Skip to content
Case Law
NL

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-05-2026 (200.339.415)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Summary

Er is geen huurovereenkomst met betrekking tot de ligplaats van een woonschip tot stand gekomen tussen de gemeente en de eigenaar van het woonschip.

Case Summary

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.339.415 zaaknummer rechtbank Gelderland 10227599 arrest van 12 mei 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. M.B. Bollen en Gemeente Arnhem die is gevestigd in Arnhem advocaat: mr. M.C. Willems-Muller 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de kantonrechter) op 1 november 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het arrest van 7 mei 2024, waarbij een mondelinge behandeling ten overstaan van een nog aan te wijzen raadsheer-commissaris is bepaald (deze mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden); de memorie van grieven, met producties; de memorie van antwoord; het verslag (proces-verbaal) van de meervoudige mondelinge behandeling die op 18 december 2025 is gehouden en de daarin genoemde stukken die op 7 december 2025 door [appellant] aan het hof en de gemeente zijn verzonden maar door het hof toen niet waren ontvangen. 2 De kern van de zaak 2.1. [appellant] heeft een woonschip gekocht. De vorige eigenaar huurde de ligplaats van het woonschip en de daaraan grenzende grond van de gemeente. Partijen zijn het niet eens over of er tussen hen een huurovereenkomst ten aanzien van de ligplaats en de daaraan grenzende grond tot stand is gekomen, of dat [appellant] hierop gerechtvaardigd mag vertrouwen en over hoe groot het stuk grond is dat hoort bij die ligplaats. 2.2. [appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd de gemeente te veroordelen de met hem gesloten huurovereenkomst na te komen door het door de landmeter ingemeten perceel van 336 m² aan hem ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom. 2.3. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen, waarbij in hoger beroep een hogere dwangsom wordt gevorderd. 2.4. Het hof zal beslissen dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen voor een perceel van 336 m² en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter dus in stand. 3 De toelichting op de beslissing van het hof De feiten 3.1. [appellant] kocht in het najaar van 2021 of het begin van 2022 een woonschip, dat lag aan de [straatnaam] 4 in [woonplaats] (hierna: ligplaats nr. 4). 3.2. Aan de [straatnaam] zijn meerdere woonschepen gelegen. De eigenaren van die woonschepen huren ligplaatsen en de daarbij horende grond van de gemeente, die eigenaar is van de grond. 3.3. In het verleden, in ieder geval omstreeks 1983, hoorde bij ligplaats nr. 4 een stuk grond met een extra hoek eraan aan de kant van de ligplaats aan de [straatnaam] 5 (hierna: ligplaats nr. 5). De grond die toen bij ligplaats nr. 4 hoorde is op onderstaande tekening gearceerd aangegeven: 3.4. De eigenaar waarvan [appellant] het woonschip heeft gekocht, huurde vanaf 1 januari 2008 ligplaats nr. 4 met de daarbij behorende grond van de gemeente. De aanvangshuurprijs was € 50,45 per maand en de huurprijs bedroeg begin 2022 € 68,93 per maand. De huurovereenkomst is aangegaan onder de volgende voorwaarden: ‘(…) Artikel 1 Het gehuurde is partijen, mede door de in het terrein aangegeven markeringen, voldoende bekend en behoeft derhalve geen nadere omschrijving. Artikel 2 (…) De verkoop van de in het gehuurde gelegen woonboot mag pas plaatsvinden na schriftelijke vermelding daarvan van de huurder aan de verhuurder. (…) De Gemeente zal de nieuwe eigenaar een huurovereenkomst aanbieden op dezelfde voorwaarden, met een redelijke verhoging van het liggeld van maximaal 10% ten opzichte van de alsdan over die ligplaats geldende