Rechtbank Noord-Holland, 29-04-2026 (C/15/375585 / KG ZA 26-118)
Rechtbank Noord-Holland
Kort geding. Vordering tot afgifte stukken m.b.t. nalatenschap. Afwijzing van de vorderingen vanwege het ontbreken van het spoedeisend belang.
Case Summary
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/375585 / KG ZA 26-118 Vonnis in kort geding van 29 april 2026 in de zaak van [eiseres] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. D.W. Ruys, tegen [gedaagde] , in hoedanigheid van executeur en erfgenaam van de nalatenschap van [erflaatster] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J. Bouter. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 13 maart 2026, met producties 1-6; - de producties 1-16 namens [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van mr. Ruys, - de pleitnota van mr. Bouter. 1.2. De zaak is na afloop van de mondelinge behandeling een week aangehouden, om partijen de gelegenheid te geven afspraken te maken. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen en hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht om vonnis te wijzen. 2 De uitgangspunten 2.1. Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) is overleden op 15 september 2023. Op 16 november 2021 maakte zij haar laatste testament op, waarin zij haar echtgenoot, [gedaagde] , en haar twee kinderen ( [eiseres] en [zoon ] ) tot erfgenamen benoemde. [gedaagde] werd bovendien tot executeur benoemd. 2.2. In het testament is bepaald dat op de nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is. Volgens het testament komt aan [gedaagde] 3/6e deel, aan [zoon ] 2/6e deel en aan [eiseres] 1/6e deel van de nalatenschap toe. Het erfdeel van [eiseres] komt overeen met haar legitieme portie. 2.3. [gedaagde] heeft een boedelbeschrijving opgesteld. In de boedelbeschrijving zijn onder de schulden van de nalatenschap onder andere een schuld van € 82.911,36 opgenomen wegens openstaande declaraties van het kantoor van mr. J. Bouter en een schuld aan [zoon ] van € 20.000,-. 2.4. [eiseres] heeft [gedaagde] verzocht inzage te geven in alle bankafschriften over vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster, declaraties ter onderbouwing van de schuld aan het advocatenkantoor en betaalbewijzen in verband met de opgenomen schuld aan [zoon ] . [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan. 3 Het geschil 3.1. [eiseres] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] een afschrift van alle bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen op naam van erflaatster en/of [gedaagde] te verstrekken, over een periode van vijf jaar voor het overlijden, integraal en ongeschoond; II. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, inzage te verstrekken in en afschrift te geven van alle declaraties, urenspecificaties en betaalbewijzen die ten grondslag liggen aan het in de boedelbeschrijving als schuld opgevoerde bedrag van € 82.911,36 wegens advocaatkosten van het kantoor van mr. J. Bouter; III. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, inzage te verstrekken in en afschrift te geven van alle stukken waaruit zou blijken dat sprake is van een daadwerkelijke schuld van erflaatster aan haar zoon de heer [zoon ] ten bedrage van € 20.000,-, waaronder schriftelijke overeenkomsten, correspondentie en bankmutaties betreffende de gestelde betaling(en) en eventuele terugbetaling(en); IV. bepaalt dat [gedaagde] in privé bij gebreke van (tijdige) nakoming van de onder I. tot en met III. gevorderde verplichtingen een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag(deel) dat hij in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-; V. [gedaagde] in privé veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiseres] legt kort gezegd aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 4:16 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben erfgenamen jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. Dit omvat ook bewijsstukken van opgevoerde schulden. Verder zijn [eiseres] en [gedaagde] als erfgenamen krachtens artikel 3:166 lid 1 BW deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster. Op grond van artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang met artikel 6:2 BW dienen deelgenoten jegens elkaar de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht te nemen. Een deelgenoot in een nalatenschap heeft in die zin tegenover de andere deelgenoten recht op inzage van alle stukken die deel uitmaken van de nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en de waarde van die nalatenschap van belang zijn. Daarnaast is in artikel 4:148 BW bepaald dat een executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven. Om te beoordelen of de legitieme portie van [eiseres] door schenkingen bij leven van erflaatster is geschonden en zij mogelijk een aanvullend beroep op haar legitieme portie dient te doen, heeft zij recht op de gevraagde bankafschriften en deze zelf te onderzoeken. Daarnaast wil [eiseres] controleren of de in de boedelbeschrijving opgenomen schulden aan het advocatenkantoor en [zoon ] kloppen. 