ECLI:NL:RBNNE:2025:5852 Rechtbank Noord-Nederland , 03-12-2025 / C/18/249142 / FT RK 25/1116
Rechtbank Noord-Nederland
Case Summary
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Leeuwarden zaaknummer: C/18/249142 / FT RK 25/1116 vonnis van 3 december 2025 in de zaak van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen verzoeker, tegen Stichting WoonFriesland , vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders correspondentieadres: Postbus 774 9700 AT Groningen (fax: [nummer] ), hierna te noemen de verhuurder. PROCESGANG Op 15 oktober 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw). Op 15 oktober 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 26 november 2025, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen. Bij de behandeling van de zaak zijn verschenen: verzoeker; mevrouw [schuldhulpverlener ] , schuldhulpverlener en werkzaam bij Zuidweg Schuldhulp ; mevrouw [werknemer verhuurder] , werkzaam bij Stichting WoonFriesland ; en de heer [gemachtigde] , werkzaam bij LAVG. RECHTSOVERWEGINGEN De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw teneinde een ontruiming van de woning op 16 oktober 2025 te voorkomen. Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft. Op 19 november 2025 heeft Zuidweg Schuldhulp , de instelling die de buitengerechtelijke schuldregeling voor verzoeker uitvoert, tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt het volgende. Het is nog niet gelukt om tot een minnelijke regeling te komen met de schuldeisers. Verzoeker had een baan in loondienst, die inmiddels is beëindigd. Verzoeker heeft een uitkering aangevraagd en is op zoek naar een baan. Verzoeker heeft de helft van de huur over oktober 2025 overgemaakt en heeft toegezegd het restant op 20 november 2025 te voldoen. Verder heeft hij aangegeven dat hij de huur voor december 2025 tijdig zal betalen. De verhuurder voert verweer, en heeft daartoe ter zitting het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft de huur van de maand november 2025 niet tijdig en volledig voldaan. Van de huur van de maand november 2025 is in 2 termijnen op 6 november 2025 en op 20 november 2025 in totaal € 505,00 betaald. De volledige huurtermijn bedraagt € 527,06 per maand. De verhuurder heeft op 3 december 2025 opnieuw de ontruiming aangezegd, nu het voorlopige moratorium is komen te vervallen, omdat er niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het tussenvonnis. Verder heeft verzoeker een medewerker van de verhuurder telefonisch zeer agressief en intimiderend bejegend nadat zij op 24 november 2025 uitleg heeft gegeven over de stand van zaken. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat zij het door de verhuurder ingenomen snapt, maar dat verzoeker er helemaal doorheen zit en dat een ontruiming niet bevorderlijk is voor zijn mentale problematiek. Nu er op dit moment geen inkomen wordt ontvangen, is niet duidelijk of de huur van de maand december 2025 tijdig kan worden voldaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij zich ook geïntimideerd voelde door de medewerker van verhuurder, maar ontkent dat hij de betreffende medewerker bedreigd heeft. De rechtbank overweegt dat beslissend is de vraag of de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming met de schuldeisers te komen over een minnelijke schuldregeling. Met betrekking tot de vraag of de voorziening gerechtvaardigd is overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat niet is voldaan aan de voorwaarde zoals gesteld in het vonnis van 15 oktober 2025 dat de lopende huurtermijnen tijdig moeten worden voldaan. Voorts staat onvoldoende vast dat verzoeker in staat is om de lopende huurverplichtingen te voldoen, nu de gemeente nog niet heeft beslist op de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering te ontvangen. De gevraagde voorziening zal dan ook worden afgewezen. Verzoeker dient binnen twee weken na heden aan te geven of het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt gehandhaafd. Indien verzoeker niet binnen twee weken reageert, zal hij niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van dit verzoek. BESLISSING De rechtbank - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.