026 / C/03/348527 / KG ZA 26-5
Rechtbank Limburg
Case Summary
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/348527 / KG ZA 26-5 Vonnis in kort geding van 6 februari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1], te [plaats 1], 2. [eiser 2] , te [plaats 1], beiden in hoedanigheid van mentor en bewindvoerder over de goederen van [rechthebbende] , eisende partijen, advocaat: mr. L.H.G. Pelzer, tegen STICHTING [gedaagde], te [plaats 2], gedaagde partij, advocaat: mr. M.M.A. Janssen en mr. R.H. Burm. Eisende partijen worden hierna gezamenlijk [eisers] of de ouders genoemd, gedaagde partij wordt hierna aangeduid als [gedaagde]. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 23 - de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 9 - de mondelinge behandeling van 2 februari 2026 ter gelegenheid waarvan aan de zijde van [eisers] spreekaantekeningen zijn overgelegd. 2 De feiten 2.1. [rechthebbende] is gehandicapt en heeft een VG7-indicatie. [eisers] zijn de ouders van [rechthebbende]. [rechthebbende] verblijft sinds 13 oktober 2018 in een instelling van [gedaagde], [locatie] te [plaats 2]. De ouders zijn door deze rechtbank benoemd tot mentor en bewindvoerder over de goederen van [rechthebbende]. 2.2. [rechthebbende] heeft gezien zijn gedragsproblematiek en psychiatrische problematiek veel ondersteuning en begeleiding nodig, ook gedurende de nacht. [rechthebbende] kan tijdens de nacht zo onrustig worden dat hij in staat is zichzelf te verwonden door zichzelf te krabben of te bijten, zijn hoofd te bonken of om zich heen te slaan. Daarnaast stelt [rechthebbende] (ook ’s nachts) veel vragen op zoek naar bevestiging. 2.3. Sinds het verblijf van [rechthebbende] bij [gedaagde] hebben de ouders bij verschillende instanties geklaagd over de door [gedaagde] verleende zorg. In 2019 en 2021 zijn klachten van de ouders door Klachtencommissie van [gedaagde] en door de Geschillencommissie Zorg Algemeen gegrond verklaard. Daarnaast hebben de ouders de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ingeschakeld. 2.4. [gedaagde] heeft naar aanleiding van de klachten maatregelen getroffen om zoveel als mogelijk te voorkomen dat [rechthebbende] onrustig wordt en hij zichzelf verwondt. Een van deze maatregelen is dat er gedurende de nacht cameratoezicht is en een spreekluisterverbinding (intercom) gebruikt wordt. De camerabeelden worden ter analyse voorgelegd aan de gedragswetenschapper voor diagnostiek. De gedragswetenschapper kan vervolgens aan de hand van de beelden beoordelen welke maatregelen [gedaagde] kan treffen om de nachten van [rechthebbende] zo goed mogelijk te laten verlopen en de kwaliteit van zorg te verbeteren. Het verslag van de gedragswetenschapper wordt met het zorgpersoneel gedeeld en besproken. Met de spreekluisterverbinding kan de nachtdienst op afstand met [rechthebbende] communiceren. Deze spreekluisterverbinding gaat automatisch aan als [rechthebbende] geluid maakt. Als de spreekluisterverbinding aangaat, krijgt de nachtdienst ook direct de camerabeelden van de kamer van [rechthebbende] te zien. 2.5. De camerabeelden worden door [gedaagde] in principe niet opgeslagen en bewaard. [gedaagde] heeft de camerabeelden van een aantal weken in 2024 wél (tijdelijk) bewaard en ter analyse voorgelegd aan de gedragswetenschapper voor diagnostiek. De gedragswetenschapper heeft vervolgens aan de hand van de beelden beoordeeld welke maatregelen [gedaagde] kan treffen om de nachten van [rechthebbende] zo goed mogelijk te laten verlopen. 2.6. In de nacht van 8 op 9 augustus 2024 heeft [rechthebbende] zichzelf verwond en zaken vernield. De camerabeelden van die nacht zijn door de ouders opgevraagd bij [gedaagde]. [gedaagde] beschikt over die opnames, maar heeft geweigerd de camerabeelden te verstrekken. De ouders hebben melding gedaan bij de IGJ en bij het Zorgkantoor van het incident. 2.7. Partijen hebben naar aanleiding van een door de ouders opgestarte verzoekschriftprocedure ter verkrijging van de camerabeelden een minnelijke regeling getroffen, die kort gezegd inhield dat de ouders de camerabeelden van de betreffende nacht mochten inzien samen met een vertrouwenspersoon en hun advocaat in aanwezigheid van medewerkers van [gedaagde]. De ouders hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt en de beelden op 4 juni 2025 en op 12 november 2025 bekeken. De medewerkers van [gedaagde] zijn op die beelden onherkenbaar gemaakt (‘geblurd’). 