3.3. [gedaagde] voert verweer en vindt dat hij de gevorderde stukken niet hoeft te verstrekken. Hij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. [gedaagde] verzet zich tegen het overleggen van vertrouwelijke correspondentie tussen advocaat en cliënt alsmede gedetailleerde urenspecificaties waaruit de inhoud van de behandeling van de zaak tussen [gedaagde] en de zoon van [eiseres] blijkt. [eiseres] heeft geen recht op onbeperkte inzage in vertrouwelijke informatie tussen advocaat en cliënt. Zelfs facturen behoeven volgens het verschoningsrecht niet te worden overgelegd. Ten aanzien van de lening van € 20.000,- bij [zoon ] heeft [gedaagde] producties overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat na ontvangst van dat geld, [gedaagde] en erflaatster dit bedrag diezelfde dag en de dag erna aan de advocaat hebben betaald onder vermelding van de desbetreffende factuurnummers. Bovendien is er een schuldbekentenis opgemaakt tussen [zoon ] en [gedaagde] en erflaatster. Daarmee is voldoende inzage gegeven. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat een bevel tot overleggen van alle bankafschriften het recht op eerbiediging van het privéleven raakt, artikel 4:16 lid 4 BW geen algemene controlerecht over iemands privé-uitgaven schept en [eiseres] geen beroep kan doen op artikel 4:148 BW omdat [gedaagde] zijn werkzaamheden als executeur al heeft voltooid. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Geen spoedeisend belang 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. 4.2. [eiseres] stelt dat haar spoedeisend belang gelegen is in het stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap, zolang zij geen volledig en controleerbaar inzicht heeft in de omvang en juistheid van de opgevoerde advocaatkosten, de juistheid en toelaatbaarheid van de opgevoerde schuld aan haar broer en het verloop van de relevante bankrekeningen in de vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster. Zonder deze informatie kan [eiseres] haar erfdeel niet correct vaststellen, noch bepalen of en in hoeverre zij een aanvullend beroep op haar legitieme portie dient te doen. Bovendien verslechtert de bewijspositie van [eiseres] met het verstrijken van de tijd en wordt het herstel van eventuele onjuiste onttrekkingen of ten onrechte opgevoerde schulden praktisch steeds lastiger. In de komende maanden dreigen belangrijke bankafschriften verloren te gaan (in verband met de geldende wettelijke bewaartermijn voor banken), die mogelijk ook zien op de gemaakte advocaatkosten, lening en schenkingen. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang van [eiseres] betwist. 4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiseres] ontbreekt. Dit concludeert hij op basis van het feit dat [eiseres] - zoals zij zelf ook heeft gesteld - nog tot 15 september 2028 een aanvullend beroep op haar legitieme portie kan doen en de verklaring van mr. Bouter ter zitting dat hij (digitaal) beschikt over de gevraagde bankafschriften van de periode van vijf jaar voor het overlijden van erflaatster. [eiseres] hoeft dus niet te vrezen dat de gevorderde bankafschriften verloren zullen gaan. Verder beschikt [gedaagde] over de advocatendeclaraties van het kantoor van mr. Bouter. Ook hiervoor geldt dus dat de gevorderde stukken beschikbaar zijn, zodat niet gevreesd hoeft te worden dat deze er niet zullen zijn als pas in een bodemprocedure zou worden geoordeeld dat [gedaagde] daar afschriften van moet verstrekken. Ten aanzien van de gestelde lening aan [zoon ] heeft [gedaagde] in deze procedure al stukken overgelegd op basis waarvan [eiseres] haar standpunt daarover kan bepalen. Ook uit het willen verkrijgen van duidelijkheid over haar rechtspositie en het mogelijk stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap, leidt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang af. 4.4. De vorderingen van [eiseres] worden vanwege het voorgaande afgewezen. De overige standpunten van partijen behoeven daarom geen bespreking. Proceskosten 4.5. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om anders te beslissen over de proceskosten. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.