ECLI:NL:RVS:2025:3961 Raad van State , 20-08-2025 / 202105244/1/A3
Bij besluit van 19 oktober 2018, vervangen door het besluit van 21 december 2018, heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een beslissing genomen op een verzoek van [appellant] om inzage op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming. Op 10 juli 2018 heeft [appellant] het college verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens en alle dossiers die er van hem bij de gemeente Amsterdam bestaan. Met het besluit van 19 oktober 2018 heeft het college [appellant] meegedeeld dat hij via www.mijn.overheid.nl inzage heeft in hoe hij geregistreerd staat in de basisregistratie personen en dat hij via de website van de gemeente een overzicht kan krijgen van instanties die zijn persoonsgegevens hebben opgevraagd.
How it connects
Related across sources
Full text 7 paragraphs
Op 10 juli 2018 heeft [appellant] het college verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens en alle dossiers die er van hem bij de gemeente Amsterdam bestaan.
Met het besluit van 19 oktober 2018 heeft het college [appellant] meegedeeld dat hij via www.mijn.overheid.nl inzage heeft in hoe hij geregistreerd staat in de basisregistratie personen en dat hij via de website van de gemeente een overzicht kan krijgen van instanties die zijn persoonsgegevens hebben opgevraagd.
Met het besluit van 21 december 2018 heeft de burgemeester het besluit van 19 oktober 2018 herroepen in die zin dat [appellant] gedeeltelijk inzage heeft gekregen in persoonsgegevens die over hem zijn verwerkt ten behoeve van de Persoonsgerichte Aanpak (hierna: PGA). Daarbij heeft de burgemeester delen van het dossier onleesbaar gemaakt, vanwege de bescherming van de privacy van derden en als waarborg voor de openbare veiligheid.
Met het besluit van 11 juli 2019 heeft de burgemeester het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, omdat pas na afloop van de hoorzitting nog twee brieven met persoonsgegevens van [appellant] zijn gevonden en hij alsnog inzage krijgt in enkele passages die eerder onleesbaar waren gemaakt. Ook heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van [appellant] te ruim is geformuleerd. Vanwege de grote hoeveelheid persoonsgegevens die over [appellant] worden verwerkt, heeft de burgemeester hem verzocht om zijn verzoek te preciseren. Omdat [appellant] geen gehoor heeft gegeven aan dat verzoek, concludeert de burgemeester dat aan het verzoek is voldaan door op 22 maart 2019 het dossieroverzicht te verstrekken en met de inzage in de gegevens die zijn verwerkt in het kader van de PGA. Hoger beroep 2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester het besluit van 11 juli 2019 op goede gronden heeft genomen. Hij voert daartoe - samengevat - aan dat het dossieroverzicht onvolledig is en dat dat de burgemeester hem geen inzage heeft gegeven in alle persoonsgegevens die de burgemeester over hem verwerkt, terwijl hij daar wel om heeft verzocht.
De burgemeester heeft de Afdeling bij brief van 18 juni 2025 laten weten dat na een nadere zoekslag is gebleken dat hij meer persoonsgegevens over [appellant] heeft verwerkt over de periode tot aan 10 juli 2018, dan alleen de gegevens die zijn opgenomen in het besluit van 11 juli 2019. De Afdeling stelt daarom vast dat het besluit van 11 juli 2019 onvolledig is. Dit betekent dat dit besluit onzorgvuldig tot stand gekomen is. De rechtbank is ten onrechte tot een andere conclusie gekomen. Het betoog slaagt. Conclusie
Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat de burgemeester heeft toegezegd dat [appellant] inzage in zijn volledige dossier zal krijgen, hoeft wat [appellant] verder heeft aangevoerd hoeft niet te worden besproken. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, het besluit van 11 juli 2019 vernietigen, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, en de burgemeester opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen. Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven dat dit besluit kan worden genomen uiterlijk op 1 december 2025. De Afdeling zal de burgemeester daarom opdragen om uiterlijk op deze datum een besluit te nemen. Gelet op hetgeen de burgemeester ter zitting heeft verklaard, ziet de Afdeling thans geen aanleiding om aan haar opdracht een dwangsom te verbinden. De Afdeling past geen judiciële lus toe, vanwege de te verwachten omvang van het nieuw te nemen besluit en afwijking van het voorliggende besluit.
De burgemeester moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2021 in zaak nr. 19/4477; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Amsterdam van 11 juli 2019, kenmerk DJ.18.010804.001; V. draagt de burgemeester van Amsterdam op om uiterlijk 1 december 2025, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; VI. veroordeelt de burgemeester van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.756,21, waarvan € 2.721,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat de burgemeester van Amsterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 270,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier. w.g. Borman voorzitter w.g. Soetens griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025 1072