ECLI:NL:HR:2001:AB2623 Hoge Raad , 13-07-2001 / R01/044HR
-
How it connects
Related across sources
Full text 12 paragraphs
Het geding in feitelijke instantie Met een op 17 september 1999 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft [de man] - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de Ambtenaar van de burgerlijke stand - verder te noemen: de Ambtenaar - te bevelen de basisadministratie persoonsgegevens aan te vullen, als bedoeld in artikel 86 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA). Nadat de Ambtenaar het verzoek had bestreden heeft de Rechtbank bij beschikking van 21 december 1999 het verzoek van de man toegewezen en de Ambtenaar gelast de ontbinding op 28 april 1999 te Marokko van het op 8 mei 1996 tussen de man en [de vrouw] - hierna: de vrouw - gesloten huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie personen in te schrijven. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2.Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De desbetreffende voordracht en vordering is aan deze beschikking gehecht.
Het gaat in deze zaak om het volgende. (i) De man, geboren in 1950, sinds 1 augustus 1972 onafgebroken opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van de gemeente Amsterdam, heeft op 3 oktober 1986 door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit gekregen. Hij heeft daarnaast de Marokkaanse nationaliteit behouden. (ii) De man is in 1974 te Casablanca, Marokko, gehuwd. Op 2 juni 1977 is in Amsterdam uit dit huwelijk een dochter geboren. Het huwelijk is in 1981 in Nederland door echtscheiding ontbonden. De man is in 1984 opnieuw te Casablanca gehuwd. Uit dit huwelijk is in Amsterdam in 1987 een dochter geboren. Dit huwelijk is in 1992 in Nederland door echtscheiding ontbonden. (iii) Op 8 mei 1996 is de man te Casablanca in het huwelijk getreden met [de vrouw], die de Marokkaanse nationaliteit heeft. Het echtpaar heeft enige tijd samen in [woonplaats] gewoond, waarna de vrouw is teruggekeerd naar Marokko. (iv) De vrouw en een gemachtigde van de man zijn op 28 april 1999 ontvangen door twee adouls (door de overheid als getuigen benoemde ambtenaren) bij het "Tribunal de Première Instance" van Beb Msik - Sidi Othman te Casablanca. Op verzoek van de vrouw hebben de adouls een "Acte de répudiation compensatoire" opgemaakt, waaruit blijkt dat de vrouw wenst te worden verstoten, dat zij niet zwanger is, dat uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren en dat zij afziet van de rechten die het huwelijk met de man haar bood (een zogenoemde "khoel"). De adouls hebben vastgesteld dat op deze wijze een regelmatige echtscheiding heeft plaatsgevonden. De akte is door de adouls ondertekend en is gehomologeerd door de "Cadi Notaire", de rechter belast met notariële zaken van de hiervoor genoemde rechtbank. (v) De Ambtenaar heeft geweigerd de akte als huwelijksontbinding in te schrijven in de GBA. Op het door de man daartegen gemaakte bezwaar, heeft de Bezwaarcommissie GBA op 11 augustus 1999 afwijzend beschikt. (vi) De man heeft daarop de Rechtbank verzocht de Ambtenaar te bevelen alsnog de akte als huwelijksontbinding in te schrijven in de GBA. De Rechtbank heeft het verzoek toegewezen.