huurprijs, en mag de nieuwe eigenaar slechts als nieuwe huurder weigeren indien verwacht mag worden dat de nieuwe eigenaar zich niet als een goed huurder zal gedragen. (…) Artikel 9 De huurprijs zal jaarlijks (…) worden herzien, overeenkomstig de stijging of daling van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. (…)’ 3.5. Op 25 november 2021 meldt de door [appellant] ingeschakelde gemachtigde per e-mail aan de gemeente dat de nieuwe eigenaren van ligplaats nr. 4 het stuk grond dat erbij hoort kadastraal willen laten inmeten. De gemeente reageert hierop dezelfde dag als volgt: ‘(…) De huurovereenkomst die nu met de huidige eigenaar is afgesloten zal 1 op 1 over gaan (qua grootte) naar de nieuwe eigenaar. In principe zal inmeting van onze grond door onze landmeters worden verricht, (…).’ 3.6. Een medewerkster van de gemeente mailt op 8 februari 2022 aan onder meer de gemachtigde van [appellant] en de eigenaar waarvan [appellant] het woonschip kocht dat zij op 15 februari 2022 aanwezig zal zijn ‘voor het uitzetten van de verhuurgrens van genoemde stroken gemeentegrond’. Daarbij merkt zij op dat de oplevering eveneens het startpunt is voor de verhuur aan de nieuwe eigenaar. 3.7. Op 11 februari 2022 heeft de Connectie de feitelijk bij de voormalige eigenaar van het door [appellant] gekochte woonschip in gebruik zijnde grond ingetekend op een kaart. Hierop is te zien dat die voormalige eigenaar van het woonschip een stuk grond met een extra hoek eraan gebruikte: 3.8. Op 15 februari 2022 vindt een inmeting van de verhuurgrens plaats door een landmeter van de Connectie. 3.9. Tegelijkertijd is in aanwezigheid van onder meer een medewerkster van de gemeente een opleveringsrapport (gedateerd op 16 februari 2022) opgesteld dat is ondertekend door de gemachtigde van [appellant] en de toenmalige eigenaar van het door [appellant] gekochte woonschip. Daarin is het volgende vermeld: ‘(…) Op 15 februari 2022 heeft er een inspectie plaatsgevonden aan het perceel [straatnaam] 4 (…) Het doel van deze inspectie was het inspecteren van het perceel en de daarop aanwezige opstallen. (…) Huidige Huurder en nieuwe huurde komen overeen dat de opstallen aanwezig op het perceel in de huidige staat een op een zullen worden overgenomen door de nieuwe huurder. Tijdens de inspectie zijn foto’s gemaakt van het perceel deze zijn in deze rapportage opgenomen. Deze rapportage ziet niet toe op de verhuurgrenzen als genoemd in de verhuurovereenkomst. (…)’. 3.10. Een medewerkster van de gemeente mailt op 17 februari 2022 het volgende aan onder meer de gemachtigde van [appellant] : ‘(…) Dinsdag 15 februari 2022 ben ik met de landmeter van de Connectie ter plaatse van [straatnaam] 4 geweest om de strook gemeentegrond uit te zetten voor de nieuwe eigenaar van [straatnaam] 4 en dus ook de nieuwe huurder van de strook gemeente grond. Bij het uitzetten van de erfgrens is gebleken dat de verhuurgrenzen afwijken van hetgeen daadwerkelijk in gebruik is bij de bewoners (de oranje stippen/piketpaaltjes geven de verhuurgrens aan). Na mijn vakantie ga ik in overleg met mijn collega’s van openbare ruimte en Juridische zaken hoe we met deze ontstane situatie moeten omgaan. Uiteraard stel ik met u in contact alvorens stappen te ondernemen. (…)’. 3.11. Op 3 maart 2022 stuurt de gemeente een e-mail aan de eigenaar van het woonschip gelegen aan ligplaats nr. 5, waarin staat: ‘(…) Inzake de verhuurgrens deel ik u mede dat de gegevens die de landmeter heeft gebruikt voor de meting afkomstig zijn van het kadaster, zogenoemd veldwerk. Aan de hand van die gegevens zijn de oranje stippen/paaltjes gezet. Omdat deze afwijken van het daadwerkelijke gebruik is het noodzakelijk dat wij deze afwijking en de eventuele gevolgen hiervan in kaart brengen. (…) De grootste afwijking zit in de verhuur/gebruik tussen nummer 4 en 5. De nieuwe bewoner van nummer 4 is hiervan op de hoogte en wacht de bevindingen af. Daarnaast hebben wij geconstateerd dat de deel van hetgeen door nummer 4 is gehuurd van de gemeente Arnhem en ook weer verhuurd zou worden aan de nieuwe eigenaar van nummer 4 door u in gebruik is genomen. (…) Zoals ook met de bewoners van nummer 3, 4 en 6, gaan wij deze zaken in kaart brengen om daarna met de betrokken bewoners in overleg te treden. (…)’. 