2.8. IGJ heeft op 1 december 2025 een niet-geblurde variant van de beelden ingezien bij [gedaagde]. 2.9. In de nacht van 6 op 7 januari 2026 loopt [rechthebbende] verwondingen op in de vorm van krassen op zijn gezicht en achter zijn oor. [rechthebbende] heeft in de nacht met zijn tanden zijn beddengoed en matras kapotgebeten. De ouders hebben wederom een klacht ingediend bij de IGJ. Er loopt op dit moment een onderzoek van de IGJ. 3 Het geschil 3.1. De ouders vorderen namens [rechthebbende] dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] beveelt om de camerabeelden van 8 op 9 augustus 2024 in dezelfde geblurde vorm als vertoond aan de ouders op 12 november 2025 aan de ouders te verstrekken, uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis. De ouders vorderen namens [rechthebbende] dat de voorzieningenrechter een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 50.000,- aan de veroordeling verbindt voor het geval [gedaagde] in gebreke blijft met de nakoming van dit vonnis. Tot slot vorderen de ouders namens [rechthebbende] dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. 3.2. [gedaagde] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de ouders daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Spoedeisend belang 4.2. De ouders hebben betoogd dat zij een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening, omdat het in dezen om behoud van digitaal materiaal gaat en er sprake is van een actueel veiligheidsrisico van [rechthebbende]. Als de beelden worden gewist zijn deze onherstelbaar verloren volgens de ouders. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang niet betwist. 4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van de vorderingen. Belangenafweging 4.4. De ouders vorderen afgifte van camerabeelden van de nacht van 8 op 9 augustus, die zijn gemaakt uit hoofde van de zorgrelatie tussen [gedaagde] en [rechthebbende]. De ouders stellen een belang te hebben bij afgifte van de beelden, omdat de camerabeelden het enige objectieve en tastbare bewijsmiddel vormen om de gebeurtenissen van die nacht helder te krijgen. De ouders willen de camerabeelden delen met toezichthoudende instanties, waaronder de IGJ en het Zorgkantoor, die de beelden willen beoordelen, teneinde passende opvolging hieraan te geven. De ouders stellen dat zij de toezichthoudende instanties niet effectief kunnen informeren als zij niet over de camerabeelden beschikken. De ouders stellen verder dat zij over de camerabeelden wensen te beschikken om deze in een eventuele toekomstige procedure als bewijsmiddel te kunnen gebruiken. De ouders vinden dat er in de nacht continu nabijheid moet zijn voor [rechthebbende] en verwijzen in dat kader naar de instructie van de leverancier van het tentbed en de ergotherapeut. De ouders voeren aan dat op de beelden te zien is dat hier geen uitvoering aan wordt gegeven, zodat deze als bewijs kunnen dienen. 4.5. [gedaagde] betwist dat de ouders voldoende belang hebben bij afgifte van de beelden. [gedaagde] wijst erop dat de ouders de camerabeelden uitvoerig hebben mogen bekijken en dat de ouders beschikken over het verslag van de gedragswetenschapper en volledige toegang hebben tot het dossier van [rechthebbende], zodat zij over alle informatie over de betreffende nacht beschikken. [gedaagde] wijst er verder op dat de IGJ de camerabeelden heeft bekeken, geen afgifte van de beelden heeft gevraagd en de gebeurtenissen in de nacht van 8 op 9 augustus 2024 niet heeft gekwalificeerd als calamiteit in de zin van Wkkgz. Het Zorgkantoor heeft bij [gedaagde] geen verzoek ingediend om de beelden te bekijken. Als toezichthoudende instanties een verzoek tot inzage doen, zal [gedaagde] beoordelen of de instantie gerechtigd is om de camerabeelden in te zien, zodat afgifte van de beelden aan de ouders hiervoor niet noodzakelijk is. Verder erkent [gedaagde] dat er niet continue iemand bij [rechthebbende] aanwezig is. [gedaagde] heeft aangegeven dat dit een bewuste keuze is, waarbij het niet gaat om de vraag of er middelen zijn om het personeel in de nacht hiervoor in te zetten, maar om de vraag hoe de beste nachtrust voor [rechthebbende] kan worden gewaarborgd. [gedaagde] geeft aan dat zij de vrijheden van [rechthebbende] en de mogelijkheid om ’s nachts te kunnen slapen afweegt tegen het risico op zelfverwondingen. 