Rechtbank Amsterdam, 27-05-2026 (C/13/755497)
Rechtbank Amsterdam
WAMCA, grondrechten gebruikers sociale media platform, ontvankelijkheid
Case Summary
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/755497 / HA ZA 24-921 Vonnis van 27 mei 2026 in de zaak van STICHTING ONDERZOEK MARKTINFORMATIE , gevestigd te Amsterdam, eisende partij, advocaat: eerst mr. E.F. Vaal (onttrokken), thans mr. M. Schimmel te Amsterdam, tegen 1 de vennootschap naar buitenlands recht X CORP., gevestigd te San Francisco, Verenigde Staten van Amerika, 2. de vennootschap naar buitenlands recht X INTERNET UNLIMITED COMPANY , gevestigd te Dublin, Ierland, 3. de besloten vennootschap TWITTER NETHERLANDS B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partijen, advocaat: mr. H.J. Pot te Amsterdam. Partijen zullen hierna afzonderlijk SOMI, X Corp, XIUC en Twitter Netherlands worden genoemd. X Corp, XIUC en Twitter Netherlands zullen hierna gezamenlijk X Corp c.s. worden genoemd. 1 De kern van de zaak en de beslissing 1.1. Deze zaak gaat over een collectieve actie. Daarin komt SOMI op voor de belangen van ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het sociale media platform X (voorheen Twitter). Kern van het verwijt van SOMI is dat X Corp c.s. met de inrichting, exploitatie en de beveiliging van het X-platform de grondrechten van de gebruikers schenden. Daarbij gaat het SOMI in het bijzonder om datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en haatzaaiende berichten (hate speech). SOMI wil door middel van deze collectieve actie bereiken dat X Corp c.s. hiermee stoppen en dat X Corp c.s. de schade van haar achterban vergoeden. Daarbij gaat het om materiële en immateriële schade. 1.2. In deze fase van de procedure en dus in dit vonnis gaat het niet om een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI. Eerst moet de rechtbank beoordelen of SOMI de collectieve actie mag instellen (de ontvankelijkheid). 1.3. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat onduidelijk is of SOMI over voldoende financiële middelen beschikt om de kosten van deze procedure te dragen, waarbij de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt nader toe te lichten. Voor het overige voldoet SOMI aan de ontvankelijkheidseisen (onder de WAMCA). 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de gelijkluidende dagvaardingen van 15 augustus 2024 van SOMI; - de akte overlegging producties van SOMI, met producties 1 tot en met 123; - de partiële conclusie van antwoord van X Corp c.s., met producties 1 tot en met 43; - het tussenvonnis van 17 december 2025; - de akte houdende overlegging aanvullende producties van X Corp c.s., met producties 44 tot en met 67; - de akte overlegging producties van SOMI, met producties 124 tot en met 137; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 april 2026 en de daarin genoemde stukken; - het B-formulier van mr. Vaal van 13 mei 2026, waarmee zij zich onttrekt als advocaat van SOMI; - het B-formulier van mr. Schimmel van 13 mei 2026, waarmee hij zich stelt als de nieuwe advocaat van SOMI. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van SOMI Over SOMI 3.1. SOMI is een stichting met volledige rechtsbevoegdheid en is op 31 mei 2016 opgericht door [bedrijf 1] B.V. (thans [bedrijf 2] B.V., hierna: [bedrijf 2]). Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is [bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3]), waarvan [naam 1] (hierna: [naam 1]) enig aandeelhouder en bestuurder is. 3.2. Het doel van SOMI op grond van artikel 2.1 sub a van haar statuten, luidt: “ het behartigen van belangen van natuurlijke personen, in het bijzonder van consumenten en minderjarigen, die gebruikmaken van onlinediensten, waarbij op enig moment een schending van de rechten van die natuurlijke personen plaatsvindt, waaronder begrepen maar niet beperkt tot inbreuken op grondrechten, zoals het recht om niet gediscrimineerd te worden en het recht op bescherming van privacy en bescherming van persoonsgegevens, alsmede inbreuken op consumentenrechten en wet- en regelgeving ter bescherming van minderjarigen ”. 3.3. Sinds 31 mei 2021 heeft SOMI drie bestuurders. Dat zijn op dit moment [naam 1], [naam 2] (hierna: [naam 2]) en [naam 3]. 3.4. SOMI heeft een toezichthoudend orgaan in de vorm van de raad van toezicht (zie artikel 3 van de statuten). De raad van toezicht heeft drie leden. De huidige leden zijn [naam 4], [naam 5] en [naam 6]. 3.5. Op 12 december 2022 hebben SOMI, [bedrijf 3] en [bedrijf 2] een schenkingsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst is de vordering die [bedrijf 3] per 1 december 2022 op SOMI heeft, van in totaal (afgerond) € 1,7 miljoen, kwijtgescholden. Verder is afgesproken dat [bedrijf 3] SOMI met ingang van 1 december 2022 financiert door middel van schenking van alle middelen die SOMI nodig heeft voor de uitvoering van haar activiteiten, dat deze schenking (afgerond) € 4,8 miljoen bedraagt (te weten tot een totaal beloop van de schenking door [bedrijf 3] aan SOMI van (€ 1,7 + € 4,8) € 6,5 miljoen) of zoveel meer als SOMI nodig zal blijken te hebben voor haar activiteiten tot 1 januari 2028, dat [bedrijf 3] de schenkingen op eerste verzoek van SOMI beschikbaar stelt, zonder dat [bedrijf 3] daaraan nadere voorwaarden kan stellen, en dat SOMI niet verplicht is tot terugbetaling van de schenkingen. 3.6. Op 17 juni 2024 is SOMI geplaatst op de lijst als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Richtlijn representatieve vorderingen (hierna: de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie). 