Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-06-2026 (20-001804-25)
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De verdachte is veroordeeld ter zake van ‘verduistering’, ‘overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ en ‘overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’.
Case Summary
Parketnummer : 20-001804-25 Uitspraak : 4 juni 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 juli 2025 met parketnummer 01-097051-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen onder parketnummers 20-000648-22 en 96-138085-22, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, BRP-adres: [adres] . Hoger beroep Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘verduistering’ (feit 1), ‘overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 2) en ‘overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van voorarrest. Verder heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 4) veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 4 weken. Tot slot heeft de politierechter de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, onder parketnummers 20-000648-22 en 96-138085-22, afgewezen. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 3 en het tenlastegelegde onder de feiten 2 en 4 bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 weken voor feit 2 en een geldboete zal opleggen voor feit 4. Namens de verdachte is vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde. Verder heeft de raadsman ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten een straftoemetingsverweer gevoerd. Tot slot heeft de raadsman het hof verzocht om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen tot tenuitvoerlegging. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 19 november 2024 tot en met 29 november 2024 te Uden, gemeente Maashorst althans in Nederland opzettelijk een personenauto (merk Nissan Micra, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten welke personenauto verdachte had geleend, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 2. hij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (kenteken [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen; 3. hij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [locatie 1] , als bestuurder een motorrijtuig, (een personenauto, kenteken [kenteken] ), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; 4. hij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de weg, de [locatie 1] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Vrijspraak feit 3 Het hof heeft – in navolging van de raadsman en de advocaat-generaal – vastgesteld dat de verdachte geen rijbewijs heeft gehad. Aangezien de verdachte geen rijbewijs heeft gehad, kan dit vermeende rijbewijs ook niet ongeldig verklaard zijn. Derhalve zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder feit 3 tenlastegelegde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij in de periode van 19 november 2024 tot en met 29 november in Nederland opzettelijk een personenauto (merk Nissan Micra, kenteken [kenteken] ) toebehorende aan [benadeelde] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten welke personenauto verdachte had geleend, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 2. hij op 29 november 2024 te Eindhoven als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (kenteken [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat; 4. hij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de weg, de [locatie 1] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het volgende politiedossier. Het politiedossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2024264421, gesloten d.d. 4 februari 2025, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , agent van politie, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s van 1 tot en met 80. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. - Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 november 2024 (pg. 7-10), voor zover inhoudende als verklaring van aangever ( [aangever] ) : Ik doe aangifte van verduistering van de auto van mijn zoon. Mijn zoon, [benadeelde] , is op dit moment wegens medische omstandigheden niet in staat zelf aangifte te doen. De auto van mijn zoon is verduisterd en hij gaf hier geen toestemming voor. Op 19 november leende mijn zoon zijn auto uit aan [verdachte] . [verdachte] vroeg [benadeelde] of hij voor een middag zijn auto, een Nissan Micra met kenteken [kenteken] , mocht lenen. Dit vond [benadeelde] goed en [benadeelde] maakte de afspraak dat [verdachte] de auto in de avond terug zou brengen. [verdachte] kwam die avond niet meer bij [benadeelde] om de auto af te geven. [benadeelde] probeerde [verdachte] nog te bellen. [verdachte] nam zijn telefoon niet op en antwoordde niet meer op berichtjes. [benadeelde] heeft elke dag, tot vandaag, gepoogd contact te krijgen met [verdachte] . - Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 november 2024 (pg. 19-20), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 1] : Ik was belast met het opsporingsonderzoek naar de verduistering van een auto. Ik hoorde in dit onderzoek