Rechtbank Gelderland, 03-06-2026 (K/5001/12094421)
Rechtbank Gelderland
Tussenvonnis voornemen spoorwissel dagvaarding- naar verzoekschriftprocedure en verwijzen naar handel
Case Summary
RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 12094421 \ CV EXPL 26-1376 Vonnis van 3 juni 2026 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: [gemachtigde eiser] , tegen THUISWINKEL.ORG , gevestigd te Ede, gedaagde partij, hierna te noemen: Thuiswinkel, gemachtigde: mr P.A.H.S. Martens en mr. V.H. Romviel (Thuiswinkel.org). 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 januari 2026; - de conclusie van antwoord; - de akte uitlating betaling griffierecht van [de eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Het geschil 2.1. [de eiser] vordert - samengevat - dat Thuiswinkel wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis een volledige inzage in zijn persoonsgegevens te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en dat Thuiswinkel wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500,-, vermeerderd met rente en kosten. 2.2. [de eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij op 20 november 2025 een verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens heeft ingediend bij Thuiswinkel. Hij heeft, ondanks herhaaldelijke herinnering, geen volledige inzage gegeven. De volhoudende weigering van Thuiswinkel om volledig en juist te reageren op zijn verzoek zorgt onder andere voor onzekerheid over de verwerking van zijn persoonsgegevens, verlies van controle over zijn eigen gegevens, stress en een gevoel van rechtsongelijkheid en machteloosheid. De daardoor ontstane schade moet Thuiswinkel vergoeden. 2.3. Thuiswinkel voert verweer. Zij voert in eerste instantie aan dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 45 lid 3 sub b Rv en artikel 21 Rv nietig is en [de eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zo heeft [de eiser] niet zijn volledige voornamen vermeld in de dagvaarding, ontbreekt een machtiging van zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] (hierna: [gemachtigde eiser] ), is het niet zeker dat [gemachtigde eiser] in onderhavige zaak de gemachtigde van [de eiser] is en zijn er twijfels of [de eiser] echt bestaat. Voor het geval het voorgaande niet slaagt voert Thuiswinkel aan de dat de vorderingen van [de eiser] moeten worden afgewezen. Hij gebruikt het recht op inzage voor andere doeleinden dan gegevensbescherming, waardoor hij misbruik maakt van zijn recht op inzage, zijn recht om een gerechtelijke procedure te starten en niet integer handelt. 2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 3 De beoordeling Nietigheid dagvaarding 3.1. Artikel 45 Rv geeft het minimum weer waaraan de inhoud van een exploot moet voldoen. Zo dient op grond van lid 3 sub b van voornoemd artikel een exploot ten minste de naam, en in geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt te vermelden. In dat kader voert Thuiswinkel aan dat [de eiser] niet zijn volledige voornamen heeft vermeld in de dagvaarding; zijn tweede voornaam ‘ [voornaam eiser] ’ ontbreekt en alleen zijn eerste naam ‘ [voornaam eiser] ’ is vermeld. De dagvaarding is daarom nietig. 3.2. De kantonrechter gaat hier in eerste instantie aan voorbij. Op grond van artikel 66 Rv leidt de niet naleving van hetgeen in afdeling 6 van titel 1 van boek 1, en dus onder andere in artikel 45 Rv, is voorgeschreven slechts tot nietigheid voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld. Thuiswinkel is in het geding verschenen en gesteld nog gebleken is dat zij onredelijk is benadeeld. Daarnaast wordt ook verwezen naar hetgeen in rov. 3.13. wordt overwogen over de identiteit van [de eiser] . Griffierecht 3.3. Uit hoofde van artikel 3 lid 1 Wgbz is een eisende partij in een civiele procedure voor de kantonrechter een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel moet de eiser ervoor zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerst dienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Die termijn liep af op 11 maart 2026. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht op 23 maart 2026 is betaald. 3.4. Bij niet tijdige betaling van het griffierecht wordt Thuiswinkel van de instantie ontslagen (artikel 127a lid 2 Rv). Deze consequentie wordt buiten toepassing gelaten als de rechter van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (artikel 127a lid 3 Rv). 