3.12. Vervolgens mailt de gemeente op 14 maart 2022 aan de gemachtigde van [appellant] het volgende: ‘(…) U gaf namens de heer [appellant] aan erop te staan dezelfde strook te kunnen huren die de rechtsvoorganger van de heer [appellant] ook van de gemeente huurde. Omdat we daarin van mening verschillen heb ik de vraag of de gemeente kan kiezen de heer [appellant] een verhuurvoorstel te doen die afwijkt van het geen de rechtsvoorganger huurde voorgelegd aan onze stadsadvocaat. (…) Omdat een nieuwe huurovereenkomst wordt aangeboden, kan de gemeente een nieuw aanbod doen, waarbij de grenzen worden aangeboden conform de feitelijke situatie. Wij zullen de landmeters opdracht geven tot het opstellen van twee nieuwe tekeningen die recht doen aan het feitelijke gebruik van de gemeentegrond bij [straatnaam] 4 en 5. Zodra ik deze heb ontvangen, zal ik een huurovereenkomst op basis van deze tekening opstellen en aan u doen toekomen. (…)’ 3.13. Medio maart 2022 heeft [appellant] een nieuw woonschip laten plaatsen bij ligplaats nr. 4 en hij is daar toen gaan wonen. Daarbij heeft hij een stuk grond van 291 m² in gebruik genomen. De naastgelegen grond was toen in gebruik bij de eigenaar van het woonschip gelegen aan ligplaats nr. 5. 3.14. Op 26 april 2022 stuurt de gemeente een e-mail aan de gemachtigde van [appellant] waarin staat: ‘(…) In de bijlage treft u aan de huurovereenkomst voor een strook gemeentegrond bij de ligplaats [straatnaam] 4 voor uw client de heer [appellant] . Ik verzoek u de huurovereenkomst met uw client te bespreken en de gegevens van uw client in te vullen. Tevens verzoek ik u de foto’s die ter plaatse op 15 februari 2022 door u zijn gemaakt toe te voegen, deze foto’s maken deel uit van de huurovereenkomst. (…) In de huurovereenkomst ben ik uitgegaan van een betaling per maand, zijnde € 161,28, (m2 huurprijs is € 5,76 per jaar). De gemeente Arnhem geeft de voorkeur aan dit maandelijks te incasseren, in de bijlage treft u een machtigingsformulier hiervoor aan. Wij verzoeken u uw client dit formulier te laten ondertekenen. Uiteraard staat het uw client vrij per kwartaal, half jaar of per jaar te betalen, dit verneem ik graag van u. Heeft u naar aanleiding van deze mail of inhoud van de huurovereenkomst nog vragen, dan kunt u dit doen middels een reply op deze mail. (…)’ 3.15. Als bijlage bij de hiervoor genoemde e-mail van 26 april 2022 is een huurovereenkomst gevoegd tussen de gemeente Arnhem en [appellant] (hierna: de eerste huurovereenkomst). In de huurovereenkomst wordt voor het gehuurde verwezen naar de volgende kaart, te weten een perceel met schuine grenzen, zonder extra hoek: In de eerste huurovereenkomst staat verder voor zover hier van belang het volgende: het gehuurde heeft een omvang van 336 m²; de ingangsdatum is 1 april 2022; de aanvangshuurprijs bedraagt € 1.935,36 per jaar met een boekjaar van januari tot en met december; de betalingsverplichting van de huurder bestaat uit een huurprijs per kalendermaand van € 161,28, bij vooruitbetaling te voldoen; de eerste betaling heeft met het oog op de ingangsdatum betrekking op de periode van 1 april 2022 tot en met 31 mei 2022 en het over die periode verschuldigde bedrag van € 322,56 zal huurder voor of op 1 juni 2022 voldoen; huurder heeft bij het aangaan van voorliggende huurovereenkomst de op het gehuurde gelegen schuur van de voormalige eigenaar van het woonschip overgenomen. 