3.7. Bij brief van 3 juli 2024 heeft SOMI X Corp c.s. aansprakelijk gesteld voor schendingen van verplichtingen tot gegevensbescherming en consumentenrechten op het X-platform en hen uitgenodigd om met haar in overleg te treden. Over X Corp c.s. 3.8. X Corp is het Amerikaanse techbedrijf van [naam 7] en heeft in oktober 2022 alle aandelen in Twitter Inc, een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf dat sinds 2006 haar Twitter-dienst aanbood, overgenomen. Enig aandeelhouder van X Corp is X Holding Corp. 3.9. XIUC (tot voor kort genaamd Twitter International Unlimited Company) is een dochtermaatschappij van X Corp. Zij exploiteert binnen de Europese Unie het X-platform (voorheen de Twitterdienst). Dat is een internetplatform, bestemd voor het plaatsen van een kort bericht met een maximum van 280 tekens, een zogeheten ‘tweet’ of ‘post’. Het is toegankelijk via de website [internetsite] en via applicaties voor mobiele telefoons en tablets. Elke gebruiker met een account op X kan een tweet plaatsen op het X-platform. 3.10. Twitter Netherlands is een (Nederlandse) dochtermaatschappij van XIUC en houdt zich bezig met marketing- en marktontwikkelingsactiviteiten. 4 De vordering 4.1. De volledige vorderingen van SOMI zoals opgenomen in de dagvaarding zijn weergegeven in de bijlage bij dit vonnis. Ter zitting heeft SOMI verklaard dat zij haar vorderingen onder de DSA niet langer tegen Twitter Netherlands richt maar alleen tegen X Corp en XIUC en dat zij in zoverre haar eis wijzigt. 4.2. SOMI stelt dat X Corp c.s. onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). X Corp c.s. schenden diverse verplichtingen onder de Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG) , de Digital Services Act (DSA) en de Nederlandse implementatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Afdeling 3A van Boek 6, titel 3 van het BW). Ook beroept SOMI zich op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Samengevat komen de verwijten van SOMI erop neer dat X Corp c.s.: (i) geen passende beveiligingsmaatregelen hebben genomen ter bescherming van persoonsgegevens van X-gebruikers en hebben verzuimd datalekken te melden c.q. daarover te informeren; (ii) ongeoorloofd gebruik hebben gemaakt van bijzondere persoonsgegevens van X-gebruikers voor haar advertentiedienst (microtargeting); en (iii) niet heeft voldaan aan de zorgplicht voor grote online platforms om zogenaamde systeemrisico’s tegen te gaan, waaronder de verplichting om voldoende maatregelen te nemen tegen hate speech op het X-platform en om onderzoek naar de schadelijke effecten van systeemrisico’s voor de maatschappij mogelijk te maken. 4.3. SOMI voert ten aanzien van het verwijt onder (i) aan dat in de periode juni 2021 tot 13 januari 2022 een datalek is ontstaan op het X-platform, die tot een reeks verdere datalekken heeft geleid. Volgens SOMI gaat het om vier datalekken, waarvan de laatste plaatsvond op 4 januari 2023 en waarbij accountgegevens (met e-mailadressen en telefoonnummers) van aanvankelijk 5,4 miljoen X-gebruikers en later 400 miljoen X-gebruikers zijn verkregen en te koop aangeboden op het darkweb. De datalekken zijn het gevolg van door X Corp c.s. getroffen gebrekkige beveiligingsmaatregelen en zijn door X Corp c.s. niet tijdig en volledig gemeld aan de toezichthouder en de getroffen X-gebruikers. Daarmee hebben X Corp c.s. in strijd gehandeld met (artikelen 5 lid 1 sub f, 32, 33 en 34 van) de AVG. 4.4. Wat betreft het verwijt onder (ii) stelt SOMI dat X Corp c.s. gedetailleerde profielen van X-gebruikers samenstellen door gebruikersgedrag te monitoren en deze profielen vervolgens gebruiken om gericht advertenties aan te bieden aan X-gebruikers op basis van specifieke criteria (microtargeting). X Corp c.s. gebruiken daarbij ook bijzondere categorieën van persoonsgegevens waaruit bijvoorbeeld de etnische afkomst, politieke opvattingen en/of religie van X-gebruikers kunnen worden afgeleid. Dit alles vindt plaats zonder dat de X- gebruikers hiervan op de hoogte zijn en is in strijd met (artikelen 9 lid 1, 5 lid 1 onder a, 12, 13 en 14 van) de AVG en (artikel 26 lid 3 van) de DSA. Ook het openbare advertentieregister is gebrekkig en onbetrouwbaar (artikel 39 DSA). Het in advertentievoorwaarden doen voorkomen alsof microtargeting door adverteerders op het X-platform niet mag maar dit toch laten gebeuren, is een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW. Het achterwege laten van de op grond van artikel 13 en 14 AVG vereiste informatie moet worden aangemerkt als een misleidende omissie in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW. 4.5. Aan het verwijt onder (iii) legt SOMI ten grondslag dat X Corp c.s. (althans X Corp en XIUC) verplicht zijn om systeemrisico’s die voortvloeien uit (het ontwerp of de werking van) het X-platform, waaronder het verspreiden van illegale inhoud zoals hate speech, te beoordelen en de in kaart gebrachte systeemrisico’s te beperken door het treffen van maatregelen. Sinds de overname van het X-platform door [naam 7] is sprake van een toename van hate speech. X Corp c.s. (althans X Corp en XIUC) doen te weinig om de systeemrisico’s aan te pakken op het X-platform en belemmeren onderzoek daarnaar. Zij schenden daarmee (artikelen 34, 35 en 40 van) de DSA. 4.6. SOMI stelt dat de X-gebruikers voor wie zij in deze procedure opkomt door de handelwijze van X Corp c.s. materiële en immateriële schade hebben geleden. SOMI houdt X Corp c.s. voor de schade hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 82 lid 4 AVG en artikel 6:166 BW. 5 Rechtsmacht van de Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid 5.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat twee van de drie gedaagde partijen (X Corp en XIUC) hun woonplaats in het buitenland hebben. Daarom moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI op deze partijen. Ter zitting hebben X Corp en XIUC verklaard dat zij zich op dit punt refereren aan het oordeel van de rechtbank. 5.2. Voor XIUC moet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van de Verordening Brussel I-bis , omdat het geschil ten aanzien van haar zowel materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt. Voor X Corp geldt op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis dat de rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van het nationale recht van de aangezochte rechter en dus aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 5.3. X Corp en XIUC hebben geen verweer gevoerd tegen de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen die SOMI tegen hen heeft ingesteld. Daarmee hebben zij blijkens hun proceshouding de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter stilzwijgend aanvaard. Zij zijn immers in het geding verschenen zonder zich, zoals 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis en artikel 11 Rv vereisen, tijdig op het ontbreken van die bevoegdheid beroepen. Verder staat de rechtsbetrekking tussen partijen ter vrije bepaling (artikel 9 Rv). Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van de stilzwijgende forumkeuze van partijen (artikel 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis ten aanzien van XIUC en artikel 9 lid 1 Rv ten aanzien van X Corp) bevoegd is. 5.4. Voor de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter is artikel 99 lid 1 Rv van belang. Hierin is bepaald dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd is. Hieruit volgt dat deze rechtbank bevoegd is ten aanzien van de vorderingen tegen Twitter Netherlands, die immers in Amsterdam is gevestigd. Niet in geschil is dat tussen de vorderingen tegen X Corp, XIUC en Twitter Netherlands een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Gelet daarop kan Twitter Netherlands de rol van ankergedaagde vervullen en is deze rechtbank tevens bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen XIUC op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis en ten aanzien van de vorderingen tegen X Corp op grond van artikel 107 Rv. 5.5. Uit het voorgaande volgt dat deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI. Welk recht van toepassing is op deze vorderingen, kan worden bepaald bij de inhoudelijke behandeling van de vorderingen. 6 De beoordeling van de ontvankelijkheid van SOMI Inleidende opmerkingen en verzoeken om aanhouding 6.1. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands collectief actierecht van toepassing, ongeacht het (materiële) recht dat van toepassing is op de vorderingen van SOMI. Niet in geschil is dat de vorderingen van SOMI vallen onder het collectief actieregime van Titel 14A van Boek 3 Rv (artikel 1018b e.v. Rv), zoals dat per 1 januari 2020 is ingevoerd met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: de WAMCA) en per 25 juni 2023 is gewijzigd na implementatie van de Richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten. 6.2. Uit artikel 1018c lid 5 Rv volgt dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering van SOMI slechts kan plaatsvinden indien en nadat de rechtbank heeft beslist: a. dat SOMI voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW; b. dat SOMI voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen, doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben; c. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt. 6.3. SOMI heeft haar vorderingen (deels) gebaseerd op schendingen van de AVG. Ook de AVG stelt ontvankelijkheidseisen aan belangenorganisaties. Een belangenorganisatie moet (i) een orgaan, organisatie of vereniging zijn dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, (ii) zij mag geen winstoogmerk hebben, (iii) haar statutaire doelstellingen moeten het algemeen belang dienen en (iv) zij moet actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens (artikel 80 lid 1 AVG). Deze eisen gelden ook voor belangenorganisaties die onafhankelijk van een opdracht voor de betrokkenen optreden (artikel 80 lid 2 AVG). 6.4. Zowel de WAMCA als de AVG stellen dus ontvankelijkheidseisen aan organisaties die een collectieve actie willen starten. Deze vereisten lopen voor een groot deel parallel aan elkaar, maar komen niet volledig overeen. Zo moet de belangenorganisatie op grond van artikel 3:305a lid 2 BW voldoende representatief zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vorderingen die zij vertegenwoordigt, terwijl artikel 80 lid 1 AVG op het punt van representativiteit geen eisen stelt aan de belangenorganisatie. Evenmin vereist artikel 80 lid 1 AVG dat een belangenorganisatie over voldoende financiële middelen beschikt om de collectieve actie te kunnen bekostigen. Dit betekent dat voor vorderingen op grond van de AVG voor belangenorganisaties in Nederland ingevolge de WAMCA deels nadere en strengere eisen gelden. De vraag is of de WAMCA daarmee in de weg staat aan een effectieve werking van de AVG. 6.5. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 juli 2025 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU over de verhouding tussen de WAMCA en de AVG en over de uitleg van het in artikel 80 AVG opgenomen actiefvereiste en opdrachtbegrip. Een van de vragen is of de AVG toestaat dat een collectieve organisatie schadevergoeding vordert zonder een individuele opdracht van de betrokkene. X Corp c.s. menen van niet en hebben de rechtbank verzocht om de procedure aan te houden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen. De rechtbank ziet daarvoor in deze fase van de procedure geen aanleiding. Het gaat in deze collectieve actie om drie deelonderwerpen. SOMI beroept zich niet voor ieder deelonderwerp op de AVG en, daar waar zij dat wel doet, legt zij ook de DSA en de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken aan haar vorderingen ten grondslag. Dit betekent dat de rechtbank hoe dan ook de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moet beoordelen. Overigens is het niet uitgesloten dat de rechtbank in het vervolg van deze procedure alsnog besluit tot aanhouding, afhankelijk van de uitkomsten van de beoordeling van de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA. 6.6. X Corp c.s. hebben verder verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de vorderingen voor zover deze gebaseerd zijn op artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA, omdat over de schending van artikelen 34 en 35 DSA door (onder meer) XIUC nog een onderzoek van de Europese Commissie loopt en hoger beroep is ingesteld door (onder meer) XIUC tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van 5 december 2025 op basis van artikelen 25, 39 en 40 DSA (zie ook hierna onder 6.83). Het beginsel van Unietrouw brengt volgens X Corp c.s. met zich dat de nationale rechter de procedure in beginsel moet schorsen in afwachting van de definitieve uitspraak van de EU-rechter. De rechtbank wijst ook dit verzoek af, omdat het in deze fase van de procedure alleen nog maar gaat over de ontvankelijkheid van SOMI en niet om een inhoudelijke beoordeling van de door SOMI gestelde schending van de artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA. Ontvankelijkheidseisen onder de WAMCA (artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW) Wettelijk kader en uitgangspunten 6.7. Artikel 3:305a lid 1 BW bevat allereerst de ontvankelijkheidseis dat de eisende belangenorganisatie een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is. Deze belangenorganisatie kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (het gelijksoortigheidsvereiste), voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (het statutenvereiste). Verder moet de belangenorganisatie de belangen van de benadeelden ten behoeve van wie zij een vordering instelt, voldoende waarborgen (het waarborgvereiste). Deze eis is nader ingevuld met de ontvankelijkheidseisen in lid 2 en lid 3 van artikel 3:305a BW. 6.8. Deze aanvullende ontvankelijkheidseisen richten zich op de representativiteit en kwaliteit van de belangenorganisatie. In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de stichting of vereniging voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (het representativiteitsvereiste). Daarnaast is in lid 2 van artikel 3:305a BW, onder a tot en met f, een aantal specifieke eisen op het gebied van governance en transparantie opgesomd waaraan de belangenorganisatie moet voldoen. 6.9. Verder mogen de bestuurders betrokken bij de oprichting van de belangenorganisatie, en hun opvolgers, geen winstoogmerk hebben (artikel 3:305a lid 3 onder a BW), moet de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer hebben (artikel 3:305a lid 3 onder b BW) en moet de belangenorganisatie voldoende hebben getracht het gevorderde door het voeren van minnelijk overleg te bereiken (het overlegvereiste; artikel 3:305a lid 3 onder c BW). 6.10. De rechtbank moet zo nodig ambtshalve toetsen of aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW is voldaan. 6.11. Bij de beoordeling van de vraag of SOMI aan alle ontvankelijkheidseisen voldoet, is van belang dat zij op 17 juni 2024 is geplaatst op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie (zie 3.6). Ten behoeve van de aanwijzing is door de Minister voor Rechtsbescherming vastgesteld dat SOMI voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3:305a lid 2 onderdelen a, b en d, lid 3, onderdeel a en lid 5 BW (zie artikel 3:305e lid 2 BW). Dit betekent dat, wanneer SOMI in de Europese Unie een collectieve actie start, de rechter van die lidstaat de inrichting van SOMI (op deze onderdelen) niet mag beoordelen. Uit onderdeel 12 van de considerans van de Richtlijn representatieve vorderingen volgt dat de eisen voor grensoverschrijdende representatieve vorderingen niet mogen afwijken van de eisen voor binnenlandse representatieve vorderingen. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat bij de aanwijzing de inrichting van de belangenorganisatie is gecontroleerd, maar dat tussen het moment van de aanwijzing en het instellen van de collectieve actie de situatie kan zijn veranderd. De rechtbank neemt daarom tot uitgangspunt dat SOMI voldoet aan de hiervoor genoemde eisen met betrekking tot de inrichting van haar organisatie, tenzij zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die niet in aanmerking genomen konden worden bij de aanwijzing omdat zij zich pas daarna hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat dit niet langer het geval is. Dit uitgangspunt is, anders dan X Corp c.s. stellen, niet in strijd met de Richtlijn representatieve vorderingen en evenmin met het leerstuk van de formele rechtskracht. Artikel 5 lid 4 van deze richtlijn biedt X Corp c.s. de ruimte om in een civiele procedure gerechtvaardigde twijfels te uiten over de naleving door SOMI van voormelde artikelen. Dit impliceert niet alleen dat X Corp c.s. nieuwe feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen, maar ook dat zij het besluit van de Minister wel degelijk bij de rechtbank ter discussie kunnen stellen en in zoverre dus niet in hun recht op verdediging worden geschaad. Statutenvereiste 6.12. SOMI is een stichting naar Nederlands recht. Uit haar statuten blijkt dat zij tot doel heeft de behartiging van belangen van consumenten die gebruik maken van onlinediensten en wiens rechten worden geschonden (zie 3.2). In deze procedure komt SOMI op voor deze belangen. Dat is ook niet door X Corp c.s. betwist. Dit betekent dat is voldaan aan het statutenvereiste (van artikel 3:305a lid 1 BW). Representativiteitsvereiste Moment van toetsing 6.13. Het is vaste rechtspraak dat de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moeten worden getoetst op het moment dat de rechter hierover een beslissing neemt ( ex nunc -toets). X Corp c.s. betwisten dit op zichzelf niet, maar stellen dat een uitzondering geldt voor het representativiteitsvereiste. Dit vereiste moet volgens X Corp beoordeeld worden op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding ( ex tunc -toets). Anders kan, zo stellen X Corp c.s., een stichting of vereniging op elk moment een rechtsvordering instellen, waardoor de aangesproken partij wordt gedwongen tot het maken van het kosten, ook wanneer achteraf blijkt dat er geen steun voor de actie bestaat. Een ex nunc -toetsing leidt er ook toe dat de andere ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA, zoals het overlegvereiste, zinledig zijn en dat de aangesproken partij zich niet behoorlijk kan verdedigen wanneer pas op zitting concrete stellingen over representativiteit worden ingenomen. X Corp c.s. beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op een passage in de wetsgeschiedenis, waarin is overwogen dat “ op voorhand ” duidelijk moet zijn dat de eisende partij representatief is. 6.14. De rechtbank volgt X Corp c.s. hierin niet. De representativiteit van een eisende partij in een collectieve actie is een dynamisch gegeven dat gedurende de aanhangige procedure kan veranderen. Het ligt daarom voor de hand om de representativiteit van de eisende partij (in dit geval SOMI) te toetsen op het moment dat in de procedure wordt beslist op de ontvankelijkheid van de eisende partij op grond van artikel 1018c lid 5 Rv. Noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de toets van de representativiteit dient plaats te vinden aan de hand van het aantal aanmeldingen bij de eisende partij op het moment van de dagvaarding. De door X Corp c.s. aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis biedt hiervoor onvoldoende steun, mede in het licht van de overweging van de wetgever dat de rechter “ een doorlopende toets moet uitvoeren op de ontvankelijkheid van de Exclusieve Belangenbehartiger en het machtsevenwicht tegenover de personen wier belangen in de procedure worden behartigd ”. Dit pleit voor een toetsing ex nunc van alle ontvankelijkheidseisen. Een andersluidende opvatting zou betekenen dat de rechter ook in de spiegelbeeldige situatie dat de eisende partij aanvankelijk wél maar later niet voldoende representatief is, niet mag ingrijpen en dan de procedure moet laten voortduren. Uit artikel 1018f lid 1 Rv kan worden afgeleid dat dit niet de bedoeling van de wetgever is. Dit artikel biedt de rechter de mogelijkheid om te beslissen dat de collectieve vordering niet wordt voortgezet indien het aantal personen dat verklaart niet te willen meedoen aan de collectieve actie te groot is om voortzetting te rechtvaardigen. 6.15. Het argument van X Corp c.s. dat toetsing ex nunc organisaties aanmoedigt om een collectieve vordering in te stellen zonder zich ervan te vergewissen of daarvoor voldoende steun bestaat en de aangesproken partij daardoor het risico loopt onnodig hoge kosten te maken, overtuigt niet. De eisen van een goede procesorde gelden onverkort. Bovendien kan het instellen van een kansloze vordering misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen opleveren. Verder neemt toetsing ex nunc niet weg dat ook feiten en/of omstandigheden uit het verleden kunnen meewegen. Toetsing ex nunc maakt het echter mogelijk om ook rekening te houden met de actuele stand van zaken en daarmee met de materiële werkelijkheid op het moment van het nemen van de rechterlijke beslissing op de vorderingen. De stelling van X Corp c.s. dat een toetsing ex nunc de aangesproken partij kan schaden in diens mogelijkheden om zich goed te verdedigen, stuit af op de eisen van de goede procesorde. Ook valt niet goed in te zien waarom de andere ontvankelijkheidseisen, zoals het overlegvereiste (van artikel 3:305a lid 3 onder c BW), bij een ex nunc toetsing zinledig zouden zijn. Het overlegvereiste is in de wet opgenomen om zelfregulering door marktpartijen te bevorderen en om te voorkomen dat een belangenorganisatie onverhoeds een vordering instelt waarmee de wederpartij – die de belangenorganisatie soms nog niet kende – wordt overvallen. Daarvoor is niet nodig en ook niet vereist dat de belangenorganisatie precies weet wie achter haar actie staan. Hetzelfde geldt voor de andere ontvankelijkheidsvereisten van de WAMCA. 6.16. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ex nunc beoordeelt of SOMI voldoet aan het representativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 3:305a lid 2 BW. Beoordeling representativiteitsvereiste 6.17. Het representativiteitsvereiste geeft invulling aan de in artikel 3:305a lid 1 BW neergelegde voorwaarde dat de belangen die een stichting of vereniging behartigt voldoende zijn gewaarborgd. Bij representativiteit gaat het om de mate waarin een belangenorganisatie, gelet op haar achterban, als representatief voor de groep gedupeerden kan worden gezien. Indicaties hiervoor zijn het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding. Een belangenorganisatie zal duidelijk moeten maken voor wie zij opkomt. Dit betekent niet dat een lijst met namen en andere gegevens van de achterban hoeft te worden overgelegd. Voldoende is dat de belangenorganisatie nauwkeurig omschrijft voor welke groep van personen zij opkomt. Het representativiteitsvereiste voorkomt dat een belangenbehartiger kan procederen zonder de ondersteuning van een achterban en strekt vooral ter bescherming van de belangen van de belanghebbenden. Daarom moet duidelijk zijn dat een belangenbehartiger kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen bepaald worden in relatie tot het totaal aantal gedupeerden. Dit kan bijvoorbeeld worden getoetst op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld. De representativiteit van een belangenorganisatie kan ook worden afgeleid uit de overige werkzaamheden die de organisatie verricht heeft om zich voor de belangen van de gedupeerden in te zetten. 6.18. De collectieve kernvraag die SOMI in deze procedure aan de orde stelt, is of X Corp c.s. gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, (ads)profilering en content moderatie in strijd hebben gehandeld met de AVG en de DSA. SOMI heeft deze kernvraag uitgesplitst in drie subonderdelen – datalekken, verboden microtargeting en hate speech (of breder: systeemrisico’s) – met elk een nauw omschreven subgroep. SOMI onderscheidt de volgende subgroepen: - voor de vorderingen die zien op datalekken en gebrekkige beveiliging: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 1 juni 2021 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform en van wie zich persoonsgegevens bevinden in de gelekte datasets (door SOMI aangeduid als Achterban A ); - voor de vorderingen die zien op ongeoorloofde microtargeting en gebrekkige transparantie: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform en die behoorden tot het doelpubliek van de advertenties die zijn getoond als gevolg van ongeoorloofde microtargeting door X Corp c.s., waaronder een vijftal in de dagvaarding genoemde advertenties (door SOMI aangeduid als Achterban B ); - voor de vorderingen die zien op schending van de DSA-verplichtingen rondom systeemrisico’s voor grote online platforms, waaronder het tegengaan van hate speech: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform (door SOMI aangeduid als Achterban C ). 