3.5. [de eiser] is in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken waarom het verschuldigde griffierecht te laat is betaald. [de eiser] stelt bij akte dat het griffierecht te laat is betaald, omdat de factuur voor het griffierecht door hem of zijn gemachtigde niet (tijdig) is ontvangen. De factuur is verstuurd naar een onjuist adres. Zijn gemachtigde heeft contact opgenomen met de financiële afdeling van de rechtbank, wegens het uitblijven van de factuur. Na ontvangst van de factuur is het griffierecht alsnog onverwijld voldaan. 3.6. De kantonrechter heeft het door [de eiser] gestelde gecontroleerd in de administratie van de griffie en daaruit blijkt dat de factuur inderdaad niet naar het adres van de gemachtigde van [de eiser] is gestuurd. De kantonrechter is van oordeel dat op grond daarvan het niet aan [de eiser] te wijten is dat het griffierecht niet tijdig is betaald. Thuiswinkel zal daarom niet van de instantie worden ontslaan. Verkeerd inleidend processtuk 3.7. Een procedure dient te worden ingeleid met een dagvaarding, tenzij uit de wet voortvloeit dat dit met een verzoekschrift moet worden gedaan. Op grond van artikel 69 Rv is de kantonrechter verplicht, ook zonder een daartoe strekkend verweer, te onderzoeken of de procedure met het juiste processtuk aanhangig is gemaakt. Indien de kantonrechter vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, dient hij de wissel om te zetten en ervoor zorg te dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste spoor. 3.8. De vordering van [de eiser] gaat onder andere om het verstrekken van volledige inzage in de persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG. Voor deze zaken is op grond van artikel 35 UAVG een verzoekschriftprocedure voorgeschreven. De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat [de eiser] deze zaak dus niet met een dagvaarding had moeten inleiden, maar met een verzoekschrift. 3.9. Op basis van het voorgaande is de kantonrechter voornemens om op grond van artikel 69 Rv een zogenoemde ‘spoorwissel’ toe te passen. Dit houdt in dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De kantonrechter geeft partijen eerst de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over dit voornemen. De kantonrechter is niet bevoegd 3.10. Naast dat de procedure met een verkeerd processtuk is ingeleid, is de kantonrechter voorlopig ook van oordeel dat hij niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en dat de zaak moet worden verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Op grond van artikel 42 Wet op de rechterlijke organisatie is het uitganspunt dat verzoekschriften in eerste aanleg behandeld worden door de rechtbank, tenzij in de wet is bepaald dat de kantonrechter deze mag behandelen. Dit laatste is niet het geval voor verzoeken op grond van de AVG. 3.11. De kantonrechter is daarom voornemens om deze procedure te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem. Voordat de kantonrechter hierover beslist, worden partijen ook in de gelegenheid gesteld om zich over de voorgenomen verwijzing uit te laten. 3.12. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het op grond van artikel 35 lid 4 UAVG voor partijen, zoals normaal gesproken wel het geval is, niet verplicht is om zich bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Partijen mogen dus, als zij dat wensen, zelf zonder bijstand van een advocaat procederen bij deze afdeling. Identiteit [de eiser] en zijn gemachtigde 3.13. Thuiswinkel voert gemotiveerd aan dat [de eiser] niet eerlijk is over zijn identiteit en intenties en over die van zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] . Zo ontbreekt een machtiging van [gemachtigde eiser] , heeft [de eiser] niet zijn volledige voornamen vermeld, procedeert [de eiser] in feite in persoon en worden haar leden in afwisselende constructies (indirect) met [de eiser] en zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] geconfronteerd. Volgens Thuiswinkel moet [de eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze verweren van Thuiswinkel zien voor een heel groot deel ook op de inhoudelijke beoordeling. De kantonrechter is, zoals hiervoor voorlopig is geoordeeld, niet bevoegd om (inhoudelijk) van de zaak kennis te nemen. Als de kantonrechter de zaak verwijst, dan zal een rechter van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank hierop nader ingaan. De kantonrechter laat de stellingen hieromtrent daarom vooralsnog buiten beschouwing. 3.14. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 1 juli 2026 voor het nemen van een akte door beide partijen, waarbij zij (gelijktijdig) gelegenheid krijgen om te reageren op het voornemen om zaak te verwijzen naar een verzoekschriftprocedure en naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem, 4.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026. 47414 / 51588