3.16. [appellant] reageert niet op de e-mail van de gemeente van 26 april 2022 en de daarbij gevoegde huurovereenkomst. 3.17. Bij e-mail van 13 mei 2022 stuurt de gemeente een aangepaste huurovereenkomst aan de gemachtigde van [appellant] (hierna: de tweede huurovereenkomst) met het verzoek die overeenkomst aan [appellant] voor te leggen, de ontbrekende persoonsgegevens van [appellant] door te geven zodat de definitieve huurovereenkomst opgesteld kan worden en ter ondertekening kan worden toegezonden. In de bij die e-mail gevoegde huurovereenkomst wordt voor het gehuurde verwezen naar de volgende kaart, te weten een perceel met rechte grenzen zonder de extra hoek: In de tweede huurovereenkomst staat verder voor zover hier van belang het volgende: het gehuurde heeft een omvang van 291 m²; de ingangsdatum is 1 maart 2022; de aanvangshuurprijs bedraagt € 827,16 per jaar met een boekjaar van januari tot en met december; de betalingsverplichting van de huurder bestaat uit een huurprijs per kalendermaand van € 68,93, bij vooruitbetaling te voldoen; de eerste betaling heeft met het oog op de ingangsdatum betrekking op de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 mei 2022 en het over die periode verschuldigde bedrag van € 206,79 zal huurder voor of op 1 juni 2022 voldoen; huurder heeft bij het aangaan van voorliggende huurovereenkomst de op het gehuurde gelegen schuur van de voormalige eigenaar van het woonschip overgenomen. 3.18. Op 16 juni 2022 komt een huurovereenkomst ten aanzien van de ligplaats nr. 5 tot stand tussen de gemeente en de eigenaar van het woonschip dat is gelegen op die ligplaats. In die huurovereenkomst wordt voor het gehuurde verwezen naar de volgende kaart, te weten een perceel met rechte grenzen dat aansluit op de grenzen van het perceel bij ligplaats nr. 4 zoals bedoeld in de op 13 mei 2022 aan de gemachtigde van [appellant] toegezonden huurovereenkomst: 3.19. Bij brief van 28 juni 2022 verzoekt de toenmalige advocaat van [appellant] de gemeente om haar verplichting uit de huurovereenkomst na te komen en aan [appellant] in gebruik te geven het gehuurde zoals aangeduid op de bij de eerste huurovereenkomst gevoegde kaart. 3.20. De gemeente laat bij brief van 14 juli 2022 weten hieraan geen gehoor te geven, omdat de eerste huurovereenkomst niet door [appellant] is geaccepteerd. 3.21. [appellant] betaalt vanaf 15 december 2022 tot in ieder geval 1 september 2023 (ongeveer) € 161,28 huur aan de gemeente, waarbij uit de omschrijving van in ieder geval de eerste betalingen volgt dat deze volgens [appellant] betrekking hebben op de maanden december 2022 en volgende. Op welk stuk grond maakt [appellant] aanspraak? 3.22. [appellant] vordert dat de gemeente wordt veroordeeld tot het ter beschikking stellen van een stuk grond van 336 m² bij ligplaats nr. 4, zoals weergegeven op de bij de eerste huurovereenkomst horende kaart. Op dit moment heeft hij de beschikking over een stuk grond van 291 m², zoals weergegeven op de bij de tweede huurovereenkomst horende kaart. Het extra stuk grond waarop hij aanspraak maakt is driehoekig van vorm en gelegen tussen de gele lijn en de links daarvan gelegen rode lijn op onderstaande foto. Er is geen huurovereenkomst tot stand gekomen 3.23. [appellant] stelt primair dat op 15 maart 2022 een mondelinge huurovereenkomst tot stand is gekomen tussen hem en de gemeente ten aanzien van het stuk grond van 336 m², welke mondelinge overeenkomst werd bevestigd door de op 26 april 2022 toegezonden schriftelijke overeenkomst. Subsidiair stelt hij dat hij het aanbod van 26 april 2022 heeft aanvaard. Meer subsidiair stelt hij dat het aanbod van 26 april 2022 niet is ingetrokken dan wel niet meer kon worden ingetrokken. Nog meer subsidiair stelt [appellant] dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een huurovereenkomst tot stand is gekomen. De gemeente voert hiertegen verweer. 