6.19. SOMI heeft een rapport, gedateerd op 20 maart 2026, van DigiJuris in het geding gebracht. DigiJuris heeft in opdracht van SOMI onderzoek gedaan naar de inrichting van het aanmeldproces op de (twee) websites van SOMI en de door SOMI ontwikkelde app en de vaststelling van het aantal in Nederland woonachtige personen dat zich heeft aangemeld voor de collectieve actie tegen X Corp c.s. DigiJuris heeft in aanwezigheid van een deurwaarder, die een proces-verbaal van constateringen heeft opgemaakt, verschillende testaanmeldingen gedaan en de door SOMI overgedragen gegevens in de databases met aanmeldingsgegevens onderzocht. DigiJuris is tot de conclusie gekomen dat zich in totaal 51.546 unieke deelnemers hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI tegen X Corp c.s. 6.20. X Corp c.s. betwisten dat het door DigiJuris genoemde aantal deelnemers kan bijdragen aan de representativiteit van SOMI. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat de aanmelders geen juist en eerlijk beeld van de zaak hebben gehad, zodat niet kan worden aangenomen dat zij SOMI en haar vorderingen daadwerkelijk ondersteunen. Dit argument slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat op de websites van SOMI en in de SOMI-app meerdere stappen en schermen moeten worden doorlopen voordat iemand zich kan aanmelden voor de collectieve actie en (als sluitstuk) het registratieformulier kan invullen. Weliswaar wordt op het eerste scherm een mogelijke compensatie van € 2.500,- in het vooruitzicht gesteld, maar daarna volgen schermen met een toelichting op de collectieve actie van SOMI, zoals ‘wat SOMI eist’, ‘hoe werkt het’, ‘waar gaat de claim over?’ en ‘waarom deelnemen aan deze claim?’. Hierbij worden de drie deelonderwerpen van de collectieve actie – datalekken, microtargeting en haatzaaiende uitlatingen – besproken. In de daarop volgende schermen wordt kort toegelicht wat SOMI is en wat zij doet, waarbij links zijn opgenomen naar (onder meer) de dagvaarding, de statuten en de meest recente jaarverslagen van SOMI. Op geen enkel scherm staat vermeld dat SOMI al ontvankelijk is en dat deelnemers een vergoeding ontvangen voor het aandragen van nieuwe deelnemers. Onderdeel van het aanmeldproces is dat de deelnemer zich akkoord verklaart met de deelnemersovereenkomst. In artikel 2.3 van deze overeenkomst is vastgelegd dat SOMI maximaal 15 procent zal inhouden op de schadevergoeding in verband met haar kosten. SOMI heeft gemotiveerd betwist dat dit ooit 2 procent was en dat het inmiddels 17 procent is, zoals X Corp c.s. stellen. Gelet op al deze informatie kan niet worden aangenomen dat SOMI op haar websites en in haar app geen duidelijk en eerlijk beeld geeft van de collectieve actie en dat de deelnemers geen geïnformeerde en weloverwogen keuze hebben gemaakt. 6.21. In de tweede plaats stellen X Corp c.s. dat het door DigiJuris vastgestelde aantal aanmeldingen onvoldoende betrouwbaar is, omdat DigiJuris de aanmeldingen alleen heeft gecontroleerd op dubbele e-mailadressen en niet is uitgesloten dat één persoon zich met meerdere e-mailadressen heeft aangemeld. Ook deze stelling slaagt niet. Nergens uit blijkt dat dit is gebeurd. Bovendien, zo volgt uit het proces-verbaal van de deurwaarder en de daarin opgenomen schermafbeeldingen van het aanmeldproces, moet bij aanmelding niet alleen het e-mailadres worden opgegeven maar ook unieke persoonsgegevens, zoals de voor- en achternaam en, bij aanmelding via de websites van SOMI, ook nog de geboortedatum (zie schermafbeeldingen 21, 47 en 64). Iedere aanwijzing dat een of meerdere personen zich moedwillig meerdere keren hebben aangemeld, ontbreekt. 6.22. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat 51.456 personen zich hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI en dat zij SOMI en haar vorderingen ondersteunen. 6.23. X Corp c.s. hebben verder nog aangevoerd dat SOMI representatief dient te zijn voor elke afzonderlijke nauw omschreven groep en dat, nu SOMI in het aanmeldproces geen onderscheid maakt tussen de groepen A, B en C (door SOMI genoemd Achterban A, B en C, zie hiervoor onder 6.18) en de deelnemer ook niet vraagt om te bevestigen of hij of zij onder één of meerdere van deze groepen valt, SOMI niet heeft aangetoond dat dit het geval is. De rechtbank volgt X Corp c.s. ook hierin niet. SOMI stelt in deze collectieve actie drie typen onrechtmatige handelingen van X Corp c.s. – datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech – aan de orde die volgens haar allemaal manifestaties zijn van één en dezelfde wijze waarop het X-platform wordt ingericht, geëxploiteerd en beveiligd. Volgens SOMI bevinden de gegevens van ongeveer 3,1 miljoen Nederlandse X-gebruikers zich in de gelekte datasets. X Corp c.s. betwisten dat dit aantal juist is, maar onderbouwen dit niet, althans onvoldoende. Dit had wel op hun weg gelegen, omdat zij bij uitstek degenen zijn die dit kunnen nagaan. Ook als X Corp c.s. gevolgd zouden worden in hun stelling dat SOMI van de verkeerde gelekte dataset uitgaat (de dataset van 200 miljoen X-gebruikers wereldwijd in de plaats van de dataset van 5,4 miljoen X-gebruikers), dan staat vast dat het nog altijd gaat om een grote groep Nederlandse X-gebruikers van wie de gegevens zouden zijn gelekt. Volgens SOMI worden alle actieve Nederlands X-gebruikers geraakt door (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech. Dat zijn er volgens SOMI ongeveer 7,8 miljoen. X Corp c.s. hebben ook dat aantal niet betwist, althans niet gemotiveerd. Dit betekent dat elk van de groepen van belanghebbenden voor wie SOMI in deze collectieve actie opkomt, groot of zeer groot is. Daarmee onderscheidt deze zaak zich van de door X Corp