de verdachte, te zijn [verdachte] . Na het verhoor vroeg ik de verdachte of hij berichten en telefoongegevens kon laten zien die zijn verklaring zouden ondersteunen. Ik zag dat hij naar de berichten ging waarboven stond ‘ [benadeelde] ’. Ik zag dat hij het contact deblokkeerde. Ik hoorde dat de verdachte zei ‘oh ik zal even de blokkering eraf halen’. Ik zag dat er verschillende berichten naar ‘ [benadeelde] ’ waren gericht. Ik zag dat het eerste bericht was van 15 november. Ik zag dat hij op de volgende data een bericht had gestuurd: 15 november, 17 november, 18 november, 20 november, 22 november, zondag ( het hof begrijpt telkens: 2024 ). Ik zag nergens in de berichten dat er iets over een auto werd gezegd. Ik keek vervolgens in de telefoonlijst van laatst gebelde nummers bij ‘ [benadeelde] ’. Ik zag dat het laatste gesprek op 29 oktober was. Ik vroeg de verdachte of hij de telefoongegevens naar de moeder van [benadeelde] kon laten zien, omdat hij had verklaard ook met haar had gehad ( het hof begrijpt: gebeld ) . Hij zei dat die gegevens op een andere telefoon stonden. Die lag bij een vriendin. - Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 november 2024 (pg. 15-18), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] : Op 29 november 2024 om 12:32 uur reden wij over de [locatie 2] te Eindhoven. Wij zagen wij dat een rode Nissan Micra ons tegemoet reed voorzien van het kenteken [kenteken] . Ik, verbalisant [verbalisant 2] , bevroeg dit kenteken en zag dat het voertuig sinds 29 november 2024 gesignaleerd stond, omdat deze verduisterd zou zijn. Wij zagen dat het voertuig zijn snelheid plots verhoogde en rechtsaf de [locatie 1] in reed. Wij voerden optische onze optische signalen en zetten het stopteken aan. Wij zagen dat het voertuig werd geparkeerd aan de rechterzijde van de weg. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , ben direct uitgestapt en ik sprak de bestuurder aan. Ik opende het portier van de bestuurder. Ik zag dat de bestuurder een geopend halve liter blik bier tussen zijn benen had staan. Toen de man tegen mij sprak rook ik, verbalisant [verbalisant 2] , dat de adem van de man rook naar het inwendig gebruik van alcohol. Ik zag dat de ogen van de man bloeddoorlopen waren. Deze waarneming, in combinatie met het geopende blik bier tussen de benen van de man, maakte dat wij hem ook verdachten van het rijden onder invloed van alcohol. Gezien het feit dat wij hem verdachten van het rijden onder invloed van alcohol vorderde ik, verbalisant [verbalisant 2] , de medewerking voor het afnemen van een blaas/alcoholtest. Wij hoorden dat hij zei dat hij deze test weigerde. Op dat moment sloot verbalisant [verbalisant 4] bij ons aan. Wij hoorden dat de verbalisant [verbalisant 4] de man ambtshalve herkende als zijnde [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1974. In de politiesystemen zagen wij dat [verdachte] niet in het bezit was van enig rijbewijs. - Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 29 november 2024 (pg. 31-80), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] : Na controle van de persoonsgegevens van [verdachte] in het centraal registers rijvaardigheidsbewijzen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek tevens dat aan [verdachte] nooit enig rijbewijs was afgegeven. Bestuurder van rijbewijsplichtig motorrijtuig zonder rijbewijs Het betrof hier een bestuurder van een motorrijtuig waarvoor voor het besturen een rijbewijs vereist is. Uit controle bleek dat de verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat hij in het bezit was van een rijbewijs voor de categorie motorrijtuigen waartoe dat motorrijtuig behoorde. Bevel tot medewerking ademanalyse Op 29 november 2024 om 12:36 uur heb ik, [verbalisant 4] , de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem medegedeeld dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte medegedeeld dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel, wat ons bleek uit het volgende: wij hoorden dat verdachte [verdachte] ons mededeelde dat hij elke medewerking aan onderzoeken naar rijden onder invloed weigerde, waaronder de ademanalyse. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Ten aanzien van feit 1 is door de verdediging aangevoerd dat door aangever geen berichten zijn overgelegd die de aangifte van verduistering ondersteunen. Daarbij stelt de verdediging dat de verdachte zijn neef op de hoogte heeft gehouden van onder meer het gebruik van de auto. Het hof overweegt als volgt. In de aangifte is gerelateerd dat de neef van de verdachte aan de verdachte de auto heeft uitgeleend op 19 november 2024 en dat deze auto ’s avonds weer zou worden teruggebracht. Op de vraag aan de verdachte – in zijn verhoor ten overstaan van de politie – waarom hij de auto niet heeft teruggebracht, antwoordt de verdachte: “Omdat ik die avond hoorde dat mijn zoon in het ziekenhuis lag, dat heb ik ook doorgegeven”. Naar het oordeel van het hof kan in dit antwoord een bevestiging worden gezien van de afspraak zoals gesteld door aangever, te weten dat de auto diezelfde avond nog zou worden teruggebracht