3.24. Het hof is van oordeel dat er geen (mondelinge) huurovereenkomst tussen [appellant] en de gemeente tot stand is gekomen en zal dat hierna toelichten. 3.25. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Een overeenkomst komt in het algemeen tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Aanbod en aanvaarding zijn rechtshandelingen. Een rechtshandeling vereist volgens artikel 3:33 BW een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring openbaart. Zo’n verklaring kan in ieder vorm geschieden en kan ook in een of meer gedragingen besloten liggen, maar een tot een persoon gerichte verklaring moet om haar werking te hebben die persoon wel hebben bereikt (artikel 3:37 lid 1 en lid 3 BW). 3.26. Het hof zal daarom eerst vaststellen wanneer de gemeente aan [appellant] een aanbod heeft gedaan voor een te huren stuk grond bij ligplaats nr. 4 en vervolgens of het aanbod is aanvaard. 3.27. Vast staat dat in februari 2022 onduidelijkheid bestond over welk stuk grond hoorde bij ligplaats nr. 4. Uit de tekening van de Connectie van 11 februari 2022 blijkt dat de vorige eigenaar van het woonschip feitelijk een stuk grond met een extra hoek gebruikte, terwijl de gemeente vond dat de extra hoek niet tot het gehuurde behoorde. Op 15 februari 2022 heeft de landmeter van de Connectie op verzoek van de gemeente huurgrenzen uitgezet zoals deze volgens de gemeente moesten zijn. Uit de e-mail van 17 februari 2022 van de gemeente aan [appellant] volgt dat de gemeente zich nog aan het beraden was over hoe hiermee moest worden omgegaan. Hieruit volgt dat de gemeente op dat moment dus nog geen aanbod aan [appellant] heeft gedaan om het door de Connectie uitgezette stuk grond te huren. 3.28. Vervolgens mailt de gemeente op 3 maart 2022 met de eigenaar van het woonschip gelegen aan ligplaats nr. 5 over de ontstane situatie. De gemeente gaat er daarbij weliswaar vanuit dat die eigenaar een stuk grond in gebruik heeft dat eigenlijk hoort bij ligplaats nr. 4, maar hieruit kan niet worden geconcludeerd dat de gemeente dat stuk grond dan ook aan [appellant] aanbood. In die e-mail schrijft de gemeente namelijk ook dat zij een en ander in kaart gaat brengen en daarna met de betrokken bewoners in overleg zal treden. 3.29. Op 14 maart 2022 mailt de gemeente aan de gemachtigde van [appellant] dat [appellant] en de gemeente van mening verschilden over de te huren strook grond, dat de gemeente van mening is dat zij niet gebonden is aan hetgeen de vorige huurder van ligplaats nr. 4 huurde en dat zij de landmeters opdracht zal geven tot het opstellen van twee nieuwe tekeningen die recht doen aan het feitelijke gebruik van de grond bij de ligplaatsen nr. 4 en nr. 5. Het hof is van oordeel dat de gemeente op dat moment nog geen aanbod deed aan [appellant] , omdat de gemeente nog geen duidelijkheid gaf over alle essentialia van de huurovereenkomst. Er wordt in de e-mail van de gemeente namelijk niets gezegd over de huurprijs en tussen partijen staat vast dat zij ook niet met elkaar hebben gesproken over de huurprijs. Niet kan worden aangenomen dat partijen impliciet overeenstemming hadden over de in de eerste huurovereenkomst – welke volgens [appellant] een bevestiging was van de mondelinge overeenkomst – genoemde huurprijs van € 161,28 per maand. Deze huurprijs voldoet namelijk niet aan de in de huurovereenkomst van de rechtsvoorganger van [appellant] genoemde voorwaarde dat de huurprijs maximaal 10% mocht worden verhoogd, aangezien de rechtsvoorganger van [appellant] laatstelijk een huurprijs van € 68,93 per maand betaalde. Dat de prijs voor [appellant] niet relevant was – zoals tijdens de mondelinge behandeling namens hem is gesteld – maakt dit niet anders. Dit had [appellant] namelijk niet aan de gemeente laten weten, zodat er geen sprake kan zijn van een impliciete aanvaarding van een aanbod voor een huurovereenkomst met een nader te bepalen huurprijs. 