Aan zijn tot de Rechtbank gerichte verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat de ontbinding van het huwelijk door verstoting tegen compensatie in Nederland op de voet van art. 2 van de Wet Conflictenrecht Echtscheiding (Wet van 25 maart 1981, Stb 1981, 166; hierna: WCE) dient te worden erkend. De Rechtbank heeft als volgt overwogen. De band die de man met Nederland heeft moet geacht worden zoveel sterker te zijn dan zijn band met Marokko - waarbij vooral een rol speelt dat de man door een verzoek tot naturalisatie in te dienen kenbaar heeft gemaakt zich niet langer met Marokko verbonden te voelen - dat de Marokkaanse autoriteiten op grond van het bepaalde in art. 2 van het Haags Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed van 1 juni 1970, Trb. 1979 nr., 131, niet bevoegd waren ter zake van de ontbinding van zijn huwelijk. Op grond van art. 2 lid
Het middel acht de beslissing van de Rechtbank in strijd met art. 2 en
De behandeling van de door het middel opgeworpen vragen vereist in de eerste plaats na te gaan welke bete-kenis moet worden gehecht aan het in de WCE gemaakte onderscheid tussen een in het buitenland door de beslissing van een rechter of andere autoriteit tot stand gekomen huwelijksontbinding (art. 2) en de in het buitenland door een eenzijdige verklaring van de man tot stand gekomen ontbinding (art. 3). De memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1979-1980, 16004, nrs. 3-4, blz. 19) zegt over laatstgenoemd artikel: "Dit artikel geeft een regel voor verstotingen buiten het Koninkrijk verricht, die niet onder artikel 2 vallen. Voorop wordt gesteld dat deze zonder me-dewerking of toezicht van enige autoriteit, althans zonder enige vorm van proces tot stand gekomen verstoting, niet voor erkenning in aanmerking komen. Echter wordt een uitzondering gemaakt voor het geval dat de verstoten vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd. (…...)" en over artikel
Art.
Op grond van het bepaalde in art.
Bij de beantwoording van de vraag wat in dit verband - nu de man zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit heeft - onder de personele wet van de man dient te worden verstaan, moet het volgende worden vooropgesteld. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de WCE voor ogen gestaan dat buiten het Koninkrijk verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed in ruime mate dient te worden erkend. Daardoor wordt voorkomen dat hinkende rechtsverhoudingen ontstaan die diep in het privé-leven kunnen ingrijpen. Ook met betrekking tot de zogenoemde verstoting is onder ogen gezien dat die voor erkenning in aanmerking kan komen. Zo is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (zie hiervoor in 3.4.1) ervan uitgegaan dat een verstoting mogelijk onder art.
WCE kan vallen. Voorts kan erop worden gewezen dat in art. 3 weliswaar tot uitgangspunt is genomen dat huwelijksontbinding tot stand gebracht door verstoting niet wordt erkend, maar in dit wetsartikel zijn tevens voorwaarden opgenomen waaronder zo een huwelijksontbinding wél voor erkenning in aanmerking komt. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is de voorwaarde genoemd onder c van art. 3, te weten dat duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd. Door deze voorwaarde is de ongelijkwaardige positie van de vrouw bij een verstoting enigszins hersteld en wordt aan de vrouw de mogelijkheid geboden om van een verstoting "gebruik te maken" om een op deze wijze verkregen huwelijksontbinding in het Koninkrijk erkend te zien. Indien in een geval als het onderhavige, waarin de effectieve nationaliteit van de man de Nederlandse is, slechts acht zou worden geslagen op die nationaliteit en niet op zijn Marokkaanse nationaliteit, zou geen recht worden gedaan aan de positie van de vrouw bij een verstoting. Indien zij met de verstoting heeft ingestemd, is het immers ook in haar belang dat zij zich ook in het Koninkrijk op de ontbinding van het huwelijk kan beroepen, en moet daaraan niet in de weg staan dat de vreemde nationaliteit van de man niet zijn effectieve nationaliteit is. Hiermee strookt het in een geval als het onderhavige, waarin de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten de Marokkaanse is, hun huwelijk met toepassing van Marokkaanse recht is ontbonden en duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd, het voor de man geldende Marokkaanse recht als de personele wet van de man in de zin van art.
Nu in het onderhavige geval vaststaat dat de man en de vrouw de Marokkaanse nationaliteit hebben, dat de huwelijksontbinding in Marokko rechtsgevolg heeft en de vrouw met de huwelijksontbinding heeft ingestemd, kan slechts worden geoordeeld dat de ontbinding op 28 april 1999 te Marokko van het op 8 mei 1996 tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk op grond van het bepaalde in art.
WCE in Nederland dient te worden erkend. Het middel faalt derhalve.
Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 juli 2001.