maar dat de verdachte wegens een onvoorziene omstandigheid – zijn zoon was in het ziekenhuis opgenomen – de auto langere tijd nodig had. De verdachte verklaart verder op de vraag dat elke dag door de aangever is geprobeerd telefonisch contact te leggen met hem en dat hij niet opnam en niet reageerde op berichten met: “Omdat ik in het ziekenhuis was en dan moet ik mijn telefoon uitzetten”. Vervolgens ontkent de verdachte berichten dan wel oproepen te hebben gehad van zijn neef en stelt hij dat: “ik heb hem juist om de twee dagen iets laten weten”. Gelet op het proces-verbaal van bevindingen van 29 november 2024, blz. 19-20, kan de verklaring van de verdachte niet kloppen. Immers, allereerst blijkt uit voornoemd proces-verbaal dat de verdachte kennelijk het telefoonnummer van zijn neef had geblokkeerd en verder dat vanaf 19 november 2024 door verdachte slechts nog een tweetal berichten waren verstuurd, namelijk op 20 en op 22 november 2024 en dat de strekking van deze berichten niets met de geleende auto te maken hadden en ten slotte dateerde het laatste telefoongesprek met zijn neef van 29 oktober 2024, dus geruime tijd voor de datum dat de auto was uitgeleend. Het hof is derhalve van oordeel dat gelet op de aangifte, het meergenoemde proces-verbaal van bevindingen en de kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte het verweer van de verdediging gepasseerd dient te worden en de verduistering bewezen kan worden verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: verduistering. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het onder 4 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering, het weigeren van een bevel tot medewerking aan een ademanalyse en het rijden zonder geldig rijbewijs. Door de auto van zijn neef te verduisteren heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen. De verplichting om in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs is ter bescherming van de verkeersveiligheid. Het weigeren van een bevel tot ademanalyse betreft een obstructie van de bevoegdheid van een opsporingsambtenaar om na te gaan of en zo ja, in welke mate een bestuurder van een motorrijtuig de door de wetgever gestelde norm betreffende alcohol in het verkeer heeft overschreden. Dit is ter bescherming van de verkeersveiligheid. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij op deze wijze heeft gehandeld. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij eerder meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor zowel feiten aangaande de Wegenverkeerswet 1994 als vermogensdelicten. Deze kennelijke veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om te handelen zoals bewezenverklaard. Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze door de raadsman op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De raadsman heeft naar voren gebracht dat zijn cliënt inmiddels op het goede pad is en dat hij in de ziektewet zit. Alles afwegende meent het hof dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een die vrijheidsbeneming met zich brengt en acht het ten aanzien van onder 1 en 2 bewezenverklaarde oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, passend en geboden. Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde acht het hof oplegging van hechtenis voor de duur van 2 weken passend en geboden. Vordering tot tenuitvoerlegging (20-000648-22) De officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van dit hof van 10 maart 2023 onder parketnummer 20-000648-22 voorwaardelijk geldboete ter hoogte van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis. Het hof heeft – in navolging van de advocaat-generaal en de raadsman – vastgesteld dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de voorwaardelijke veroordeling. Gelet op het voorgaande zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging. Vordering tot tenuitvoerlegging (96-138085-22) De officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 mei 2023 onder parketnummer 96-138085-22 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. Het hof heeft – in navolging van de advocaat-generaal en de raadsman – vastgesteld dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de voorwaardelijke veroordeling. Gelet op het voorgaande zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 62, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107, 163, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan. verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 01-097051-25 onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde: veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken ; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde: veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) weken; verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 20-000648-22; verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-138085-22. Aldus gewezen door: mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter, mr. A.J. Henzen en mr. N. van der Laan, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier, en op 4 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.