4.6. [gedaagde] stelt verder dat er gewichtige redenen zijn die zich tegen afgifte verzetten. [gedaagde] stelt dat het verstrekken van camerabeelden de kwaliteit van de zorg ondermijnt, omdat medewerkers zich er dan tegen zullen gaan verzetten om nog gefilmd te worden. Medewerkers moeten ervan uit kunnen gaan dat het filmen van de zorgverlening geschiedt onder de voorwaarde dat de beelden voor intern gebruik zijn. Omdat het analyseren van camerabeelden bij meerdere cliënten van [gedaagde] noodzakelijk is, bestaat er een reëel risico dat er geen diagnostiek kan plaatsvinden en dat de camerabeelden niet kunnen worden ingezet om de ondersteuning aan cliënten af te stemmen en te verbeteren. Het enkele ‘blurren’ van de beelden is onvoldoende om de privacy van de medewerkers te waarborgen. De ouders zijn in staat om de medewerkers op basis van postuur, kledingcontouren en de aantekeningen in het medisch dossier te herkennen. Tot slot vreest [gedaagde] voor verspreiding van de beelden, omdat zij na afgifte geen enkele controle meer wat met de camerabeelden gebeurt. 4.7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Ingevolge lid 2 van dat artikel is degene die over de gegevens beschikt verplicht daarvan desverzocht inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. 4.8. Dat sprake is van een rechtsbetrekking en dat de ouders afgifte vorderen van bepaalde bescheiden staat tussen partijen niet ter discussie. Partijen verschillen van mening over de vraag of de ouders voldoende belang hebben bij de afgifte van de camerabeelden dan wel of [gedaagde] een zwaarwegender belang heeft dat zich verzet tegen de afgifte. 4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het belang van de ouders bij afgifte van de camerabeelden onvoldoende aannemelijk geworden. De ouders hebben aangegeven dat zij over de camerabeelden wensen te beschikken om deze in voorkomend geval aan toezichthoudende instanties te kunnen vertonen of verstrekken. [gedaagde] heeft toegezegd dat zij de camerabeelden op verzoek van de ouders aan toezichthoudende instanties zal vertonen, net zoals zij de beelden aan de IGJ heeft laten zien. [gedaagde] heeft in dat kader toegezegd dat zij de camerabeelden daarvoor beschikbaar zal houden. Daarmee ontvalt het belang van de ouders bij afgifte om de camerabeelden aan toezichthoudende instanties te kunnen tonen, omdat hieraan tegemoet wordt gekomen op een voor [gedaagde] minder ingrijpende wijze. 4.10. Verder geldt dat artikel 194 Rv, dat ten grondslag ligt aan de vorderingen van de ouders, een onderdeel is van de wettelijke regeling van het bewijsrecht. Hetgeen de ouders met de beelden willen bewijzen is tussen partijen niet in geschil. De voorzieningenrechter overweegt dat hier sprake is van een verschil van inzicht wat de beste zorg voor [rechthebbende] is, maar hoe de zorg feitelijk verleend wordt is tussen partijen niet in geschil. [gedaagde] ontkent niet dat zij niet de hele nacht, maar op bepaalde tijdstippen bij [rechthebbende] aanwezig is en ontkent ook niet dat er dus niet continu nabijheid wordt geboden die de ouders vragen. Daarmee vervalt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de noodzaak om in een toekomstige procedure bewijs te kunnen bieden van de stellingen van de ouders, nu deze stellingen door [gedaagde] worden erkend. 4.11. Bovendien heeft [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zwaarwegend belang om de camerabeelden niet af te geven. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat zij geen controle meer heeft over de (verdere) verspreiding van de camerabeelden als zij deze uit handen geeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] voldoende aannemelijk gemaakt dat er gevaar is voor reputatieschade voor zowel de personen die op de beelden te zien zijn als voor [gedaagde] wanneer de beelden zonder context aan derden worden vertoond. 4.12. Bovenstaande overwegingen leiden ertoe dat de voorzieningenrechter de vorderingen zal afwijzen. Proceskosten 4.13. [eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 4.14. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.