Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBNNE:2026:438 Rechtbank Noord-Nederland , 03-02-2026 / 24/1620

Rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Noord-Nederland

Case Summary

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/1620 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. N.A.H. Limbourg), en de politiechef van Eenheid Noord-Nederland, verweerder (gemachtigden: mr. P. Pasteuning en M. van Horn). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over eisers verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens. Verweerder heeft dit verzoek gedeeltelijk toegewezen. Eiser is het niet eens met het afgewezen deel in het besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij het beroep niet inhoudelijk kan behandelen. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die van belang zijn. Procesverloop 2. Met de brief van 26 december 2023 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om inzage te krijgen in de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) . 2.1. Met het besluit van 13 maart 2024 heeft verweerder het verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft de gronden aangevuld. 2.3. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geding 3. Op de zitting heeft eiser zijn verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting ingetrokken. De rechtbank beoordeelt hierna de overgebleven gronden van beroep. Het procesbelang van eiser 4. Eiser stelt dat verweerder niet meewerkt aan het effectief verlenen van inzage. Zo vindt verweerder dat eiser zelf vervoer moet regelen om zijn gegevens in te zien, terwijl dit niet mogelijk was vanwege de detentie van eiser. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit onvolledig is. De GRIP-gegevens ontbreken in zijn geheel en er ontbreken registraties met betrekking tot het TBG . 4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in deze procedure geen procesbelang meer heeft. Hij licht dit als volgt toe. Lopende dit beroep, heeft eiser op 11 november 2024 een nieuw inzageverzoek ingediend dat ziet op de GRIP-gegevens en de TBG-registraties. Daarin specificeert hij zijn verzoek met: ‘de periode tussen 1 oktober 2019 tot en met 11 november 2024’. Die verwerkingsperiode valt binnen de reikwijdte van eisers onderhavige, algemene inzageverzoek. Op basis van eisers nieuwe inzageverzoek is er een gerichte zoekslag uitgevoerd naar die gegevens en daar is vervolgens een besluit op genomen. Hieruit volgt dat eiser in de onderhavige procedure geen procesbelang meer heeft bij een verdere beoordeling over de inzage in persoonsgegevens verwerkt door het GRIP en TBG. Tot slot voegt verweerder hieraan toe dat de detentie van eiser is beëindigd. 5. De rechtbank oordeelt als volgt. In zijn verweerschrift en op de zitting heeft verweerder laten weten dat eiser na het instellen van dit beroep, op 11 november 2024 een nieuw inzageverzoek heeft gedaan. Verweerder heeft hiervan concrete informatie overgelegd. Dat nieuwe inzageverzoek ziet in ieder geval op dezelfde persoonsgegevens en is meer gespecificeerd. Tegen het besluit op dat nieuwe verzoek is eiser ook in beroep gekomen. Dat beroep is door de rechtbank ingeschreven onder kenmerk LEE 25/968. 5.1. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er (voldoende) procesbelang bestaat dat verder reikt dan het belang dat hij in de andere procedure kan verdedigen. Nu het belang van eiser in dit proces is komen te vervallen, zal het beroep dat nu voorligt niet-ontvankelijk worden verklaard . Verzoek vaststellen dwangsom 6. Eiser stelt dat verweerder niet tijdig op zijn inzageverzoek heeft beslist. Hij heeft verweerder in gebreke gesteld en verweerder heeft niet binnen twee weken alsnog op zijn inzageverzoek besloten. Eiser is van mening dat verweerder daarom aan hem een dwangsom heeft verbeurd en verzoekt de rechtbank om deze vast te stellen. 6.1. Verweerder constateert dat hij een vaststellingsbeschikking dient op te maken in verband met een overschrijding van de beslistermijn. De verbeuring van een dwangsom was van rechtswege al van kracht. Hij zal daarom zo snel mogelijk deze beschikking opmaken en aan eiser toezenden. Op de zitting heeft verweerder deze toezegging aan eiser bevestigd. 7. De rechtbank stelt vast dat er geen aanleiding meer bestaat om het dwangsomverzoek inhoudelijk te behandelen, nu verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting heeft aangegeven dat er een apart dwangsombesluit wordt/is genomen. Tegen dat besluit staat een aparte rechtsgang open. De rechtbank laat het verzoek van eiser daarom nu verder onbesproken. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:1 Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Wet politiegegevens Artikel 25. (recht op inzage) 1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; b. de betrokken categorieën van politiegegevens; c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens. 2 De verwerkingsverantwoordelijke kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende regionale eenheden of bij de landelijke eenheid van de politie politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. Raadpleeg hiervoor artikel 25 van de Wpg. Hiermee wordt bedoeld het Gedetineerden Recherche Informatiepunt en het Team Beschermde Getuigen. Dit is op grond van artikel 8:1 van de Awb.