c.s. aangehaalde zaken van Stichting Sinti, Roma en Reizers/de gemeente Den Haag en Stichting Initiatieven Collectieve Acties Massaschade/de Staat der Nederlanden , waarin het ging om (zeer) kleine groepen van belanghebbenden. Om die reden is het niet bezwaarlijk dat SOMI bij de aanmelding niet heeft gevraagd of de betrokkene tot groep A, B en/of C behoort. Voldoende is dat er een ruime en plausibel omschreven groep is die waarschijnlijk wordt geraakt door het gestelde onrechtmatig handelen van X Corp c.s. én dat een substantieel deel daarvan de collectieve actie van SOMI ondersteunt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier voor elk van de subgroepen het geval, zowel in absolute als in relatieve aantallen, ook gezien de aard van de claim (in belangrijke mate een privacyclaim gericht op minder- en meerderjarigen met betrekking tot een digitaal product dat zonder betaling kan worden gebruikt) en de omstandigheid dat het initiatief tot het werven van een achterban van SOMI moet uitgaan (die daarvoor beperkte middelen heeft). 6.24. Bij de beoordeling van de vraag of SOMI voldoende representatief is, betrekt de rechtbank verder dat acht verschillende Nederlandse en buitenlandse maatschappelijke organisaties (met een track record , zoals Stichting Privacy First) op het gebied van (digitale) grondrechten en privacywetgeving hun steun hebben uitgesproken voor de collectieve actie van SOMI. De rechtbank volgt X Corp c.s. niet in hun stelling dat de steunverklaringen te beperkt en te algemeen zijn. De organisaties hebben uiteengezet dat en waarom het van belang is dat het X-platform in lijn wordt gebracht met de wettelijke en ethische normen die in Europa gelden en de rol die de collectieve actie van SOMI hierbij speelt. Hieruit blijkt dat in het bijzonder hate speech op het X-platform als problematisch wordt ervaren in Nederland. 6.25. Ook spelen de feitelijke werkzaamheden van SOMI in het kader van de representativiteit een rol. Uit de door SOMI overgelegde stukken blijkt dat zij actief is op het gebied van privacy- en consumentenrecht. Zij neemt deel aan bredere (Europese) initiatieven en evenementen waar zij haar ervaringen deelt, doet onderzoek (naar bijvoorbeeld de gevaren van online media), voert meerdere procedures tegen Big Tech bedrijven en informeert geïnteresseerden in haar activiteiten via haar website, social media, nieuwsbrieven en app. Hieruit blijkt dat zij zich inzet voor de belangen van haar achterban. Conclusie 6.26. Uit het voorgaande volgt dat SOMI representatief is te achten. 6.27. Dat SOMI drie verschillende nauw omschreven groepen onderscheidt, is voor het (eventuele) vervolg van de procedure, met name de opt-out fase, niet bezwaarlijk. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat praktisch kan worden ingeregeld dat iemand zich per soort van onrechtmatig handelen van X Corp c.s. (datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech) kan bevrijden. In de op de voet van artikel 1018f lid 3 Rv vereiste aankondiging van de collectieve vordering in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen kan vervolgens melding worden gemaakt van de wijze waarop dat moet gebeuren. Gelijksoortigheidsvereiste 6.28. De door artikel 3:305a lid 1 BW vereiste gelijksoortigheid houdt in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering zich strekt, zich lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden. Het gaat er bij toetsing aan het gelijksoortigheidsvereiste niet om of de positie van alle belanghebbenden in alle opzichten precies gelijk of vergelijkbaar is, in die zin dat de belanghebbenden zich in dezelfde rechtspositie bevinden, dezelfde belangen hebben en dezelfde schade hebben geleden. Het gaat erom of de feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis in voldoende mate vergelijkbaar zijn. Die vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming voor de afwikkeling van massaschade. Daarmee kan ook relevant zijn of het voeren van individuele rechtszaken een reële en haalbare mogelijkheid is, zo blijkt uit de tekst van artikel 1018c lid 5 onder b Rv (het meerwaardevereiste). Een belangenorganisatie moet aannemelijk maken dat het voeren van een collectieve actie efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering (het meerwaardevereiste) en dus is nodig dat (i) de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, (ii) het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en (iii) indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat de belanghebbenden alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben. 6.29. Uit het feit dat het gelijksoortigheidsvereiste is opgenomen in de beoordeling van de ontvankelijkheid (die voorafgaat aan de inhoudelijke beoordeling), volgt dat nog geen definitief antwoord hoeft te worden gegeven op de vraag of de belangen van belanghebbenden gelijksoortig zijn. Dat definitieve oordeel zal worden gegeven in de inhoudelijke fase. In de fase van de schadevaststelling kan nader worden bekeken of en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van gelijksoortigheid en kunnen zo nodig categorieën van belanghebbenden worden vastgesteld. De rechter hoeft in de ontvankelijkheidsfase slechts een inschatting te maken van de gelijksoortigheid van de belangen. 6.30. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de collectieve actie gekenmerkt wordt door drie typen van onrechtmatig handelen niet reeds maakt dat niet aan het gelijksoortigheidsvereiste wordt voldaan, zoals X Corp c.s. stellen. Zij hebben alle drie betrekking op de door SOMI geformuleerde kernvraag of X Corp c.s., gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, adsprofilering en content-moderatie, in strijd hebben gehandeld met de wet (in het bijzonder de AVG en de DSA). Uit de wet noch de wetsgeschiedenis volgt dat in één collectieve actie niet verschillende massagebeurtenissen aan de orde kunnen worden gesteld die steeds andere groepen personen raken. Wel moet het efficiënt en effectief zijn om dit alles in één collectieve actie voor te leggen aan de rechter. 