3.30. Dat betekent dat de gemeente op 26 april 2022 voor het eerst een aanbod aan [appellant] heeft gedaan door toezending van de eerste huurovereenkomst. Dat de gemeente heeft gevraagd om invulling van een incassoformulier is een bevestiging van dit aanbod. Dit aanbod is door [appellant] niet aanvaard. 3.31. Niet in geschil is dat [appellant] niet richting de gemeente heeft gereageerd op de op 26 april 2022 toegezonden huurovereenkomst, zodat er geen sprake is van een expliciete verklaring waarmee het aanbod is aanvaard. Er zijn ook geen gedragingen gesteld of gebleken waaruit de gemeente op of voor 13 mei 2022 – de datum van toezending van de tweede huurovereenkomst voor het stuk grond van 291 m² – had moeten afleiden dat [appellant] de eerste huurovereenkomst had aanvaard. [appellant] is namelijk niet direct de huur gaan betalen. Ook heeft hij niet met medeweten van de gemeente het driehoekige stuk grond dat het verschil maakt tussen het perceel van 291 m² en 336 m² in gebruik genomen of de eigenaresse van het woonschip gelegen aan ligplaats nr. 5 er met medeweten van de gemeente op gewezen dat hij dit stuk grond in gebruik wilde nemen. 3.32. De volgende vraag is of de gemeente het aanbod van 26 april 2022 kon herroepen. Het hof is van oordeel dat de gemeente dat kon en dat op 13 mei 2022 ook heeft gedaan. 3.33. Op grond van artikel 6:219 BW kan een aanbod worden herroepen, tenzij het een termijn voor de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere wijze uit het aanbod volgt. Deze uitzonderingen zijn niet gesteld of gebleken. Volgens lid 2 van dit wetsartikel kan de herroeping alleen geschieden zolang het aanbod niet is aanvaard en ook geen mededeling van die aanvaarding is verzonden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het aanbod van 26 april 2022 op 13 mei 2022 nog niet was aanvaard door [appellant] . Ook was er door [appellant] op 13 mei 2022 geen mededeling verzonden dat hij het aanbod aanvaardde. Dat betekent dat de gemeente het aanbod op 13 mei 2022 kon herroepen en dat zij dit door toezending van de tweede huurovereenkomst heeft gedaan. Vanaf 13 mei 2022 kon het aanbod van 26 april 2022 dus niet meer door [appellant] worden aanvaard. Uit de betaling op 15 december 2022 van de in de op 26 april 2022 toegezonden huurovereenkomst genoemde huur van € 161,28 kan dus geen aanvaarding van die huurovereenkomst worden afgeleid. 3.34. De stelling van [appellant] dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er op 26 april 2022 een huurovereenkomst tot stand is gekomen, slaagt ook niet. Het hof zal dat hierna uitleggen. 3.35. [appellant] stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat op 26 april 2022 een huurovereenkomst tot stand is gekomen, omdat: hij onder dezelfde voorwaarden kon huren als zijn rechtsvoorganger; met de gemeente op locatie is besproken dat hij de ligplaats onder diezelfde voorwaarden wil huren met dezelfde oppervlakte; de gemeente het gehuurde heeft laten inmeten waarna een omvang van het gehuurde van 336 m² is vastgesteld; hij een opleveringsrapport heeft laten opstellen dat op verzoek van de gemeente deel uitmaakt van de huurovereenkomst; hij op 26 april 2022 van de gemeente een huurovereenkomst heeft ontvangen die punt a tot en met c bevestigen. Omdat hij hierop gerechtvaardigd mocht vertrouwen, vindt [appellant] dat de gemeente het stuk grond van 336 m² aan hem ter beschikking moet stellen. 