Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam, 17-06-2026 (13-349478-25)

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vervolgings-EAB uit België. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon beroept zich op de gegeven terugkeergarantie. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan.

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-349478-25 Datum uitspraak: 17 juni 2026 UITSPRAAK op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 december 2025 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek, afgeleverd door de Onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, op 5 december 2025. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: informaticacriminaliteit; oplichting. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Substituut-Procureur des Konings van het Parket van de Procureur des Konings West-Vlaanderen, Afdeling Brugge, heeft op 16 april 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 paragraaf 3 van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [de opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 17 april 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven: “1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair – onder overlegging van het jaarverslag 2025 van de Commissie van Toezicht Brugge en een overzicht van nieuwsberichten over incidenten in de gevangenis van Brugge – op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, mede gelet op de jeugdige leeftijd van de opgeëiste persoon. Onder meer heeft hij gewezen op ernstige tekortkomingen in de detentieomstandigheden in Brugge, zoals overbezetting, slechte medische zorg en slechte hygiëne. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op parlementaire vragen die in 2025 aan de minister van justitie van België zijn gesteld over detentiegaranties bij overleveringsprocedures. Volgens de raadsman is – ondanks de verstrekte detentiegarantie – onvoldoende gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan een onmenselijke behandeling. Subsidiair moet de behandeling van het EAB worden aangehouden om – onder verwijzing naar de gestelde parlementaire vragen – nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten over de detentieomstandigheden in Brugge en in hoeverre de gegeven garantie kan worden nagekomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgegeven individuele detentiegarantie ten aanzien van de opgeëiste persoon volstaat nu deze het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De door de raadsman overgelegde stukken vormen weliswaar een bevestiging van het algemene gevaar in België, maar kunnen niet aantonen dat de individuele detentiegarantie niet kan worden nageleefd. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon zich tot de bevoegde autoriteiten kan wenden indien de detentiegarantie niet wordt nageleefd. Oordeel van de rechtbank De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 17 april 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten in de garantie van 17 april 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden). De door de raadsman overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. Die stukken bevestigen enkel het eerder door deze rechtbank vastgestelde algemene gevaar dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Vanwege dat algemene gevaar heeft de rechtbank, alvorens de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig waarmee het algemene gevaar wordt weggenomen. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank uitgaan van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten worden gegeven. De door de raadsman overgelegde stukken zijn bovendien onvoldoende om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en B.C.M. Burger, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.

Related across sources

Similar Content