6.31. De vorderingen van SOMI vallen uiteen in vier categorieën: ten eerste formele kwesties die samenhangen met de inrichting van de WAMCA-procedure (i, ii, iii, iv, v), ten tweede verklaringen voor recht (dat, kort gezegd, X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld of ongerechtvaardigd zijn verrijkt) en verwijzing naar de schadestaat en/of veroordeling tot betaling van een vergoeding voor geleden immateriële schade (door Achterban C als gevolg van hate speech) (vi), ten derde geboden (vii en viii) en ten vierde het verstrekken van informatie (ix). Bij de eerste en vierde categorie behoeft de gelijksoortigheid van de belangen geen bijzondere beschouwing, gelet op de aard daarvan. Verklaringen voor recht en geboden 6.32. Bij het oordeel dat bepaald handelen onrechtmatig is (vanwege schending van de AVG, de DSA of de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken), dat de aangesproken partij daarvoor aansprakelijk is en dat dergelijk gedrag voor de toekomst verboden wordt, hebben alle personen die geconfronteerd worden met een dergelijk gedrag hetzelfde of tenminste een gelijksoortig belang, dat in beginsel los staat van hun individuele positie. Die vorderingen vragen immers slechts dat de rechter zich een oordeel velt over de onrechtmatigheid van het gedrag. Een dergelijk oordeel strekt tot duidelijkheid over en erkenning van het geschonden rechtsbelang en het is efficiënt en effectief om dat in één procedure voor alle potentieel belanghebbenden te verkrijgen, in plaats van telkens een individuele procedure te entameren. De te beantwoorden vragen in die individuele procedures zullen immers, waar het gaat om deze aspecten steeds dezelfde zijn. Relevante feitelijke vragen zijn bijvoorbeeld of de (door SOMI aangehaalde) op het darkweb aangeboden datasets van X-gebruikers zijn te herleiden tot een kwetsbaarheid op het X-platform, en of X Corp c.s. adverteerders de mogelijkheid heeft geboden om advertenties te richten op Nederlandse X-gebruikers op basis van specifieke voorkeuren die bijzondere categorieën van persoonsgegevens kunnen omvatten en of dit ook is gebeurd met de in de dagvaarding genoemde vijf advertenties. Als het gaat om het verweten onrechtmatig handelen met betrekking tot hate speech is van belang of X Corp c.s. een beroep kunnen doen op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 6 DSA. Die juridische vraag is voor alle betrokkenen hetzelfde. Dit geldt ook voor de vraag of X Corp c.s. voldoende maatregelen nemen om te voorkomen dat er advertenties op het X-platform worden getoond op basis van microtargeting met gebruik van bijzondere persoonsgegevens. 6.33. Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking hebben X Corp c.s. aangevoerd dat een dergelijke vordering een beoordeling op individueel niveau vergt. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op ongerechtvaardigde verrijking in beginsel individuele omstandigheden in ogenschouw worden genomen. SOMI heeft in deze zaak echter gemotiveerd gesteld dat de mate van verrijking en de mate van verarming ten aanzien van alle belanghebbende hetzelfde is, omdat de verarming eruit heeft bestaan dat de benadeelden (onder meer) de controle over hun persoonsgegevens hebben verloren, terwijl X Corp c.s. (ongerechtvaardigd) zijn verrijkt doordat zij die persoonsgegevens hebben kunnen aanwenden voor het genereren van inkomsten uit advertentieverkoop. Ook de omstandigheid dat X Corp c.s. de X-gebruikers niet op passende wijze hebben geïnformeerd over de datalekken, waardoor zij op het X-platform bleven, en dat zij hate speech ruim baan laten, leidt volgens SOMI tot een stijging van de advertentie-inkomsten. De juistheid van deze stellingen laat zich naar het oordeel van de rechtbank beantwoorden zonder toetsing van individuele omstandigheden. 6.34. De rechtbank is daarom van oordeel dat elk van de nauw te beschrijven groep personen bij de gevorderde verklaringen voor recht en geboden gelijksoortige belangen hebben. Materiële en immateriële schade 6.35. De collectieve actie van SOMI strekt tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die Nederlandse X-gebruikers lijden en hebben geleden als gevolg van de door SOMI gestelde datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech. SOMI vordert een symbolisch bedrag van € 1,- per lid van achterban C aan immateriële schadevergoeding als gevolg van hate speech. X Corp c.s. betwisten dat de schade steeds gelijk is. Volgens X Corp c.s. zal de gestelde materiële en immateriële schade van ieder persoon uit de nauw omschreven groepen concreet moeten worden aangetoond en is de verscheidenheid in individuele posities groot. Zo zal een X-gebruiker die er zelf voor heeft gekozen om aan de hand van zijn of haar e-mailadres of telefoonnummer vindbaar te zijn op het X-platform, geen schade ondervinden als gevolg van de gestelde datalekken. Ook heeft niet iedere X-gebruiker volgens X Corp c.s. te maken met microtargeting. Dit hangt ervan af of de gebruiker is in- of uitgelogd, een X-account heeft en of hij of zij betaalt om geen advertenties te zien. X-gebruikers die kiezen voor het tabblad ‘Following’ lopen volgens X Corp c.s. aanzienlijk minder risico om geconfronteerd te worden met hate speech. 6.36. SOMI legt aan haar vorderingen (onder meer) ten grondslag dat X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld. Uit de aard van het Nederlandse schadevergoedingsrecht, mede gelet op de uitleg daarvan door de Hoge Raad, volgt dat voor het toekennen van schadevergoeding noodzakelijk is dat daadwerkelijk schade is geleden. De enkele omstandigheid dat onrechtmatig is gehandeld is niet voldoende om een recht op materiële of immateriële schadevergoeding te doen ontstaan; de constatering dat onrechtmatig is gehandeld houdt een erkenning in dat een norm is geschonden, maar die schending is iets anders dan schade en schade vloeit daaruit niet noodzakelijkerwijs voort. Weliswaar kunnen in voorkomend geval de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, maar