3.36. Dat in de huurovereenkomst van de vorige huurder van ligplaats nr. 4 is verwoord dat de gemeente de nieuwe eigenaar van het woonschip een huurovereenkomst zal aanbieden op dezelfde voorwaarden betekent niet dat [appellant] aanspraak kon maken op het stuk grond van 336 m². In februari / maart 2022 was juist onduidelijk welk stuk grond de vorige huurder huurde, terwijl uit de tijdens de mondelinge behandeling namens [appellant] overgelegde stukken volgt dat de vorige huurder een stuk grond met de extra hoek huurde en niet het stuk grond van 336 m² zoals weergegeven op de kaart bij de op 26 april 2022 toegezonden huurovereenkomst. Dit is tussen partijen niet langer in geschil. De bepaling in de huurovereenkomst dat de gemeente aan de nieuwe eigenaar onder dezelfde voorwaarden een huurovereenkomst zal aanbieden, kan dus niet leiden tot toewijzing van de vordering van [appellant] die ziet op het stuk grond van 336 m² met rechte grenzen in plaats van de extra hoek. 3.37. Aan de inmeting op 15 februari 2022 door de Connectie in opdracht van de gemeente kon [appellant] ook niet het vertrouwen ontlenen dat het stuk grond van 336 m² aan hem zou worden verhuurd. Bij die inmeting bleek namelijk juist dat er discussie was over het stuk grond dat bij ligplaats nr. 4 hoorde. Voor zover dit ten tijde van de inmeting op 15 februari 2022 voor (de gemachtigde van) [appellant] niet duidelijk was, geldt dat de gemeente hem dit bij e-mail van 17 februari 2022 heeft laten weten. De medewerkster van de gemeente heeft toen immers bericht dat zij in overleg met collega’s van openbare ruimte en juridische zaken zal overleggen over hoe met de ontstane situatie moet worden omgegaan. 3.38. Om diezelfde reden kan [appellant] ook aan het opleveringsrapport van 16 februari 2022 niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de gemeente het stuk grond van 336 m² aan hem zou verhuren. Het opleveringsrapport (dat weliswaar is opgesteld in aanwezigheid van een medewerker van de gemeente) ziet ook niet op de rechtsverhouding tussen [appellant] en de gemeente, maar is ondertekend door de gemachtigde van [appellant] en de toenmalige eigenaar van het door [appellant] gekochte woonschip. Bovendien is in het opleveringsrapport expliciet verwoord dat dit niet gaat over de verhuurgrenzen in de verhuurovereenkomst. Uit de omstandigheid dat de gemeente in haar e-mail van 8 februari 2022 heeft geschreven dat de oplevering eveneens het startpunt is voor de verhuur aan de nieuwe eigenaar volgt slechts dat partijen overeenstemming hebben over de ingangsdatum van een nog overeen te komen huurovereenkomst. Dat het opleveringsrapport aan de huurovereenkomst van 26 april 2022 zou worden gehecht, had geen betrekking op de omvang van het te huren stuk grond maar op de staat van het perceel en de zich daarop bevinden opstallen. 3.39. [appellant] heeft ook nog gesteld dat het stuk grond van 336 m² dezelfde grenzen heeft als de object-contouren uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (hierna: BAG-contouren) en dat hij er – naar het hof begrijpt – op mocht / mag vertrouwen dat hij een perceel gelijk aan die contouren kan huren van de gemeente. Het hof volgt hem hierin niet. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom de gemeente gehouden zou zijn om bij de verhuur van ligplaats nr. 4 een stuk grond aan te bieden dat gelijk is aan de BAG-contouren en die nadere toelichting heeft [appellant] niet gegeven. De conclusie 3.40. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.41. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 1 november 2023; 4.2. veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van de gemeente, tot op heden begroot op: € 798 aan griffierecht € 2.580 aan salaris van de advocaat van de gemeente (twee procespunten x het toepasselijke tarief II) 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. S.I. Geerling, G.D. Hoekstra en M. Wallart, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

Related across sources

Similar Content